‘Als ik over mijn vroegere projecten praat,

komt ook het geloof daarin weer terug...’

 

 

Henk Abma (tekst) en Joost de Wal

Van 1976 tot 2000 was Henk Abma predikant van het Oude Kerkje van Kortenhoef. Hij organiseerde er tientallen tentoonstellingen, concerten, lezingen, presentaties en manifestaties, steeds begeleid door bijzondere publicaties. Kerk en kunst waren er hechte bondgenoten. Maar zijn gedreven programma kende veel strijd. In 2000 vertrok hij naar Frankrijk.

Kortenhoef (1976)
Ik had theologie en kunstgeschiedenis gestudeerd zonder nog precies te weten wat ik ermee zou gaan doen. Bij ons thuis was iedereen dominee of met zo’n lekkernij gehuwd, dus ik wist heel goed wat ik wel en niet wilde. Tijdens het vicariaat in Loosdrecht ontdekte ik het idyllische Kortenhoef met het – meest afgebeelde, net gerestaureerde – oude kerkje naast de pastorie met ophaalbrug. Ik was direct verkocht.

De gemeente lag al twee jaar op haar gat. In het dorp werd veel bijgebouwd, aanvankelijk puilde de kerk dan ook uit, maar het ging pijlsnel mis rond feit en fictie in de bijbel, liturgiek en ethiek, ons-kent-ons en nieuwkomers. Oud-predikanten stookten het vuurtje op en dat resulteerde direct in een grimmige strategie die in de kerk blijkbaar mogelijk is: Niet meer kerken, niet meer betalen, dan roken we die vent uit.
Er kwamen eerst twee diensten na elkaar. Later ook twee gemeenten naast elkaar, waarbij onze weinig omlijnde, sterk op experimenten gerichte Oecumenische Streekgemeente (OSG) – met relatief veel rooms-katholieken en niet-meer-kerkelijken uit de wijde omgeving – voor één keer ‘gewoon’ heette, en de meer behoudende variant ‘buitengewoon’. Klein bier, maar wel verfrissend.

Poëzie
Natuurlijk liep ik gemakkelijker een atelier binnen dan de classis, maar in de liturgie ging het eerst om het naast elkaar lezen van bijbel en poëzie. Kees Fens – die wat de kerk betreft bepaald geen nieuwlichter was – schreef waarderend over het kerkje van Kortenhoef, waar de literatuur tot de liturgie behoort. En Lucebert bezwoer me ooit: Laat je daar vooral niet wegpesten.

Eerste exposities
Behalve tegenstand vanuit de behoudende wijkgemeente, trokken de eerste exposities enkele duizenden bezoekers. Kortenhoefse schilders (1981) toonde werk dat gewoon bij de mensen thuis hing. Niet het gebruikelijke zigeunermeisje, maar nabloei Haagse School, gekregen voor het lenen van een praam of een andere vriendendienst. Nescio uit de doeken (1984)combineerde handschriften, natuurdagboeken en drukgeschiedenis met, bij verzamelaars en musea geleende, schilderijen van door de schrijver geliefde locaties.
Tijdens zo’n expositie lazen we in de kerk Qohelet (Prediker); een van de weinige bijbelboeken die de jonge Nescio gelezen had, wat in zijn stijl herkenbaar bleef. Het belangrijkste was echter de ontdekking van de kerk als expositieruimte: de betekenis ervan voor de gemeente, inclusief het ‘grensverkeer’ van mensen die nooit meer in een kerk kwamen. We deelden in elk geval dezelfde vragen. Om die beter in kaart te brengen was er eenmaal per maand geen liturgie, maar een Nesciolezing annex koffieconcert.

Beeld en liturgie
In 1987 citeerde Regnerus Steensma uit een vouwbladvan het kerkje: ‘Met behulp van schilderijen beproeven we een moderne herwaardering van het beeld in de liturgie.’

Ja, ‘herwaardering’ gelet op de protestante voorrang van het woord. Dus niet terug naar de ‘roomse heisa’, maar een bezinning op de wisselwerking tussen woord en beeld die binnen de horizon van elke tijd bovendien verschuift. Liturgie als een collage waarin dingen, die niet om elkaar gevraagd hebben, toch iets aangaan wat de vertrouwde blik afbreekt en ruimte doet vrijkomen voor iets ‘ongehoords’.


Secularisatie
Secularisatie, als de teloorgang van voorstellingen die voor genoeg ellende gezorgd hebben, is een bevrijding. Bij niet-kerkelijke begrafenissen kom je voorstellingen tegen die in de kerk al lang en breed gesneuveld zijn. Omgekeerd wist ik me met niet-gelovige kunstenaars vaak meer verwant dan met kerkmensen. Kortom: de breuklijn loopt door beide werelden.
De ervaringen en ontdekkingen uit de eerste jaren vonden op dit punt een neerslag in de statuten van Stichting Collage, die de kunstprojecten voor de Oecumenische Streekgemeente organiseerde. Want zonder communicatie met de eigentijdse, godvergeten cultuur ontgaat ook de kerk haar geheim. Een mooie binnenkomer, zij het met een nauwelijks onderkend ‘opendeurgehalte’. Zelfs bij (de late) Karl Barth kun je al lezen, dat een gemeente ermee te rekenen heeft dat er naast Jezus, als het ene woord, ‘nog andere openbaringen’ zijn die de bijbel ‘als goed en authentiek commentaar tot klinken brengen’.

Andere openbaringen
Na het afscheid van het godsbeeld, zoals het zich tot en met de Verlichting (en daarna nog in de rooms-katholieke en protestante orthodoxie) wist te handhaven – Emmanuel Levinas spreekt van het volwassen vervolg op de lege kinderhemel –, had ik een soort writer’s block rond het gebed. Tot ik in de Vleeshal van Middelburg voor het eerst de enorme ketting van glasgeblazen ogen van Maria Roosen zag: de zogeheten Roosenkrans (1997).

Het kunstwerk trof me en ik wist voor eens en altijd: bidden is je te binnen brengen en aan den lijve voelen wat je ogen hebben gezien en gelezen. Niet ‘gehoor zoeken’, maar ‘zoeken hoe gehoor te geven’.

Tijdens het bidden de blik verruimen, van standpunt en oriëntatie veranderen. De taal van gebeden verandert daardoor en mensen voelen dat. Voordien wilden ze altijd de tekst van de uitleg nog eens nalezen, later vroegen ze vooral om de gebeden.

Kunst in de kerk
Als ik hoe of waar dan ook iets zag wat in mijn kraam te pas kwam, dan sleepte ik dat de kerk in. Maar er waren jaarlijks drie kristallisatiepunten.
In het voorjaar was er altijd een expositie in relatie tot 4 en 5 mei. Heel direct, maar ook wel in een losser verband, zoals exposities rond het thema In ruimte gezet,over (vernieuwing van) grafmonumenten en andere relaties tussen kunst en ritueel alsrouwverwerking.
In de zomer was er tien jaar lang een expositie voor blinden, waar vooral zienden beter van leerden kijken. Voor kunstenaars was het een uitdaging om werk te maken dat een beroep doet op andere zintuigen dan de ogen. Het idee waaide over uit de Oostbloklanden, waar meer blinden waren en kunst sowieso een veel sterkere sociale functie had. Onze manifestaties waren vóór de val van de Muur ook een uitstekende dekmantel om kunstenaars uit het Oostblok een visum te bezorgen en met westersekunst in aanraking te brengen. Bij de grote exposities uit deze reeks, zoals Verdwenen geuren en geluiden als associatieve dragers van herinnering: beelden voor blinden en zienden (1996), waren naast het kerkje en de tuin ook alle kamers van de pastorie van kunst voorzien. Inclusief een roze klamboe in de bibliotheek, waar een dagelijks te verversen fles vruchtwater stond met een loop van het zowel pro- als regressief te interpreteren gedicht van Rutger Kopland over de liefde: Ga nu maar liggen liefste in de tuin, / de lege plekken in het hoge gras, / ik heb altijd gewild dat ik dat was, een lege / plek voor iemand, om te blijven. In de marge van deze exposities gebeurde altijd van alles. Vincent Bijlo debuteerde als cabaretier, Lex Grandia en Jules de Corte traden er op, evenals de blinde fotograaf van erotiek Eugen Bavčar uit Parijs. Maartje ’t Hart streek, gekleed in een lila mantelpakje, het wasgoed en improviseerde op het orgel. De Engelse theoloog John Hull kwam over om te vertellen over het proces van zijn blind worden.
In de herfstvakanties waren er altijd de succesvolle Zondagsschilders van maandag tot zaterdag. Op de ereplaats in het koor hing altijd werk van een bekende Nederlander die als schilder echter, net alle anderen, amateur was. Op die manier trokken onder meer de psychiater P.C. Kuiper en Dimitri Frenkel Frank de kar. Toen de laatste op de preekstoel uitlegde waarom hij zich, wat perspectief en andere regels betreft, van God noch gebod iets aantrok, zakte hij precies op dat moment in elkaar. Van secularisatie gesproken: na zijn dood durfde geen enkele middenstander nog een affiche op te hangen, want in dat kerkje straft, jawel…

Jenna Tas
‘Tijdens een mei-expositie [in 1995] schroefde Jenna Tas drie in staal gevatte voorzetramen van het koor van de kerk los om die met een walmend kaarsje en engelengeduld te beroeten. Nadat zij er Hebreeuwse letters en kleine tekeningetjes in gemaakt had, plaatste zij de ramen terug op hun plek: “Al die namen, al die meeverbrande namen” (Paul Celan) – het was de meest indrukwekkende installatie die ooit in het kerkje te zien was.

Het heldere licht, nu gezeefd in sepia.’ (Henk Abma, weblog, 25 februari 2007)
Het maakte de ruimte heel indringend.  Het koor van elke middeleeuwse (kruis)kerk staat, wie das geneigte Haupt Christi, enigszins scheef op het schip. Het is net als de Hof van Eden en onze dodenakkers, gebouwd op het oosten: reikhalzend naar het licht, de morgen van de opstanding – en precies dat uitzicht is na Auschwitz voorgoed verduisterd. Langs de witte wanden van het koor stonden aluminium platen met honderden tekeningen in gemengde techniek: een eindeloze variatie van leisteentjes waarmee de kunstenares de anonieme doden iets van hun individualiteit probeerde terug te geven. Elke catalogus bij de tentoonstelling bevatte zo’n tekening, plus een cd met het niet eerder uitgevoerd ‘trio-kwintet’ (1970) van de Rus Yuri Butzko, die na een bezoek aan Auschwitz een motief bij Beethoven Es muß sein omkeert: Muß es sein?

Meer tentoonstellingen
Achteraf gezien vat Al die namen ook samen wat ons in de jaren tachtig het meest bezighield. Toen pas verschenen de belangrijkste literaire reflecties op de Holocaust, maar ook de vertalingen van Levinas. De manier waarop hij na de teloorgang van het westerse godsbeeld de transcendentie opnieuw ter sprake bracht, werkte door in exposities op het thema Acts of Mercy (1998), want ‘in deminsten der mensen verschijnt het geheim van de Naam’.  Thematisch verwant was Awater, acht kunstenaars over een groot artiest (1997) een gedicht over rouw en plaatsvervanging; het laatste als een inbreuk op de autonomie, die in de westerse filosofie eigenlijk niet goed mogelijk is. Deze kunstwerken gingen als Nijhoff-promotie op reis langs Duitse en Vlaamse faculteiten voor Neerlandistiek.

De expositie Absalom, Absalom (1997) bestond uit negen schilderijen waaraan Jo Heijnen zeven jaar gewerkt had: vele kilo’s verf, laag na laag aangebracht in de pentimento-techniek, zodat eerder geschilderde vormen weer zichtbaar worden. In wat zich voordoet als abstracte, monochrome doeken, lichten portretten op van even beroemde als foute kunstenaars (Ezra Pound, Richard Strauss, Ferdinand Céline, Giuseppe Terragni, Martin Heidegger, Gustav Gründgens, Leni Riefenstahl, Wilhelm Furtwängler en Arno Breker). Het werk hing dakpansgewijs onder het plafond van het lege kerkje. Geen moralisme, maar de ongemakkelijke vraag van de kunstenaar aan zichzelf en de bezoeker, of de esthetiek niet al te vaak wordt misbruikt als dekmantel om de kunst los te maken van centrale levensvragen. De catalogus bestond uit een simultane briefwisseling van de kunstenaar met mensen uit de kring van Collage.

Stichting Collage
Een kerkenraad kan niet oordelen over de kwaliteit van kunstwerken; deze scheiding van verantwoordelijkheden voorkomt problemen. Bovendien verhindert de scheiding van kerk en staat het verstrekken van subsidie aan een kerkelijke kunstmanifestatie. Een stichting kent dat probleem niet en kan vervolgens gewoon huurpenningen en andere declaraties aan de kerk betalen. Als directeur van de stichting werd ik door de kerkelijke gemeente uitgeleend.

Financiering
Voor grote projecten werd het plan steeds conform de regels voor subsidieverlening bijgesteld: je kon daar niet creatief genoeg in zijn. Als het niet lukte bij het Mondriaanfonds, was je aangewezen op de provincies en specifieke fondsen. Maar de grote steden – waar alle kunstenaars natuurlijk wonen – waren daar vaak weer van uitgesloten omdat die over een eigen subsidiepot beschikten. Kortom een crime, zowel bij de aanvraag als de afrekening.

Met grote namen maakte je meer kans, terwijl we op de jaarlijkse presentaties van academische eindexamens vaak werk zagen dat heel goed bij een thema paste. De praktijk was daaromvaak een mix van gevestigd en aanstormend talent.
Belangrijk was onze – met het oog op de Oost-Europeanen, en met geld van Buitenlandse Zaken tot guesthouse omgebouwde – garage, die later gebruikt werd als tijdelijk verblijf voor musici met (relatie)problemen. Geen buren, dus vrijuit spelen, terwijl zij, als tegenprestatie voor de huur, muziek maakten in het kerkje. De ruimte stond nooit leeg. Een vorm van Papoea-economie, die we ook toepasten bij de hausse aan cd-opnamen in die tijd.

Frictie
Waar gehakt wordt vallen spaanders. Een gemeente die aan experimenten gewend is, mag ook niet murmureren als er iets fout gaat. Natuurlijk was er werk dat zwaar tegenviel, werden er onmogelijke eisen aan de inrichting van de kerk gesteld, kwam een kunstenaar niet opdagen of maakte ik zelf een blunder. Fricties waren er over de verdeling van het beschikbare geld tussen de kunstenaars en de catalogus.
Maar ook een ramp kan uitpakken als een geschenk. Bij Aanraken Geboden II (1988) had iemand van het Shaffy Theater Rideau d’Os (1985) van Marina Abramović opgehangen: een gordijn van zware Argentijnse koeienbotten, over de volle breedte en hoogte van het Kortenhoefse kerkje. Toen ik er ’s avonds nog even helemaal alleen van wilde genieten, zag ik de zware ijzeren rail langzaam doorbuigen: ruisend zeeg de installatie ineen – elk ander werkwoord is hier fout. Toen wist ik heel zeker: dit wonderschone geluid hoorde Ezechiël toen hij in een visioen het tot leven komen van de dorre doodsbeenderen aanschouwde. (Ezechiël 37: 1-10) Niet als beeld, laat staan als bewijs van een hierna(nog)maals, maar als antwoord op de vraag of er leven is vóór de dood: weg uit de ballingschap, thuiskomen uit de verlorenheid: ‘Deze, mijn zoon, was dood en is weer levend geworden.’ (Lukas 15,24)

Ideale kerk
Het hangt allemaal van het gebouw af. De ‘eigentijdse’ Thomaskerk in Amsterdam vind ik nog altijd schitterend. Vooral niks aan veranderen. En wat de oude kerken betreft: eigentijdse elementen verdragen zich vaak goed met antiek.

Glas in lood lééft: elk stukje glas in een net iets andere stand. Maar voorzetramen – verkocht als een milieubewuste verbetering, maar de wind houdt natuurlijk vrij spel – slaan dood.
Ik heb de strijd om alle esthetische kwesties verloren. De open Statenbijbel met louter ezelsoren en vergeeld plastic bleef geprofaneerd als lessenaar. Gordijnen kwamen voor de hoge ramen, omdat niemand het voordeel wil zien van vier of vijf stoelen waarop je ’s winters, door de zon, soms een kwartiertje de dominee niet kunt zien. Perzische kleedjes, vunzige kussentjes, old finish-stoelen als de valse start van een huwelijk, en een in elkaar gefröbeld gedrocht met een scheerbakje dat, met een vetbol en een ‘pindarozenkrans’, leuk is voor de vogels, maar desastreus als doopvont. Het eindeloze geruzie over een teveel aan stoelen. Lege banken zijn niet erg, maar lege stoelen en het streng gelid doen het geloof geweld aan. Bloemen ja, maar groene ficussen en andere suggesties van een eeuwig hierna(nog)maals horen niet in de kerk.

Maar smaken verschillen en ik kan alleen voor mezelf spreken. Wat ik af en toe nog aan kunst in kerken zie, is brave illustratie. Het prikkelt de verbeelding niet, maar bevestigt een inzicht dat al eeuwen vast staat. Mij ging het om kunst als ars inventionis: de kunst van het vinden, iets ontdekken wat je met de gebruikelijke exegetische instrumenten nooit gevonden zou hebben.

Strijd
In Kortenhoef was alles extreem. Elke expositie moest voor de zondag worden uitgeruimd. Geen sinecure als je een project hebt met een loper van negenduizend verse eieren. Enkele meters in het koor mochten blijven liggen. Je kon er natuurlijk op wachten tot een bijziende dominee kans zag er met maatje 48 drie keer in rond te stappen. De aluminium panelen in de expositie Al die namen, al die meeverbrande namen leidde tot oeverloos gezeur omdat ze tien centimeter hoger waren dan in het concept vermeld stond. De aanschaf van een Steinway voor een vriendenprijs werd ons door de neus geboord door oeverloos traineren omdat hij een neuslengte langer was dan de Yamaha.
Ophef en rumoer was er bij elke expositie. Tot anonieme dreigbrieven over het in de sloot zullen rijden van mijn kinderen en het beschieten van de pastorie met een luchtbuks toe. Een confessionele beeldenstormer kreeg landelijke bekendheid als ‘de vandaal op klompen’ en in diezelfde tijd werd voor kunst in de openbare ruimte het begrip ‘hufterproof’ gemunt. Een wethouder sprak smalend van ‘Trabantjeskunst’ en het Brabants Dagblad opende met de kop: ‘Burgemeester en dominee op de vuist’.Een stenen beeldengroep werd ’s nachts van de sokkels gelicht en verplaatst naar het gemeentehuis. In een kort geding hekelde een advocaat de ‘provocerende pesterij’ van de beeldhouwer Leo Vroegindeweij, die de koperen kronen in een fraai ritme op de zerken vloer plaatste, zodat blinde bezoekers, althans voor de duur van deze expositie, niet opnieuw de lichtdragers zouden ontgaan. Niets was de tegenpartij te dol. Een gesponsord concert van Berdien Stenberg werd in de dagvaarding weggezet als ‘een commerciële autoshow op de Dag des Heeren op het kerkhof’.
Alle verzet werd georkestreerd door één man. Onmiddellijk na mijn vertrek uit Kortenhoef keerde die man de kerk de rug toe en trok de gemeente haar hakken uit het zand en beriep een vrouwelijke dominee.

Maar laat ik afsluiten met de fietsenmaker die uit vrees voor de dorpelingen als Nicodemus ’s nachts aanbelde, zijn jas opende en links en rechts een fles korenwijn tevoorschijn haalde: ‘Alsjeblieft, voor die Ossi’s, want die mensen hebbe natuurlijk helemaal niks.’

Einde
In de jaren negentig waren er zoveel korte gedingen en andere ellendigheden naar buiten gekomen, dat de landelijke kerk – die zelf al vele decennia tot op het bot verdeeld was over Samen op weg – last kreeg van de negatieve beeldvorming. Tot die tijd hadden zij mij bijna vijfentwintig jaar laten bungelen, maar nu kwam er dan een commissie van wijze mannen. Zij meenden dat wat er met poëzie, beeldende kunst en muziek van de grond gekomen was, alle steun verdiende, alleen in Kortenhoef was het tot mislukken gedoemd ‘omdat de kerk helaas geen wapen heeft tegen intolerantie’. Schokkende woorden, alsof de kerk, en alles waar zij voor stond, verdampte.

Enkele jaren is er volhardend gezocht naar een alternatief kerkgebouw. Geld speelde geen rol, net zomin als ingrijpende verbouwingen. Toen realiseerde ik me: ‘Mocht het allemaal lukken, dan loop ik tegen de zestig en moet ik op die nieuwe locatie maar zien of ik de boel weer aan de gang krijg.’ Toen was er snel een deal: tien jaar wachtgeld, pensioenjaren ingekocht en de gemeente – die in Kortenhoef kon blijven – eveneens een bedrag. Dit alles onder voorwaarde dat er in Kortenhoef geen exposities meer gehouden zouden worden.

Inkeer
Als afscheid heb ik in het millenniumjaar mijn laatste expositie gemaakt met een even serieuze als ironische ondertoon: Inkeer, op drie locaties in elke provincie. Anders gezegd: één deur valt in het slot, maar elders gaan er direct vijfendertig open. Een expositie als laboratorium: een onderzoek naar de betekenis van het begrip ‘IN X’ vanuit de literatuur en de beeldende kunst. Het organisatorische hoogstandje, inclusief de fraai geïllustreerde catalogus, was een mooie finale.
Kunstenaars en musici hebben later verteld hoe ze Kortenhoef zijn gaan missen toen het er niet meer was. Onze agenda en gekozen thematiek bepaalde die van hen. Weg, verdwenen. De kerk zou plekken als Kortenhoef niet moeten tolereren, maar stimuleren, en iets wat maar half kan, helemaal mogelijk maken. En doordat de kunstwerken, en alles wat erbij gemaakt wordt, op reis kunnen, zou dat ook heel veel gemeenten verder kunnen helpen.

Ik kom sporadisch nog in een kerk en mis het ook niet. Dat laatste neem ik mezelf soms kwalijk. Want als ik over deze vroegere projecten praat, komt ook het geloof daarin weer terug…

Literatuur
Regnerus Steensma, ‘Van mensfiguren in textiel tot abstracte grafiek in Kortenhoef’, in: In de spiegel van het beeld. Kerk en moderne kunst, Baarn 1987, p. 123-139
Henk Abma, ‘Kunst’, in: Hein Scheaffer (red.), Handboek godsdienst in Nederland, Amersfoort 1992, p. 455-462
Henk Abma, tent.cat. Jenna Tas. Al die namen, al die meeverbrande namen, Kortenhoef (Oude Kerkje / Stichting Collage), mei-juli 1995
Henk Abma, tent.cat. Verdwenen geuren en geluiden als associatieve dragers van herinnering: beelden voor blinden & zienden, Kortenhoef (Oude Kerkje / Stichting Collage), september-oktober 1996
Henk Abma e.a., tent.cat. Nooit zag ik Awater zo van nabij. Acht kunstenaars rond een groot artiest (Klaus Baumgärtner, Robine Clignett, Marcel van Eeden, Reinoud Oudshoorn, Eli Content, Michel Hoogervorst, Marieke Bolhuis, Tineke Smith), Kortenhoef (Oude Kerkje / Stichting Collage), oktober-november 1997
Henk Abma, tent.cat. Absalom, Absalom. Ik heb geen zoon om mijn gedachtenis levend te houden (Jo Heijnen, Wouter de Baat, Jenna Tas), Kortenhoef (Oude Kerkje / Stichting Collage) 1997
Henk Abma, tent.cat. Misericordia. Werken van barmhartigheid, Kortenhoef (Oude Kerkje / Stichting Collage) / Rome (Basilica San Giorgio in Velabro) / Zoetermeer, september-oktober / november 1998
Henk Abma, tent.cat. Acts of Mercy. Tineke Smith, Kortenhoef (Oude Kerkje / Stichting Collage) 1998
Henk Abma e.a., tent.cat. Inkeer. Een onderzoek vanuit literatuur en beeldende kunst, Kortenhoef (OSG / Stichting Collage), september-oktober (in 35 kerken) 2000

Afbeeldingen
1. Maria Roosen, Roosenkrans (glas, metaal – 91 bollen; 1000 cm; tijdelijke installatie), Vleeshal Middelburg, 1997. Foto Liedeke Kruk, courtesy Galerie Fons Welters
2. Jenna Tas, Al die namen, al die meeverbrande namen (Paul Celan) (beroete ramen, leisteen, gemengde materialen; tijdelijke installatie), Oude Kerkje Kortenhoef, 1995. Foto Maartje Geels
3. Tineke Smith, Acts of Mercy I (cortenstaal, gietrubber (8 beelden); tijdelijke installatie), Oude Kerkje Kortenhoef, 1998
4. Jo Heijnen, Absalom Absalom (1990-1997; olieverf op doek; 200 x 170 cm elk (9 werken); tijdelijke installatie), Oude Kerkje Kortenhoef, 1997. Foto Jo Heijnen

 

De ouverture van de filosofie, over Denken en Dichten [1]
een persoonlijk leesverslag

De eerste ontmoeting met Theo de Boer schiep direct een band. Kort na mijn bevestiging als dominee begon de hete zomer van 1976. Na de vakantie vond ik op de deurmat stellingen van een collega, geschreven met het oog op een gesprek bij de Raad voor kerk en theologie. Zonder overleg had hij geregeld dat wij zijn stellingen daar samen zouden gaan verdedigen. Spaans benauwd kreeg ik het. De man had een charisma om een muizenval te verkopen als buitenkans. Jaren later tijdens een zoveelste poging om de lucht te zuiveren was hij voor ik begreep wat er gebeurde in gebed verzonken om de Eeuwige uit te leggen waarom de samenwerking met mij hem moeilijk viel. En toen, even abrupt als het begonnen was: ‘en lieve God, nu gaat Henk verder…’ Wat nu? Zeker geen amen, en zo werd het vanzelf een gebed zonder eind.

Het onderwerp bij de Raad laat zich inmiddels raden: theocratie! In de korte tijd die restte, had ik wat eigen stellingen geformuleerd, zoals: ‘Als de aarde onvervreemdbaar des Heren is, ondergraaft dat het verschil tussen allochtoon en autochtoon.’ Van Theo de Boer kende ik toen alleen zijn boek Tussen filosofie en profetie (1976), wel al zo vaak herlezen dat vrijwel elke zin onderstreept was. [2] Na de vergadering zei hij dat we over theocratie in PPR-termen nog wel eens door konden praten. Begin van een vriendschap die vrucht droeg in een aantal Kortenhoefse projecten als Awater, Celan, iets bij de Van der Leeuwstichting, de exposities Overkant, Inkeer en nog later de poëzieweken in ons Franse huis onder andere rond Fredy Neptune van Les Murray en Omeros van Derek Walcott.

Denken over dichten
Na een paar mislukte pogingen om iets te schrijven over Denken over Dichten moest het roer om: alleen als persoonlijk leesverslag zou het lukken. Immers: dankzij de boeken van Theo de Boer bleef ik bij de kerk, preken en meer nog: geloven. Denken over Dichten bestaat uit vierentwintig gesprekken van Theo de Boer en Peter Henk Steenhuis, meestal over de interpretatie van één gedicht. De redactie van Trouw had het lef om deze niet alledaagse kost jarenlang paginagroot in de krant te zetten. Inmiddels heeft het boek een meerwaarde op de krantenstukken. Allereerst omdat de uitgever niet beknibbelde op vormgeving en illustraties. We kunnen daaraan aflezen hoe internet bij het doorgronden van lastige regels soms te hulp schiet.  Een voorbeeld: Kees Ouwens heeft het ergens over Venus’ laden. Wie beide woorden googlet vindt het kunstwerk [1936] waarmee Salvador Dali de psychoanalyse op de hak nam.
dichten-2

Een ander pluspunt is de nieuwe indeling: liefde, levenskunst, natuur, leven en dood, het niets, religie, tijd, taal en werkelijkheid met als toegift: een in- en uitleiding, die zich verhouden als verwachting en wat daarvan terecht kwam, samen zoiets als de poëtica van de Boer. Opvallend is de multiculturele keus van gedichten: de helft is niet van eigen bodem, alleen Azië ontbreekt. Alles bij elkaar is het boek een originele inleiding tot de filosofie, waar scholen en andere leerhuizen hoog mee kunnen scoren.

Winstgevend verlies
Een sleutelbegrip is het woord postmodern, waarbij De Boer liever spreekt van postklassieke of levensfilosofie. Het modernisme van de 17e eeuw liet de klassieke metafysica intact. Bovendien: hoeveel vooruitgang het model van de natuurwetenschap ook gebracht heeft, zodra Descartes zich afvraagt hoe hij er zeker van kan zijn dat er mensen en geen mechanische poppen langs zijn raam lopen, is dat het begin van een doodlopende weg: het verlies van de naaste, zoals ook geuren, kleuren en geluiden het als hersenspinsels moeten afleggen tegen de werkelijkheid van elektrische golven, neutronen en protonen. Pas halverwege de 19e eeuw bewerkt het historisch denken een breuk met de platonische metafysica waaraan ook het christendom zich te buiten ging. Hoe lastig het was om van dit  paradigma los te komen, bewijst Brentano (leermeester van Husserl op wie De Boer promoveerde) die de waarneming bestempelde als een Falschnehmung. Toen in De God van de filosofen en de God van Pascal (1989) deze verbanden en de omtrekken van een christendom zonder metafysica in kaart kwamen, inspireerde dat mij tot een tienjarige reeks exposities voor blinden. Beeldende kunst als een laboratorium waarin vooral zienden ontdekt werden aan hun visuele handicap. Wie zijn ogen niet gelooft, moet zijn handen gebruiken en leren vertrouwen op de andere zintuigen. De blinde Engelse theoloog John Hull [3] noemde zichzelf een ‘whole body seer’ en vertelde hoe hij als het regende kon horen hoe zijn eigenhandig aangelegde tuin er uit moest zien. Het jaar daarop waren er  Verdwenen geuren en geluiden als associatieve dragers van herinnering. Experimenten die indirect uitgelokt waren door eyeopeners in teksten van Theo de Boer.

In Denken en Dichten worden vroegere vergezichten hernomen met de vrijheid van een emeritus: vanuit zijn eerste liefde, de poëzie. Het (postklassieke) verlies van de eeuwig ware wereld van geometrie en ideeën betekent winst: er valt een wereld te winnen, en wel de ruimte van het volledig leven. Met een daverende klap zetten de Vijftigers daarmee de poëzie op de kaart, weg uit de duffe sfeer van de met strikken en linten (rijm en beeld) versierde morele boodschappen. Op Het gewone leven noemde, wordt de verbeelding losgelaten, en vervolgens geven de resultaten de filosoof te denken. [4]  Als Nijhoff de geur van hoger honing weerstaat, blijven zijn bijen de aarde trouw en vertaalt hij pure hartstocht terug in een sonnet van Petrarca.[5]  Maar het klassieke wereldbeeld is taai: Vestdijk schokte met zijn De toekomst der religie domineesland maar bleef zelf in een esthetische metafysica gevangen: met de beroemde stofzuiger [6]  hield hij zich vlees en bloed van het lijf om als een echte troubadour de eeuwig onbereikbare, ideale vrouw te kunnen bezingen.
dichten-1

Het verschil tussen geloof met en zonder metafysica wordt zichtbaar door de gedichten van de katholieke bekeerlingen Vondel en Willem Jan Otten aan elkaar te spiegelen: niet eeuwig gaat voor ogenblik maar omgekeerd: de soms even van eeuwigheid vervulde tijd, geen andere wereld maar deze wereld anders. Het boek is ook een verademing omdat de lyriek zich keer op keer bewijst als de moeder der politiek (Lucebert). Funeste effecten van ‘eeuwige waarheid’ en ‘gestolde tijd’ die zich als in een draaiorgel afwikkelen, worden doorlopend aangewezen, van de politionele acties in Indonesië tot het middel dat erger was dan de kwaal in Bagdad. Als politici vaker een gedicht lazen, zou de aarde wellicht een minder gevaarlijke verblijfplaats zijn dan nu het geval is.

Kortsluiting
Het boek is ook een gesprek tussen twee generaties domineeskinderen, waarbij de jongste niet [meer] gelovig is. Deze didactische opzet herinnert aan de Heidelberger Catechismus. Zoals de vragen daarin soms op de lachspieren werken: ‘Kan ergens een bloot schepsel gevonden worden dat voor ons betaalt’ of: ‘Maakt deze leer geen zorgeloze mensen?’ – zo ook hier. Als De Boer bij de interpretatie van een gedicht van de Argentijn Roberto Juarroz verwijst naar 1 Korinthiërs 13, Pinksteren en de doop van Jezus in de Jordaan, vraagt Steenhuis geschrokken: ‘Krijgt dit gedicht nu ineens een christelijk slot?’ Zulke kortsluitingen zijn er nogal eens en vaak gaat er juist dan een wissel om. Zo schrikt Steenhuis als in een gedicht van Ouwens het woord cultisch valt en dreigt de humoristische afrekening met de jaren zeventig hem daardoor te ontgaan. Als Antjie Krog knielt, denkt Steenhuis aan spijt betuigen terwijl zijn gespreksgenoot aan inspiratie denkt: luisteren, bidden om gehoor te geven. Het wemelt in het werk van De Boer zonder enige gêne van de aanhalingen uit de preklassieke verhalen uit de bijbel.  Als Steenhuis het begrip appèl te slap vindt, verwijst De Boer niet naar hardhandige begrippen als gijzeling, obsessie of achtervolging bij Levinas, maar prikt hij zijn gesprekspartner met de aan Paulus ontleende ossenstok tussen de ribben. Het belang van dit pendelen tussen poëzie en bijbel voor de hermeneutiek is nauwelijks te overschatten. Een sterk voorbeeld is het gesprek Ik bid, dus Hij bestaat over Czeslaw Milosz, waarin alles draait om het [ook letterlijk] centrale woord Ommekeer waarna het woord ‘is’ een betekenis onthult die wij nauwelijks voorvoelen. Immers: dáár wordt ons de bij Descartes verdwenen ander op het hart gebonden en begint de orde van het Hebreeuwse werkwoord: hij, jij, ik. Mooie voorbeelden zijn ook de interpretaties van gedichten over bloemen [7]   van Sylva Fischerová en Louise Glück. Bij de eerste leeft de bloem per gratie van andere wezens die hun leven offeren, bij de ander laat de Wilde Iris zich uithoren over wat zij zich herinnert van de dood: begin van een ander verstaan van Pasen.

Nieuw licht
Als ik iets van Theo de Boer geleerd heb en ook consequent in mijn eigen praktijk probeerde toe te passen is het dit: alle vormen van beeldende kunst als ars inventionis. Je iets aan laten reiken waardoor iets uit de bijbel ineens ongehoord tot je komt. Een uitleg, die zonder het kunstwerk nooit geschreven zou zijn, anders gezegd: zonder communicatie met de eigentijdse, godvergeten cultuur ontgaat ook de kerk haar geheim. En dan doet het er niet toe of Louise Glück ja dan nee christen is. Het gaat er om of haar beelden aanzetten op een andere manier paasmotieven te interpreteren. Een vaak  hardhandig  proces omdat het zonder afbraak en sloop niet lukt.
Anders gezegd: kunst niet als illustratie – waarbij de kerk, dominee of gemeente meer of minder bewust de waarheid in pacht heeft maar autonoom. En ineens is daar de klap met de hamer die Kafka ons gunde, een inzicht of paradigmashift die alles in ongekend licht zet. Het risico lopen dat je een ander mens wordt zoals Odysseus overkwam tijdens het gastvrij onthaal bij de Faiaken: als de blinde Demostenes zingt, houdt Odysseus het niet droog: het lied gaat over hem zoals hij zichzelf nooit eerder zag.

 Tekst verscheen in: In de Waagschaal, nwe jrg 41, nr 10, 13 oktober 2012



[1] Theo de Boer en Peter Henk Steenhuis, Denken over Dichten, hartstocht en rede komen in contact, Rotterdam, Lemniscaat, 2011.
[2]
Later begreep ik dat het proefschrift op mijn vaders leestafel van zijn vader was: De verzegeling met de Heilige Geest volgens de opvatting van de Nadere Reformatie, 1968. Ook die traditie is bij De Boer niet verdwenen: voor de passieve ervaring van een breuk in de autonomie, inbreuk van gene zijde, herinnert hij zich de zegswijze: het is geen vond maar een wond (p. 173); waar ik ook rondvroeg in hersteld of anderszins orthodoxe kring, niemand kende de uitdrukking (nog).
[3]
John M. Hull, Touching the Rock: An Experience of Blindness, New York: Pantheon books, 1990; vgl. Oliver Sacks, The ‘dark’, Paradoxical Gift, in The New York review of books, 11 April 1991.
[4] 
Eenmaal van metafysische rimram bevrijd, werd de filosofie eenvoudig en de poëzie moeilijker dan ooit om niet te zeggen: hermetisch. Het boek eindigt in stijl als de schrijvers zichzelf op de hak nemen met de ironische kruisstelling: Zwaar werd het gedicht / maar het denken licht.
[5]
Op een beslissende moment in de caféscène zingt Awater over het afscheid van zijn overleden moeder. Later heeft Nijhoff onthuld dat het lied een vertaling is van sonnet 250 uit Il Canzoniere van Petrarca. De verschillen zijn echter groot. Voor Petrarca is de onbereikbaarheid van de gehuwde en later  aan de pest overleden Laura zoiets als een voorwaarde om over de ideale geliefde te kunnen schrijven, bij Nijhoff gaat het om echte rouw.
[6] Om tijdens het schrijven niet afgeleid te worden deed Vestdijk oordopjes in en zette hij de stofzuiger aan. Het beroemde apparaat staat in het Letterkundig Museum in Den Haag.  
[7] Toen De Boer zich als filosoof met de natuur ging bezig houden, greep hij steeds vaker naar de poëzie. De moderne vervreemding van de natuur komt vaak ter sprake. In dit boek wordt een van de drukfouten (60, vgl 57, 255) een komische noot. Een vriendin van Goethe was dochter van een dominee, die meende dat muggen in het paradijs aangenaam zoemden maar niet konden steken. Er staat: niet staakten. Deze zomer vroeg een jonge moeder en communicatiedeskundige iets dat in de buurt kwam: ‘Welke insecten steken hier in Frankrijk?’ Antwoord ‘Ik spreek weinig insecten maar als ik me niet vergis houden de wespen in juli ramadan.’

 

 

 

                                                               

 

 

 

‘HET WONDER VAN HET PESSIMISME’ [1]

 

godvergeten dovenetels laat es
aan uw zwarte vlekken merken dat het niet te laat is
[VG 45] [2]

 

Toen leeftijdgenoten het Maagdenhuis bezetten, zat mijn klas braaf in de schoolbanken en zochten zwartgeklede mannen tussen ons ondergoed naar clandestiene radiootjes en andere conform de SGP-beginselen verboden waar. Toch hadden ook wij op de naoorlogse geboortegolf de jaren zestig bereikt. In de schoolkrant figureerden de humorloze ouderlingen als Raad van Beroerte. Een opstel waarin Heiman Dullaert met Lucebert werd vergeleken, oogstte gefronste wenkbrauwen maar was uiteindelijk goed voor een negen: ‘Hoger komt alleen den Heere toe’. Een kleine cel van verzet werd gevoed door elkaar voor te lezen uit bundels van Lucebert; hardop, want al begrepen we er weinig van: het klonk als muziek en de profetische toon had iets vertrouwds. Pas veel later ontdekte ik dat Lucebert in een interview op de literaire kwaliteit van Ezechiël gewezen heeft. Om het vernieuwende karakter van de experimentele poëzie te relativeren citeert hij deze profeet: ‘Hun knieën zullen wegvloeien als water’ en zegt hij: ‘Met de aard van deze dichtkunst voel ik mij verwant. [3]

lucebert-1Ex libris Lucebert. Bij het eerste doorbladeren van de lijst met Luceberts boeken op het gebied van levensbeschouwing en filosofie bleef mijn oog even haken aan Georg Groddeck, Das Buch vom Es. Lucebert las het in Parijs en dat leverde hem een ontstoken oog op. Er bestaat echter ook een stadje Grodek in Galicië dat in 1914 aan het front lag. De Oostenrijkse dichter Georg Trakl verzorgde er de zwaar gewonden, schreef zijn laatste gedicht en nam een overdosis. Lucebert verstopte Groddeck en Grodek in een alles behalve spontane, nogal cryptische bijdrage aan een onderzoek naar het associatievermogen van dichters dat hij kennelijk wilde ontregelen, want hij had het niet op psychiaters: ‘Dichters, weten waar ze de mosterd niet vandaan moeten halen.’ [4] Lucebert is niet alleen een dichter met een hoge roeping maar daarmee ook verlegen, een pestkop soms, schrijver van nonsens en ‘treitertrends’. Nadat ik had gezien welke boeken Lucebert bezat, droomde ik ’s nachts van omgevallen boekenkasten: alles in kaart gebracht, een surrealistisch vergroot schijfje fonkelend op een open praalwagen, gevolgd door een eindeloze stoet van mensen in toga achter kruiwagens vol tussenwerpsel en geknor, meningen als bijwerk / overbodig gesnap [VG 746].

Ex libris, verzameling waarin de lezer zich aftekent. In de mooie biografie van Peter Hofman over de jonge Lucebert, [5] vinden we de dichter al heel jong met de neus in de boeken of daarover enthousiast en gedreven in gesprek met vrienden. Toen het nog niets mocht kosten, schreef hij in schriftjes gedichten af en in het mythisch verdichte verhaal van de zwerver met een broodkorst als corsage [VG 730] weet de dakloze zich eerst recht thuis bij goed gevulde boekenkasten. Zelfs in het werkkamp nabij Wittenberg [1943-1944] weet hij aan boeken te komen. Al deze gangen zijn door onderzoekers nagetrokken tot in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek toe,  tegenover de Krijtberg-kerk waar Lucebert zich kort voor kerst 1947 liet dopen. In Bergen omringde hij zich met ruim zesduizend boeken in allerlei tong en taal: oosterse religie, esoterie, witchcraft, spookverhalen en sprookjes, theosofie, reïncarnatie, dromen en hekserij, zoals het boek Het ijzige zaad van de duivel. Lucebert bezat ook de dissertatie van Johan Brouwer over de Spaanse mystiek. Deze opmerkelijke hispanist werkte bij de GZB-zending, overviel een bank, bracht zijn afperser om het leven, vocht tegen Franco om uiteindelijk door de nazi’s vermoord te worden, nadat hij bij de overval op het Amsterdams bevolkingsregister de explosieven geplaatst had. Naast Het wilde denken van Levi Strauss vinden we ook The savage God van A. Alvarez, het boek over suïcide dat mede bekend werd, omdat de auteur bevriend was met Sylvia Plath. Theologische boeken zijn er in deze verzameling nauwelijks, ook geen joodse. Er is één uitzondering: An existentialist theology van John Macquarrie, die zich onderscheidde als vertaler en kenner van Heidegger. Op de joodse mystiek en kabbala heeft Lucebert zich kunnen oriënteren tijdens logeerpartijen bij Bert Schierbeek, mogelijk ook al eerder in de openbare bibliotheek. [6]

In de boekenkasten weinig reguliere filosofen, voor Lucebert zijn dat immers spijsgeren [VG 278]: op een walm van woorden / veel zwartgalgen zijn opgericht / door deze blaasbalgen, die hun zware kost verpakken in een buikig duits boek als / kleines handbuch [VG 106]. Een dichter is daarvan niet gediend: alle / zwarte zware folianten vermalen de vlinder van de poëzie [VG 330]; dichters denken achter hun gedichten aan. In reactie op een duistere passage in een brief van Andreus over het gescheiden zijn van anderen schrijft hij: ‘Je weet, in theoretische vakken ben ik nooit sterk geweest.’ Descartes was dat wel maar het bracht hem in opperste verwarring toen hij aan zijn raam op de Westermarkt mantels en hoeden voorbij zag komen. Hoe kon hij zeker weten dat het levende mensen waren en geen poppen met een sleuteltje in de rug? [7] Kant noemde dit nooit opgehelderde probleem het schandaal van de filosofie. Kennis van de werkelijkheid bestaat volgens hem uit voorstellingen die met behulp van de zintuigen gemaakt zijn, hersenspinsels dus. Pas bij Heidegger kantelt de vraagstelling: niet de onbewezen buitenwereld is een schandaal, maar het feit dat de filosofie aan zo’n bewijs behoefte heeft. Aan de splitsing van object en subject gaat het beter weten van  voortheoretische ervaring vooraf. [8] Om die ervaring ging het bij de reeks exposities die ik onder het motto Aanraken geboden jarenlang in Kortenhoef organiseerde voor blinden. Ook zienden leerden er beter door kijken, immers: wie zijn ogen niet kan geloven, gebruikt zijn handen. Na de ontdekking van het historisch bewustzijn en de breuk met de metafysica spreken we van levensfilosofie: geen wereld achter de verschijnselen, maar interpretatie van contingente ervaringen. Lucebert noemde dat honger naar wijsheid, heelhuids weten [VG 439].

Het wekt dan ook geen verwondering dat in de boekenkast van Lucebert ‘marginale’ filosofen in de meerderheid zijn. Het zijn de meestal literair begaafde grensgangers tussen literatuur en filosofie. In goede herinnering aan zijn leraar Duits heeft Lucebert naar één van hen vaak verwezen: ‘Zo zat ik al rond mijn dertiende, veertiende gebogen over Schopenhauer,’ en: ‘Je kunt dus zeggen dat mijn pessimisme zit in het zaad dat Schopenhauer al vroeg heeft gezaaid.’ Niemand heeft de pretenties van het moderne humanisme, het Duits idealisme en de Verlichting radicaler onderuit gehaald dan Schopenhauer. Niet verwondering, maar verbijstering is het begin van de filosofie, want er is niets dan de blinde wil om te leven, strijd en agressie. Hij moet een ongemakkelijke spelbreker geweest zijn voor collega’s die het geweld van de Franse revolutie en Napoleon interpreteerden als de weeën van de verrukkelijke nieuwe tijd van de Geest.

Als Schopenhauer slechts een zwartgallige pessimist uit de 19e eeuw was, zou hij niet vooral onder kunstenaars zo populair geweest zijn. Het artistieke genie verzet zich immers tegen onderwerping aan de wil, maakt zich daarvan los, neemt het lot in eigen hand en verwerft zich daadwerkelijk een meer objectieve blik. Ook de weg naar het Oosten, de Indische filosofie is door Schopenhauer ontdekt. Darwin las Schopenhauer en vond via hem de wet van natuurlijke selectie, waardoor de beter aangepasten overleven. 

Wie terugkijkt op de verschrikkingen van de 20e eeuw kan op het cliché van Schopenhauer als extreme somberman ook het nodige afdingen. De Tweede Wereldoorlog is de kern en horizon van het wereldbeeld bij Lucebert. ‘Wij hebben geen duistere fragmenten van Heraclitus nodig om aan te tonen dat het zijn zich aan het wijsgerig denken openbaart als oorlog,’ schreef Levinas, en op de eerste bladzijden van Anders dan zijn formuleert hij bits: ‘Esse is interesse' [9] eigenbelang, wingewest. Lucebert was er als kind getuige van tijdens de Jordaanoproer in 1932; later als de Joden uit het straatbeeld verdwijnen, tijdens de politionele acties in Indonesië en nog later als onze bevrijders Vietnam bestoken met napalm. ‘De mens is een sekreet, dat ben ik met de zwartekousenkerken eens’, zei hij tegen Max Pam. [10]

Onder de andere filosofen die bij Lucebert royaal vertegenwoordigd zijn: het driemanschap dat Ricoeur spreekwoordelijk maakte als ‘de meesters van de argwaan’, Nietzsche, Marx en Freud. Ieder voor zich verwerkten zij de erfenis van Schopenhauer; gedrieën liepen zij storm tegen de levensvijandigheid van het christendom. Als ontsnapping aan het pessimisme koos Freud de analyse om het ongeluk te leren hanteren, Marx sprak van een revolutionaire impuls en Nietzsche smeedde de Wille zur Macht om tot de Vrolijke wetenschap van de Dionysische mens, waarbij hij zijn hoop vestigde op kunstenaars: de aarde trouw zonder de valse troost van de hemel. Lucebert beschaamde die hoop niet. In een reactie op C.J. Kelk, die ondanks alle absurditeit en zinloosheid zijn kaarten onveranderd op het gezonde levensinstinct zet, schrijft hij: ’Als ”de gewone man” door “de Rede” gevraagd wordt zijn volk, vrijheid en cultuur te verdedigen tegen de boze machten in de wereld, dan zal hij ‘‘in bommenwerpers stappen of knielen achter mortieren om hier of daar zijn levensdrift te vieren.’” Vrije, creatieve mensen daarentegen ‘verdedigen zich tegen de tyrannie van de samen eendrachtige rede en levensinstinct, een tyrannie die, en dat stel ik voorop, een deel is van henzelf. [11]

Ook over de nog niet genoemde filosofen in de boekenkast van Lucebert valt de slagschaduw van Schopenhauer: Kierkegaard, Ludwig en Herbert Marcuse, Mc Luhan [12], Cioran, Unamuno, Ortega y Gasset, Spengler en hors categorie de alwetende George Steiner. Bij alle verschillen, zijn het allemaal zwartkijkers. Een van hen wil ik niet onbesproken laten: Cioran (1911-1995), want hoewel het verzamelde werk pas na het overlijden van Lucebert verscheen, zijn vroegere edities vrijwel allemaal in de bibliotheek aanwezig.

Cioran werd in Roemenië geboren. Reeds als kind werd hij gekweld door slapeloosheid en depressies. De extreme effecten daarvan raken elkaar: steenachtige verlatenheid en extatische verrukking. Hij wist zich daarmee in het gezelschap van middeleeuwse mystici; de door hen ontwikkelde negatieve theologie zou hij levenslang trouw blijven. Hij verdiepte zich grondig in Schopenhauer en Nietzsche; Spengler’s Ondergang van het avondland behoorde tot zijn favorieten en deed hem uitzien naar de Opstand der horden. In Boekarest leert hij Ionesco kennen; in Berlijn verliest hij zijn geloof in de reguliere filosofie en ontwikkelt hij zijn messcherpe, aforistische stijl, die de lezer treft als een Provençaalse hagelbui. In 1937 vestigt hij zich voorgoed in Parijs waar hij bevriend raakt met Samuel Beckett tot ook hij dit  inktzwarte pessimisme niet langer kan verdragen. Bij zijn dood schreef een cartoonist in een Spaanse krant: ‘Hij nam zich voor te mislukken en ook dat lukte hem niet.’
Wie met iemand die aan depressiviteit lijdt praat, moet oppassen om zelf niet in de put te vallen; wie Cioran leest, kan zich aan die zuigkracht nauwelijks onttrekken. De voortdurende wisselingen van ik, hij en wij gijzelen de lezer in een ware begoocheling van zinnen: ‘Aan deze geperverteerde optiek besteden ze [de mystici] al hun zorg. Geen spoor van de werkelijkheid blijft bestaan als de helderziende er met verwoestende kracht overheen is geraasd. Niets bestaat, dat is hun uitgangspunt […] om uit te komen bij de stelling: alles bestaat. [13] 
In het voorwoord op zijn trefzekere vertaling van Het bestaan als verleiding - het boek dat Cioran zelf koesterde als een parel - maakt Maarten van Buuren de lezer attent op het feit dat de meeste paradoxen gebouwd zijn op de omslag van depressie naar extase: ondoorzichtige helderheid, juichende droefenis, klimmen naar de afgrond, ziekte als remedie, luisterrijke vernietiging, oprichten door te breken, de nederlaag als overwinning, gezegende vervloeking.

Bij Lucebert wemelt het van soortgelijke, vaak dezelfde paradoxen. Een andere overeenkomst is de belangstelling voor het dualisme van Marcion en Mani. [14] De manichese sekte van de Bogomilen werd vanuit Byzantium verdreven naar Bulgarije, waar het virus van de gnostiek in kloosters wist te overleven. De schepping is volgens deze sekte het werk en domein van de duivel, min of meer een synoniem van de joodse God. De mens is in dit kwaadaardige systeem gevangen, reden waarom ook de voortplanting wordt afgewezen. [15] Via Bosnië en Noord Italië trekt de sekte naar de Provence waar ze als Katharen of Albigenzen tot grote bloei komen, waarna de Inquisitie zich geroepen weet om te bewijzen dat de hel, althans op aarde, wel degelijk bestaat. Evenals bij Lucebert is het voor Cioran geen probleem het omgekeerde scenario te verdedigen: niet de demon of demiurg maar de mens bewerkt het kwaad. Een laatste opmerking ten aanzien van Cioran. Volgens Unamuno maken niet de ideeën iemand tot pessimist, maar redenen van fysiologische of pathologische aard. Anders gezegd: het oninvoelbaar pessimisme, waardoor hij zelfs in zijn geliefde niet zijn naaste herkende [16], is ook vrucht van een zieke geest. Daarvan is bij Lucebert geen sprake: ‘Echt ongelukkig ben ik nooit geweest. Het gedichten schrijven is bij mij juist altijd gepaard gegaan met het gevoel van een overdaad aan kracht, van vreugde en positieve gevoelens, niet van depressieve.’ [17]     

In de tweede helft van dit essay
wil ik hlucebert-2et cliché van de pessimistische Lucebert nuanceren vanuit wat hij  het wonder van het pessimisme noemde, een rand van licht, hartstocht voor waarheid. De planken mogen doorbuigen onder de pessimisten, maar Lucebert werd geen doemdenker: ‘mijn poëzie wil zo veel mogelijk zijn als ik zelf ben,’ vol humor en theatraal [18] maar onmiskenbaar  luce-bert, licht, en nog eens licht. Wars van religieuze en politieke annexatie zet hij alles naar zijn eigen hand en maakt hij er soms een potje van. Een zomerse vliegenplaag leidt tot De val van de vliegengod en Lilith, de boze furie uit de kabbala wordt zijn muze, koosnaam voor een geliefde: limonade-lilith of provocerend iemand achter een raam: kleinegichelversierdevitrinelilith [VG 43]. Lucebert is geen intellectueel, hij denkt zelf: als een lachende alchemist [VG860] doorzoekt hij de zo vaak vertoonde kasten en laden / die zo gehoond gelijk zij geloofd zijn.  [VG 164]. De gezagondermijnende ketterij van de gnostiek is bij hem geen geloof maar maatschappijkritiek, zoals zijn mystiek de motor is van politiek engagement: ik zing de aarde aarde [VG 81]. ‘Geen zwarte magie maar witte om de wereld beter te maken’ [19] [VG229]:
    de aarde komt tot zichzelf /  de hemel wordt weer haar huis

Hij verwijst naar Bijbelse noties en neemt ze ook even gemakkelijk weer op de hak om uit de buurt van dogmatische ladelichters te blijven. De gnostische voorstelling van de wereld als het machtsdomein van een boze demon is hem welkom. Honend kan hij de vileine vilder en inblinde grootvader het wereldleed in het aangezicht slingeren [VG389]. De almachtige potentaat verwijst hij naar de vaalt […] dit excrementenplein  [VG25] van de geschiedenis; as alles / melasse alles / van meethand melasse alles [VG433], maar het gezicht van een speler in het casino van Monte Carlo, die op Kloos lijkt, is voldoende om hem alsnog te vragen:
    waarom was je god zo diep in je gedachten /  en waarom liep hij niet gewoon op straat [VG 118].

Wie zich God niet kan denken, is nog geen atheïst, zoals een agnost religieus kan zijn, een antimetafysische inzet het spreken over transcendentie niet onmogelijk maakt en alle verbeelding niet louter op inbeelding berust. ‘God bestaat niet, maar Hij wordt gemist en in het gemis is Hij aanwezig,’ met deze zin vat Barber van de Pol een lange door Lucebert aangestreepte passage in The tragic sense of life van Unamuno samen. God is ‘existiéndonos’ (bestaat ons) [20] en mensen zijn goed als god [VG432]. [21] Hij wist ook hoeveel verwarring hij hiermee veroorzaakte [VG600]: 
    het is geen drijfijs /  dat bedreigt het is
    mijn eigen eigenwijze /  ijs waar de klandizie / kruipend op uitglijdt

Rudy Kousbroek, onverdacht, want geharnast bestrijder van het geloof, reserveerde voor Luceberts omgang met goddelijke substanties / waar geen mens nog raad mee weet [VG331] het woord mythologisch.  Het houdt in elk geval de erkenning open van iets dat buiten ons denken ligt: de verzinner van een verhaal heeft ook iets vernomen. Dichtung is geen fantasie maar uitbeelding, mimesis, mikt op waarheid. Dichters liegen die zelfs. En al komt ‘het eigenlijke’ er niet uit, je weet niet van wijken: ja je bent mislukt – het sneeuwt bij je in – maar je veegt /  jezelf niet terzijde VG576].   

De dissertatie van Jan Oegema, Lucebert, mysticus is een mijlpaal in het Lucebert-onderzoek. Niet alleen omdat hij zich rekenschap geeft van de afgelegde weg, maar vooral om het doorbreken van het taboe de rebelse vernieuwer in verband te brengen met religie. Hij durfde  (!) dit overigens pas toen hij begreep ‘dat er behalve een theologisch ook een godsdienstfenomenologisch kader bestaat waarbinnen de termen [mystiek en mysticus] gehanteerd worden. Dat maakt een groot verschil.’ [22]
Het laatste wordt niet toegelicht, daarom een paar kanttekeningen. Theologie staat in een traditie, interpreteert verhalen, denkt na over de neerslag daarvan in ethiek en levensleer, kortom: gaat uit van een vooroordeel en zou daarom volgens sommigen niet wetenschappelijk zijn. De godsdienstfenomenologie daarentegen is zoiets als methodisch atheïsme, zij beperkt zich tot  het vergelijken en beschrijven van de verschijnselen, de waarheidsvraag staat tussen haakjes, het gaat over ‘God’ die dezelfde status heeft als de mantels en hoeden bij Descartes. Anders gezegd: de winst van de godsdienstfenomenologie is ook verlies: de ruimte van het volledig leven [VG52] wordt beperkt, de ervaring van transcendentie doet niet mee, de onderzoeker zelf blijft op veilige afstand. Als het woord vlees wordt, zetten auteur en lezer ook hun bestaan op het spel: zij staan er voor in. [23] En daarom: wat is er onwetenschappelijk aan een zoekontwerp? [24] Binnen de hermeneutische cirkel verhouden werkelijkheid en interpretatie zich als de wal en het schip. [25] Culturele vooronderstellingen zijn een voorwaarde om een tekst te verstaan. De betekenis ligt niet achter de tekst, zoals de historische kritiek meent, maar wordt in elke tijd of mettertijd duidelijk: er is niet alleen op de lezers en hun ervaringen gerekend, in de joodse traditie dragen zelfs de vragen van een komende generatie bij aan het verstaan. Verhalen geven te denken, reizen een leven lang mee ‘en welke idioot zou durven beweren dat er altijd hetzelfde stond?’ [26] Lucebert wist dat zijn woorden scherper waren dan de toon waarmee ze werden uitgesproken en hoopte dat de stem van het hart even scherp gehoord werd als die van het verstand. Hij zocht gehoor bij mensen ‘die hun persoonlijk leven zo ruim maken dat dit leven algemeen menselijk wordt en zo voor een ieder belangwekkend.’ [27] Fokkema heeft opgemerkt dat Lucebert zijn mythische biografie heeft gemodelleerd naar de Bijbelse profeten, zijns ondanks geroepen. [28] Oegema spreekt van ‘een profetische rite de passage in de beste Bijbelse traditie: ‘Een man die bezocht wordt door een hemels visioen, zich aanvankelijk geen raad weet met zijn uitverkiezing, de woestijn in trekt, gaandeweg tot inkeer komt en uiteindelijk zijn profetische missie accepteert en met een eigen boodschap terugkeert in de bewoonde wereld.’ [29] Bij elke fase in die ontwikkeling wil ik een aantal kanttekeningen maken die laten zien dat het wonder van het pessimisme het tegendeel is van doemdenken.

1. Roeping en stemmen

Een rij vogels zit roerloos op een telefoondraad tot zich een nieuwkomer meldt, die op de zenuwen werkt. Pas na veel gemillimeter heeft iedereen zijn territorium weer afgebakend. Vreemde vogels horen stemmen: schizofrenen, hallucinerende psychoten, profeten, paranormale dromers, mystici. Lucebert, Hans Sievez (de ‘vader’ van Jan Siebelink) en Bernadette van Lourdes, bien étonné de se trouver ensemble, zó worden de gêne en onrust omtrent Lucebert begrijpelijk. Hij kende de verhalen van paragnosie en de voorwaarden zoals ondervoeding, hoge bergen of woestijnen, verschillen in het DNA ook: een protestant zal minder snel van Maria dromen.  
Kunstenaars spreken vaak over iets dat hen overkomt, een passieve ervaring: ‘Evenals een vrouw geen kind máákt, maar leven schenkt,’[xxx] zo is het ook voor de dichter: van vaste duisternissen ik laat mij een lied zingen [VG164]. Naar de letter is subjectiviteit geen autonomie maar onderworpenheid, even ontvankelijk als onvermijdelijk en kwetsbaar. Lucebert hoorde stemmen: bij de oerervaring van zijn roeping, ergens tussen 1942-1944, die hij aanduidde als het ‘vreselijke wonder’, maar gelukkig ook nog lang daarna, immers: zonder stemmen geen gedicht. Mijn gedichten zijn gevormd / door mijn gehoor  [VG 432]. In Over engelen beschrijft de dichter Milosz het met sterren en dieren geborduurde uitspansel. Engelen inspecteren de steken die de waarheid zeggen. Aan de spoken van Descartes gaat Milosz voorbij, ze overtuigen hem niet want: 
    Ik heb menigmaal die stem gehoord terwijl ik sliep
    En, wat meer verwonderlijk is, ik begreep min of meer
    Zijn bevel of roep in een bovenaardse taal:
    het is dadelijk dag
    weer dag
    doe wat je kunt. [31]

Afgezien van het verschil in dictie is er een opvallende parallel met Lucebert. De boodschap is zo gewoon, laat staan dat je ervoor naar Tibet moet: het is dadelijk dag / weer dag / doe wat je kunt. Lucebert deed niet geheimzinnig over zijn roeping, maar hanteerde zijn eigen poldermodel: niet  meta van boven [VG 739] maar een  carnivale uiterweide [VG87] en in de meest uiteenlopende verschijningen: nu is het een bronzen negerin / straks een marmeren man / morgen een moerbezie [VG 85] of een dame / met een baard van lila tranen [VG129], de sterren en zoveel meer. In het werkkamp bij Wittenberg: ’waar ik vreemde lichten zag en een engel mij verscheen in de gedaante van een dochter van een vioolbouwer uit Breslau.’ Elders benoemt hij het zo: ‘Het aftasten van datgene wat de taal in je hoofd, in je gehoor, het innerlijk gehoor aan het doen is.’ ‘Ik denk de stem in mezelf is die van het andere, een toevallige voorbijganger, een bekende, soms van de engel? Wie weet? ’‘Een dichter voelt zich het liefst medium.’‘Ja, soms hoor ik een stem die vreemde dingen zegt die ik nooit had kunnen bedenken en dan vraag ik me af: is dat wel mijn eigen stem, hij klinkt zo vreemd, zo anders, net of hij komt van uit een hol vat of een lege kruik.’
    stemmen als brandende bladeren krimpend
    en voetstappen vluchtig als vleugelslagen [VG194]

    in een zaal van fluisteren en lachen
    maakt hij woorden die ik straks denken zal. [VG258]

2. Geen raad met verkiezing

lucebert-3Hoe alledaags en aards de ervaringen waarin de roeping zich voltrekt ook mogen zijn: het maakt ze daarom niet minder ingrijpend. In de bijbel wordt Zacharias maanden met stomheid geslagen, Paulus kan niets meer zien, Jacob wordt een hinkepoot. Ezechiël verliest de macht over zijn spraak en ligt ruim een jaar apathisch op de grond, verdoving lijkt de prijs voor een grotere sensitiviteit. De lippen van Jesaja worden aangeraakt door vurige kolen, Hosea moet een mislukte liefde verwerken voor hij over on/trouw mag spreken. Jeremia geeft zich na hevige strijd gewonnen: ‘Gij hebt overmacht.’ Roeping is hardhandig, zoals verkiezing een pijnlijke vorm van genade is. Alle profeten proberen dan ook onder het beroep uit te komen. Jona vlucht en wordt uitgekotst door een grote vis. Experimenteel dichterschap komt van ‘expérience’, [32] aan den lijve ervaren, onderstaande regels getuigen daarvan:
    als ik geen dichter was zou ik
    uit honderden woordwonden bloeden
    niets zou mij helpen geen gevleugeld 
    geen hemels woord zou het bloeden stelpen [VG 809]

 Tegelijkertijd is het dichten heilzaam, helend: 

    soms spreekt de mond het ware woord
    een woord van hoop geloof en liefde groot 
    de mond is dan rondom helemaal rood
    wordt dat niet gezien dat niet gehoord
    of anderszins gemeden vergeten gesmoord
    dan bloedt hij dood [VG 698]

3. De woestijn

Alle profeten lopen stage in de woestijn, in de marge van het bestaan. ‘Ellende’ wil zeggen: uitlandig, ballingschap. In De tortuur der muzen citeert Lucebert Pascal: ‘de grootheid van de mens spreekt zich uit in het feit dat hij zich ellendig weten kan. De doorsneemens begrijpt deze gedachte niet. Hij is te laf, zo men wil, te zwak om de verschrikkingen van het leven bewust te verinnerlijken, wanneer de grote, van buiten af op ons toestormende rampen voorbij zijn. [33] Ook de profeten hebben de verschrikkingen verinnerlijkt, soms letterlijk. Ezechiël moet een hele boekrol opeten [3,3], zo ook de ziener op Patmos: ‘Het smaakte zoet als honing maar nadat ik het opgegeten had, brandde het in mijn maag’ [10,10]. In het proefondervindelijk gedicht [VG435] staat:
    de dichter eet de tijd op
    de beleefde tijd
    de toekomende tijd

De oorlogsjaren en de eerste tijd daarna zijn volgens Lucebert aan hem voorbij gegaan als een tijd van inkeer en incubatie, zuivering en loutering, teruggeworpen op het naakte bestaan. In zijn proefschrift heeft Oegema aangetoond dat het begrip analfabetische naam uit de debuutbundel niet de tegendraadse nieuwe poëzie aanduidt, maar deze periode van inkeer en de bijbehorende leefwijze: ‘Toen heb ik geleerd wat mijn plaats was in het moderne Babylon. […] Ik prefereerde de analfabetische naam, de naam b.v. van de naamloze die met lorren om de voeten gewonden in het park tegenover mij sliep, boven de namen die de bezeten zwijnen hebben verkracht.’ [34]

Lucebert wijst vaak op outcasts als bondgenoten. Er is nog een tekst  van Lucebert, [achtergelaten in een koffertje bij Sylvia Sluyter,] waarin sprake is van zwijnerij terwijl de dichter overleeft dankzij ‘de aanwezigheid van halfgekke zwervers, schuwe zonderlingen, lamachtige meisjes, fragiele fantasten, allen die genoemd zijn het zout der aarde [Mt 5,13]. Merkwaardig dat in de wereld het haast altijd alleen de armen gebrekkigen en dwazen zijn die de dichter leren verdragen en verstaan. Reeds 1 plak boterhammeworst te veel leidt tot gluttonie corrodie corruptie en contaminatie.’ [35] Elders heet het: ‘toast op onze eenzame glorie die we delen met de kinderen, de idioten en de misdadigers’ en: ‘alleen kunstenaars kunnen hoop geven, uitweg vinden omdat zij in elke maatschappij als outsiders de werkelijk geëngageerden zijn.’ Ook in de woestijn laat hij zich niets wijsmaken: ‘Roem is een fata morgana en dichters worden alleen bewierookt in hele kleine kamertjes die op slot zijn.’ [36]

In de woestijn, buiten het centrum van de macht laten politieke systemen zich het beste in de kaart kijken. Levinas gebruikt voor inkeer het Franse werkwoord recueillir: oogsten, in- en verzamelen, opnemen, zich ontfermen, als reflexief: in gedachten zijn, mediteren. Jezelf bij elkaar rapen, uit driften opgedregd, zo wordt inkeer bezongen in psalm 86: ‘neig mijn hart en voeg het saam, unis mon coeur.’ [37] Het lawaai, de drukte, alle gonzende stemmen laten bezinken en schiften om te ontdekken waar het op aankomt: ‘Alsof er een radio in mij zit, met diverse stations waarop ik kan afstemmen, zodat een bepaald station helder doorkomt. Het is het aftasten van het innerlijk gehoor: de antenne is dan gericht op wat van binnen op een andere manier praat dan doorgaans het geval is.’ [38]
    wat zoek is moet worden gezocht
    wat niet kan worden gezegd
    mag onverstaanbaar worden gezongen [VG669]

Al is ‘de kiesschijf van de liefde’ [VG 675] kapot, buitenstaanders weten raad [VG671]: 
     slechts de heks weet wat magisch heelt
    de tovenaar van ziekten die zijn ingebeeld.

En in het gezondheidslijden groeit [VG596]: [39] 
                     … en je hoopt en klopt aan
    bij de bedelaar die geneest maar heelt alleen
    als hij je ziet staan voor zijn woning: huize waan.

Schrijnende regels, die doen denken aan een parabel bij Qohelet [9,14-15]: een kleine stad wordt door een oppermachtige vijand belegerd. Er was een wijze die de stad had kunnen redden ‘maar geen mens dacht ooit aan die arme man.’

Er zijn opvallende overeenkomsten tussen de periode van de analfabetische naam bij Lucebert en het verhaal van de verzoeking in de woestijn, die ook daar vooraf gaat aan het optreden in de openbaarheid. Beide ervaringen verhelderen elkaar. De beproeving geldt de centrale vragen van het bestaan: koopkracht, macht en religie als toverformule voor succes. Het antwoord bepaalt of de woestijn weer bewoonbaar kan worden. Het recht van de sterkste schept immers de woestijn; brood wil zeggen: eerlijk delen, en religie: geen onderonsje maar saamhorigheid. Marcus is de enige evangelist die oog heeft voor het merkwaardige gezelschap dat de woestijn biedt: geen gedomesticeerde maar wilde dieren, grensgangers die wonen in verlaten ruïnes. Je ziet de bonte stoet van kobolds, satanische tronies, monsters, draken en spoken die de schilderijen van Lucebert bevolken, voorbij trekken. Zoals hij in zijn poëzie keer op keer uit roept: ‘kijk’ dan, en ‘hoor’ wat gaande is. En natuurlijk zijn in de woestijn ook de engelen weer van de partij. Engelen zijn ook alles behalve wereldvreemd, ze weten van wanten: in de droom van Jacob klimmen ze niet uit de hemel omlaag, maar van beneden naar boven en dan weer terug [Gen. 28,12]. Als Elia moedeloos terneer zit, is er de oase van een goed gesprek en brengen ze brood [1 Kon.19,5], raven deden dat al eerder [1 Kon. 17,5]. Er is zelfs  een lezing, die zegt dat het criminelen waren. Kortom, exact hetzelfde gezelschap als dat waarin Lucebert – zoals we hierboven gezien hebben – zich veilig wist.

4. Terug in de bewoonde wereld

De woestijnervaring is per definitie tijdelijk. Lucebert zag dat aanvankelijk anders. Hij wist zichzelf een engel. En: er laait geen taal / maar donker licht er vaart / dat nog talloos is / dat nog taalloos praat [VG62]. Hij zag ook geen kans om stem te geven aan hetgeen hij hoorde. De wil om de taal te zuiveren van verloedering verbindt hem met Celan; de onmacht met Adorno, die ook een tijd gemeend heeft dat er na Auschwitz geen poëzie meer mogelijk was. Lucebert kwam er lalucebert-4ter op terug, daarbij spaarde hij zichzelf niet: hoogmoed, egoïsme en zelfgenoegzaamheid, louter bedacht op eigen zielenheil. [40] Voor de dichter die de tijd opeet geldt [VG435]:
    hij oordeelt niet maar deelt mede
    van dat waarvan hij deelgenoot is

Geen andere wereld, maar deze wereld anders. [41] Nadat  Jona zijn nascholing in de grote vis heeft afgerond en aan zijn roeping gehoor heeft gegeven, zet hij zich als ramptoerist onder een boom om te zien hoe de stad wordt verwoest. Er moet een boktor aan te pas komen, die de  boom doet verschrompelen en hij eindelijk begrijpt dat profetie niet op ondergang mikt maar op ommekeer. In de synagoge wordt Jona gelezen, als lachspiegel van geweigerde dienst en geperverteerde verkiezing, op grote verzoendag. Profetie is geen toekomstvoorspelling maar waarzeggen, de waarheid zeggen. En daarom [VG54]: 
    de sterren spreken beter 
    maar laat mij nog praten
    laat mij nog stamelen

Hij weet nu, dat de taal / in haar schoonheid […] niet meer menselijks had / dan de spraakgebreken van de schaduw / dan die van het oorverdovend zonlicht [VG52]. Zon en schaduw zijn geen tegenstelling, maar articuleren het wonder van het pessimisme: wie aan het licht wil raken, moet zich aan het duister wagen. [42] Ik herinner me hoe de taalgevoelige dogmaticus J.M. Hasselaar sprak over Mozes, die zijn volk in de woestijn de thora gaf als oriëntatie, een weg om te gaan. Aanvankelijk probeert ook Mozes de boot af te houden. Hij was ‘zwaar van tong’, weinig mediageniek. Ook Hasselaar was een hakkelaar: ‘En zo zien wij bij deze grootste van alle getuigen: de stem van God komt niet dan stamelend op de aarde.’ In dit verband is een door Willemijn Stokvis overgeleverde anekdote interessant: “ ‘Ik ben niets dan een omroeper van oproer’, verkondigde Lucebert, die vlak na de oorlog in Amsterdam rondliep met lang wapperend haar en een staf in de hand.” Omstanders riepen hem dan na: ‘Hé, daar komt Mozes.' [43]

De terugkeer uit de woestijn in de bewoonde wereld blijft niet onopgemerkt: blinden gaan zien, gevangenen worden bevrijd. Het gesjochten legioen, dat het zout der aarde genoemd wordt, krijgt een feestmaal aangeboden. [44] Niet alleen in bijbelse tijden zijn er zulke verrassingen: ex-gedetineerden als Havel en Mandela werden president. Cornets de Groot bestreed zelfs de gevolgen van een hartinfarct met een nieuwe bundel van Lucebert. Ook het kleinste, alleen microscopisch waar te nemen ‘gewemel van alle levende zielen’ [Gen. 1,21] wordt onthaald op menselijkheid. Ik denk aan onderstaande regels, waarbij we dankzij de titel van het gedicht: miro, weten dat het bij de krullenjongens om sperma gaat [VG78]: 
    de krul vermenigvuldigt zich zeer snel 
    heeft nog geen weet van geboorteregeling

Lucebert zelf concludeerde dit heilzaam of helend effect van woestijngangers die terugkeren in de bewoonde wereld uit de verhalen van mensen die zijn schilderijen kochten. Na verloop van tijd gingen zij van de demonen, dwergen en andere gedrochten houden… met uitzondering van de generaals! [45] Thora is oriëntatie in de woestijn, ‘uitgelegde’ weg naar humaniteit, de ontdekking van zinnelijkheid en zin, de honger van de naaste jou heilig. Uit zichzelf komt het ‘zijn’ daar niet toe, want overal zanikt bagger [VG586] en hoe zou die zich aan de eigen haren uit het moeras omhoog moeten trekken? De reusachtige energie die het leven in stand houdt, is geen dommekracht maar ‘een intelligente, bewuste kracht die zich van de domme houdt, omdat het leven alleen zo, onwetend, kan voortbestaan […] kennelijk moet het tot elke prijs voortbestaan.’ [46] Zin bewijst zich ‘anders dan zijn’: in besef van verantwoordelijkheid en plaatsvervanging en daarbij scheurt het pantser van het (eigen) zijn.

Andreas Burnier heeft het verhaal overgeleverd van een troep Leidsepleinfiguren die na sluitingstijd ergens nog wat ging drinken samen met een onderweg opgepikte dronken Duitse matroos.  “Plotseling zei hij: ‘Het is jammer dat Hitler niet alle joden heeft kunnen uitroeien.’ Hij haalde een mes tevoorschijn, knipte het open en zei: ‘Ik zou er graag een paar voor mijn rekening nemen.’ […] ‘Waarom vind je dat?’vroeg Lucebert, kalm als altijd, terwijl iedereen de adem inhield. ‘Nou, het is een rotvolk,’zei de zeeman. ‘Ach’, zei de Ariër Lucebert, ‘ik ben nou toevallig een jood hè, maar ik ben het helemaal niet met je eens.’Wij voelden allemaal hoe de geweldige persoonlijkheid van Lucebert de zeeman, mes en al, overweldigde. Even later was hij geruisloos vertrokken.’ [47]

In zo’n moment herken ik een spoor van transcendentie, aan de klassieke metafysica voorbij, maar lang voor die betekenisloos werd al bespeurd: Wat je de minsten doet, is Mij gedaan  [Mt 25,40]. Als er van gene zijde geen sprake uitgaat, zijn hemel en aarde van zin verstoken. ’De hemel vraagt om kruimels aan het land’ zegt Nijhoff in het gedicht De vogels. [48] Als Jan Brokken tijdens een interview Lucebert toeroept: ‘Wat ben jij ontzettend somber’ leidt dat tot een verrassende exegese van de bekende regel over het beeld van de mens als ‘slechts een broodkruimel […]  op de rok van het universum:  ‘dat is als idee heel weinig. En toch… de poëzie draagt in haar knapzak als mondvoorraad een broodkruimel.’ Zin breekt de zelfgenoegzaamheid van het zijn open. In het oratorium troost de hysterische robot zet Lucebert met drie, vier woordjes de filosofie op stelten [VG684]: 
    geen zin
    geen zijn

Deze overtuiging heeft de dichter ondanks alle teleurstellingen nooit verlaten [VG617] [49]:
    met vaste hand /  het schone ideaal
    nogmaals ingezeept / gewassen en geschoren

Mocht het zijn [VG520]: 
    de aarde als herboren / blijkt ons behouden huis 
    geen leven raakt verloren / verdwenen is het kruis     

Van 1976 tot het in 2000 niet langer ging heb ik in Kortenhoef gewerkt in het grensgebied tussen kerk en kunst met als uitgangspunt: ‘zonder communicatie met de godvergeten cultuur ontgaat de kerk haar geheim.’ Aanvankelijk hield het aantal exposities gelijke tred met de daartegen aangespannen kort gedingen. Een onmogelijke rol: aan de ene kant de plakkerige traagheid van de kerk en aan de andere kant de allergie van mensen die daar nog maar betrekkelijk kort geleden afstand van deden. Ik weet hoe het voelt om bekeken te worden als onderdeel van ‘een achterlijke cultuur’. 
Journalisten lieten ooit aan Rutger Kopland liturgieën zien waarin onder andere uit zijn ‘cyclus G’ voorgelezen was. De briefwisseling die daarop volgde bezorgt mij een kwart eeuw later nog kippenvel. De kern daarvan was: deze gedichten vragen weliswaar om een zodanige context maar willen daar beslist niet in opgenomen worden. In diezelfde tijd heb ik Lucebert eigener beweging soortgelijke papieren toegestuurd. Het waren verhalen uit de kritische koningsspiegel Samuël naast poëzie van Neruda. Ik vroeg Lucebert of ik een dag of tien later mocht bellen over een soortgelijke collage met zijn tekeningen en poëzie, enkele strofen daarvan ook op muziek gezet. Zijn vrouw Tony nam op. Op de achtergrond hoorde ik geluiden alsof er een feest aan de gang was. Kennelijk een slecht gekozen moment, maar Lucebert kwam toch en hij was uiterst vriendelijk. Het was geen enkel probleem, ik hoefde ook niet telkens toestemming te vragen en: ‘Laat je vooral niet wegtreiteren daar.’ Dichter naar mijn hart: 
    neem die het leven wil 
    die het leven niet neemt
    neem mijn lied als uw hart
    neem mijn hoofd als uw hand
    uw hand zij het opstandige zaad 
    uw hart het gezicht van het land.

------------------
Dit essay is opgenomen in: De lezende Lucebert, bibliotheek van een dichter, redactie Lisa Kuitert, Vantilt, 2009 [107-123]

[1] De tortuur der muzen, een manifest uit 1949, in: [Hans Groenewegen (red.)] Licht is de wind der duisternis, over Lucebert, [z.p.], 1999, 205-210; het meer volledige citaat: ‘Verzen worden alleen geschreven door gedesequilibreerden. Dezen toch beleven dagelijks het wonder van het pessimisme. En zoals leven uit chaos ontstaat, zo komt poëzie uit pessimisme voort. Maar de zwarte waanzin der dichters is een geordende waanzin, en daarom een andere dan de georganiseerde waanzin [van] de tyrannen. De tortuur der muzen is niet levensvernietigend, de foltering van Mars wel.’
[2] Vgl. Anja de Feijter, ‘apocrief / de analfabetische naam’, Het historisch debuut van Lucebert in het licht van de intertekst van Joodse mystiek en Hölderlin, Amsterdam, 1994, 169: ‘Samengevat ziet het beeld van de dovenetels er als volgt uit: ze willen de liefde niet dienen, ze willen niet branden, ze willen niet spreken. Al deze verschillende inhouden van hun gelaakte improductiviteit laten zich samenvatten onder de noemer van het tot hen gerichte verwijt dat ze geen zwarte vlekken laten zien. De tegenstelling tussen brandnetels en dovenetels kwalificeert de laatste als seksueel inert.’
[3] In een interview uit 1953 met Manuel van Loggem, geciteerd in: R.L.K. Fokkema, Het komplot der vijftigers, Amsterdam, 1979, 107-108; de verwijzing is te vinden in Ezechiël 7,17 en 21,7 [HAA].
[4] Vgl Lucebert in een brief aan Cornets de Groot (21-11-1972) over de manier waarop hij Van Caspels onderzoek bemoeilijkte, geciteerd in: Licht is de wind, 1999, 220-221, zie voor de uitspraak over psychiaters: Lien Heyting, NRC-Handelsblad, 11 maart 1994.
[5] Peter Hofman, Lichtschikkend en zingend, de jonge Lucebert, Amsterdam, 2004.
[6] Vgl A. de Feijter 1999, [Verbannen naar het paradijs],  Licht is de wind, 98.
[7] Descartes, Meditaties [vertaling: Wim van Dooren], Meppel, 1996, 51-52. Interessant is in dit verband een uitspraak van Lucebert uit het interview met Jan Brokken [Haagse Post, 22 april 1978]: ‘En dat is toch waar elke kunstenaar naar streeft: de opheffing van de scheiding tussen subject-object, vorm-inhoud, om een waarheid aan het licht te brengen die, al is het slechts voor een ogenblik, niet relatief is. […] Om het onmogelijke mogelijk te maken en zo vanzelfsprekend als brood.’ Geciteerd in: Hans Düting, Archief De Vijftigers II, Baarn, 1983, 64.
[8] Vgl. Theo de Boer, Langs de gewesten van het zijn, Zoetermeer, 1996, 56-64, 303-306.
[9] Emmanuel Levinas, De totaliteit en het Oneindige, Baarn, 1987, 13, idem, Anders dan zijn, Baarn, 1991, 18.
[10] Titel van een interview met Max Pam, Vrij Nederland 29 januari 1983
[11] De Groene, 18 augustus 1951, geciteerd bij: Hofman, Lichtschikkend, 242.
[12] Over Mc Luhan, en diens fascinatie voor de relatie tussen taal en lichaam, het verschil tussen hardop lezen en het verdwijnen van die gewoonte na de uitvinding van de typografie,  zie: Arjen Mulder, Licht is de wind, 301-306.
[13] Emil Cioran, Bestaan als verleiding. Vertaling: Maarten van Buuren], [z.pl.], 2001, 172.
[14] Marcion [circa 110-160], een gnostisch denker in Rome, die verkondigde dat de wrede God van het Oude Testament niet de Vader van Jezus was. Het Nieuwe Testament ontdeed hij van verwijzingen naar de joodse achtergrond. Mani [216-176] groeide in een joods-christelijke sekte op in het oude Perzië, verkondigde een gnostisch dualisme tussen goed en kwaad, licht en duister, ziel en stof en werd daarmee de stichting van het Manicheïsme.
[15] Ook binnen het orthodoxe - of zich daarvoor uitgevende - christendom is het virus van de gnostiek springlevend. Vgl W. Aalders, Schepping of geschiedenis. Over de tegenstelling tussen de christelijke hoop en het moderne vooruitgangsgeloof,  Den Haag, [1969]: ‘Wie […] iets van de excorcérende werking van het bloed van Jezus ervaart, is geen historisch vastgeklonken gevangene meer van de tijd, maar een […] die de uittocht […] voltrekt uit het diensthuis van de geschiedenis. (117) ‘De machten van zonde, dood en duivel brengen het rad van de tijd in beweging en baren de geschiedenis’ (120).
[16] Vgl. Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen, Nietzsche, Cioran, Bataille, Derrida, A’dam, 2003,  164, 172, 201, 240
[17] Lucebert in een interview met Rix Betlem [Avenue, september 1968], in: Düting, Archief II, 45.
[18] H.U. Jessurun d’Oliveira, Scheppen riep hij gaat van Au, A’dam, 1977, 43 en 50.
[19] Bibeb & de Kunst, Amsterdam, 1985, 208
[20] Barber van de Pol, [De kosmische kaakslag], Licht is de wind, 284-285.
[21] Vgl. Huub Oosterhuis, Gezongen Liedboek, Kampen, 1993, ‘Mensen bestaan u’ [39] ‘om voor elkaar / zo goed als God te zijn [67], zie ook: Henk Abma, ‘Een zingende brug over de afgrond,’ in: Liedje dat ik niet kan laten, Kampen 2002, 61-70.
[22] Jan Oegema, Lucebert, mysticus, Over de roepingsgedichten en de ‘Open brief aan Bertus Aafjes’, [z.pl.], 1999, 24. Echter: juist van een fenomenologische aanpak mag je verwachten, dat betrokkenen zich in de beschrijving herkennen. In de vele uitspraken die Oegema over het christendom doet, is dat wat mij betreft zelden het geval [vgl 22, 130, 134, 289]. Misschien is de opmerking achterhaald: op 2 januari 2007 schreef Oegema in het katern Letter & Geest van het dagblad Trouw dat het christendom op een ‘denkfout’ berust.
[23] Vgl G.H. ter Schegget, Volmacht in onmacht, Baarn, 1988, 16-23, die pleit ‘voor een faculteit der godgeleerdheid aan een openbare universiteit, die geleerdheid naast wetenschap een plaats gunt.’
[24] H.M. Kuitert muntte dit begrip als ‘interpretatiekader’, als ‘weten in ontwerp’ nog ‘zonder uitsluitsel’ vgl. Wat heet geloven, Baarn, 1977, 140-159; Zeker weten, Baarn, 1994, 126-128;  Over religie, Baarn, 2000, 144-146; later in: Voor een tijd een plaats van God, Baarn, 2002, 121 lijkt hij het begrip in te ruilen voor ‘verbeelding’.
[25] Vgl Theo de Boer, De God van de filosofen en de God van Pascal, Op het grensgebied van filosofie en theologie, ’s Gravenhage, 1989, 122-140; 148-150, zie ook: Langs de gewesten, 319-331.
[26] Elias Canetti, Wat de mens betreft, Amsterdam, 1976, 38. Vgl. H.A. Abma, ‘De kunst van de verbeelding’, in: Stem in de stad, spiritualiteit in een verstedelijkte cultuur, Rotterdam, 2000, 13-33: De rabbijnen hebben eeuwenlang vruchtbaar geruzied over de vraag of Tenach in het spraakwater van de volkeren vertaald mag worden. De taal van gebeden en liturgie, het ‘allerjijst’ [Vroman] en het boek Esther, de taal van de geschoffeerde mensheid, verdragen geen vertaling; al het andere moet  in alle talen vertaald worden opdat de rijkdom aan betekenis zich volledig kan ontvouwen.
[27] Hofman, Lichtschikkend, 2004, 124.
[28] R.L.K. Fokkema, Licht is de wind, 1999, 193
[29] Jan Oegema, Lucebert, mysticus, 17. Overigens spreekt ook  Offermans  [Licht is de wind, 1999, 355] over Lucebert als profeet, het is ‘de essentie van zijn werk, niet alleen naar de inhoud, ook naar de vorm, die vaak imperatief en in een niet-narcistische, niet aanstellerige zin pathetisch (pathos is lijden) is en dan haast een oudtestamentische dreiging krijgt. Dat zou – tussen haakjes – kunnen verklaren waarom Lucebert (in tegenstelling tot bij voorbeeld Hugo Claus) veel vaker naar de joods-christelijke traditie verwijst dan naar de Grieks-Romeinse.’
[30] Hofman, Lichtschikkend, 2004, 144.
[31] Czeslaw Milosz, Gedichten [vertaling Gerard Rasch], Amsterdam, 2003, 185
[32] Hofman, Lichtschikkend, 2004, 172
[33] Blaise Pascal, Gedachten, Amsterdam, 1997, fragment 114, een gedachte die nader gespecificeerd wordt als: de ellende van een onttroonde koning [116], de mens, die weet dat hij iets mist [117]. Vgl Fokkema, Licht is de wind, 1999, 184: ‘want zijn revolutionaire poëzie is in feite een restauratie van verloren gewaande gedachten aan een ideale wereld.’
[34] Lucebert, in:’Open brief aan Bertus Aafjes’ [De Groene Amsterdamme, 4 juli 1953], die als Bijlage I is opgenomen in Oegema, Lucebert, mysticus,1999, 310-313.
[35] Nummer 67 in de collectie Sylvia Sluyter, geciteerd bij A. de Feijter, Licht is de wind, 1999, 92.
[36] Oliveira, Au, 1977, 51
[37] Henk Abma, Inkeer, een onderzoek vanuit literatuur en beeldende kunst, Kortenhoef, 2000, 7, 196-200.
[38] Lucebert, Van boek naar babel en zeg daar maar wat, het hilarische verslag van een gesprek met de godsdienstgestoorde vrouw van de drukker van Braak,  in: Erik Slagter, Tekst en beeld; Cobra en Vijftig, een bibliografie, 1986, 15-18
[39] In de index van de Verzamelde Gedichten abusievelijk genoteerd als 896.
[40] Vgl. Seamus Heaney, die in Punishment, een gedicht over een veenlijk; iemand die in de oertijd gewurgd is als straf voor overspel – met een allusie op Johannes 7,53-8,11 – schrijft: I almost love you / but would have cast, I know, / the stones of silence [Selected Poems 1966-1987, London, 1990, 71; en later in Mycene Outlook Cassandra laat zeggen: ‘No such thing / as innocent / bystanding’ [The Spirit Level, London, 1996, 30].
[41] De uitdrukking is ontleend aan Sybren Polet Gedichten 1998-1948, Amsterdam, 560.
[42] Vgl. Axel Gellhaus, Het gesprek in de bergen, Paul Celans impliciete dialoog met W. Adorno over de mogelijkheid, na Auschwitz poëzie te schrijven,  in: Addendum Collage, Kortenhoef, 2003; tegenover de esthetica van de Übermensch stelde Celan: ‘Respect voor het geheim van de kromneuzige natuur – dat is een weg naar het gedicht’ [12].
[43] Willemijn Stokvis, Lucebert, Culemborg, 1984, 8, die daar onmiddellijk het onjuiste cliché van de profeet als doemdenker op laat volgen: ‘de oudtestamentische profeet die hel en verdoemenis verkondigt aan een wereld die hij ten onder ziet gaan in haar dwaalwegen.’
[44] Vgl. Mattheus 11,5, Lukas 14,21b-24
[45] Door de ogen van Lucebert, een documentaire [28 minuten] uit 1988, gemaakt door Koos Baay en uitgezonden door de AVRO in het programma Close Up. In deze documentaire waarin veel beeldend werk is te zien, gaat het over de afschuwelijke koppen van Zuidamerikaanse generaals en dictators op de schilderijen. Lucebert zegt dan: ‘Het zijn geen gemakkelijke schilderijen [....] Het zijn heel aanwezige schilderijen. Ik geloof eigenlijk – en dat hoor ik ook van mensen die schilderijen van mij bezitten – dat op den duur het monsterlijke, eigenlijk, het afstotende, juist het aantrekkelijke gaat worden doordat die monsters misschien verdwaalde, lieve, betoverde kinderen zijn ... of mensen. Dat geldt natuurlijk niet voor de generaals die ik schilder. Generaals, dat zijn de echte monsters natuurlijk. Die maken slachtoffers. Maar die andere wezens, die maken geen slachtoffers; die zijn eigenlijk helemaal onschuldig, niet bedreigend ... wezenlijk.’
[46] Imre Kertész, Kaddisj voor een niet geboren kind, Amsterdam, 1994,  17.
[47] Andreas Burnier, Een tevreden lach, 1965, geciteerd bij: Hofman, Lichtschikkend, 206-207.
[48] Martinus Nijhoff, Gedichten, Assen, 1993, 325.
[49] Zoals bij alle revolutionairen vinden we ook bij Lucebert een scheut chiliasme: het m jarig rijk [VG105], de afrekening met demonen en ander geteisem als clou van de geschiedenis valt er niet buiten maar oefent daarbinnen haar verontrustende werking.

 

 

The artist is present
uit het dagboek New York, maart 2010


De dag waarop een decorbouwer van het Shaffy-theater bij de inrichting van een expositie voor blinden [1988] over de volle breedte van het oude kerkje in Kortenhoef Rideau d’Os van Marina Abramovic had opgehangen. Een rinkelend gordijn van honderden koeienbotten uit een Argentijns slachthuis. Toen ik er ‘s avonds nog even alleen van wilde genieten, kwam ik precies op het moment toen de stalen buis die het gewicht torste, heel langzaam doorboog en de beenderen ruisend omlaag kwamen. Toen wist ik heel zeker: dit wonderschone geluid heeft Ezechiël gehoord toen hij in een visioen het tot leven komen van de dorre doodsbeenderen schouwde. Niet als beeld, laat staan bewijs van een hierna[nog]maals maar als antwoord op de vraag of er leven is vóór de dood: weg uit de ballingschap, thuiskomen uit de verlorenheid, deze mijn zoon was dood maar is weer levend geworden [Ez.37,1-10; Lk 15,24].

marina-2marina-3

Het werk van Marina Abramovic volg ik al zo’n veertig jaar en het komt dus heel goed uit dat terwijl wij een maand in The big Apple zijn, het Moma als het belangrijkste museum ter wereld een groot retrospectief aan haar werk wijdt: The artist is present [2010]. In de kranten is volop discussie over de vraag: Hoe conserveer je een performance? Is dat alleen de videoregistratie of is er met andere spelers en hun onvermijdelijk andere uitstraling een reperformance mogelijk? Tot 31 mei kiest het Moma voor beide: dagelijks kunnen bezoekers plaats nemen tegenover Abramovic, tien minuten, een half uur of de hele dag maar voor Marina gaat het om een marathonzitting van 700 uur. Van vrijwel al het vroegere werk zijn er levensgrote videobeelden, foto’s en andere documentatie maar tegelijkertijd zijn er jonge kunstenaars die spraakmakend werk reperformen, dus net als dertig jaar geleden wringt het publiek zich tussen twee bloteriken door naar de volgende zaal [Imponderabilia] waar een vrouw in het licht van een schijnwerper naakt op een fietszadel aan de muur hangt [Luminosity: naked floating or crucified] of zich in een levend schilderij uit de renaissance nader probeert te verstaan met een geraamte. Ook Relation  in Time en Point in Contact zijn tot 31 mei elke dag live te zien. 
Tussen zoveel ‘vleselijke aanvechting’ valt een reeks ingelijste A4tjes aan de muur pas op tijdens een tweede keer bezoek. Het zijn jeugdherinneringen van Marina zoals ik die nooit eerder onder ogen kreeg, een samenvatting in telegram:

1 Ouders: partizanen in de oorlog en daarna als helden bevoorrecht in de omgeving van Tito. Tijdens de zwangerschap meent de moeder dat zij een reusachtige gifslang in zich om draagt. Bij de geboorte blijft ongemerkt de helft van de placenta achter, de vergiftiging die daarvan het gevolg is, overleeft zij ternauwernood.
2 De oma van moeders kant neemt de verzorging op zich; haar zwager is de in 1939 vermoorde patriarch van de Servisch Orthodoxe kerk, in diepst geheim laat zij Marina dopen. Tot haar zesde komen de ouders alleen op haar verjaardag om haar aan te staren als een vreemde. In 1951 ziet zij de vader voor het eerst de moeder slaan met een pistool. Als Marina tijdens de oorlog op de Balkan terugkeert, zegt oma: ‘Dankjewel, nu kan ik gaan.’
3 Thuis wil zeggen: slaag en blauwe plekken. Na het uittrekken van een melktand blijft de wond zo hardnekkig bloeden dat Marina in het ziekenhuis belandt, omdat het ziektebeeld onduidelijk is, blijft zij daar een jaar! Achteraf beschouwt zij die periode als de gelukkigste uit haar jeugd.
4 De moeder lijdt aan smetvrees. Zelfs bananen worden eerst gewassen, want zwarte mensen zijn de gevaarlijkste dragers van ziektekiemen. Wie Marina wil zien, moet een masker dragen.
5 De gezinshereniging valt samen met de geboorte van een broer: Velimir. Marina mist de aandacht van oma en voelt jaloezie. Zij laat het bad vol lopen om het broertje te wassen. Het blijft haar levenslang bij: ‘plop, plop’. De moeder redt het broertje en slaat het zusje.
6 Als een van de eerste in Belgrado beschikt het gezin over een wasmachine. Het lukt Marina om de vingers en later ook de hele arm in de draaiende machine te manoeuvreren. De helse pijn wordt verlengd omdat de toegesnelde oma nog niet vertrouwd is met de functie van de  knop of stekker. Een van de straat geplukte geweldenaar rukt het kind los met als gevolg: een enorme kortsluiting. Dan komt de moeder thuis: zij overziet het slagveld en begint met slaan.
7 Op school heet de lange Marina ‘giraf’. Zo dikwijls zij zichzelf in de spiegel ziet, huivert zij  om de fors uitgevallen neus. Als ze alleen thuis is holt zij rond de echtelijke sponde in de hoop duizelig te worden en zich bij de val op een scherpe rand zodanig te bezeren dat de neus in het ziekenhuis genormaliseerd kan worden aan de hand van een foto van Brigit Bardot die zij daarom altijd bij zich heeft. De opzet mislukt. Niet de neus maar de kaak gaat stuk, en ook nu komt er een pak slaag bovenop.
8 Op de meest onverwachte momenten valt de moeder Marina’s slaapkamer binnen: handen boven de dekens, seks is vies; het lichaam moet rein bewaard worden voor een arts, jurist of architect. Marina bemachtigt driehonderd potten schoenblink waarmee de hele kamer wordt bezoedeld; niet te harden stank: de moeder is nooit meer binnengekomen. 
9 De overspelige vader komt vaak laat thuis. Iedereen geniet mee van het geschreeuw van de moeder, die de uit bed gehaalde Marina gebruikt als schild.
10 Nadat een feest wast de vader de champagneglazen. Eentje breekt. De moeder krijst, de vader zwijgt. Als zij eindelijk stopt, vraagt hij: ‘Ben je klaar?’ Dan laat hij ook de andere elf glazen vallen. Hij verlaat het pand, mompelend: ‘ik kan dat niet nog eens elf keer aanhoren.’
11 Soep gekookt. ‘Wil jij soep?’ De hete soep wordt in een kom geschept en boven het hoofd van manlief omgekeerd. Scheiding: 1959. Marina droomt dat zij uit het raam wil springen.
12 De vader komt uit een gezin van zeventien. De jongste zus moet voor moeder zorgen, als deze eindelijk sterft [98] is haar leven voorbij [65]. Wat rest is een reisje naar Spanje. Als zij terugkomt, heeft Marina’s vader – die juist een nieuwe, veel jongere seksbom aan de haak heeft geslagen – het huis verkocht. Hij brengt haar naar een 1-kamerappartement, zwijgend betreedt zij de badkamer, een half uur later is zij dood.
13 Moeders enige commentaar op Marina’s eerste expositie [1962]: de lijsten zijn prachtig.  
14 In 1965 krijgt Marina van haar vader een pistool en leert hij haar met messen spelen. Met één kogel in het magazijn spelen Marina en een vriendje Russisch roulette. Eerst zet hij, dan zij het wapen tegen de slaap. Beide keren gebeurt er niets. Dan richt Marina het wapen op een stapel boeken. De kogel doorboort De Idioot van Dostojewski. 
15 Tot haar 29e woont Marina thuis: elke avond stipt om 22.00 binnen, ook tijdens het finest hour als na een opening iedereen naar een restaurant gaat. Op een dag belt iemand voor 22.00 met de boodschap: ‘Je dochter hangt naakt in het museum.’ De moeder wacht haar op met een kristallen asbak, een huwelijkscadeau, plus een citaat uit een novelle van Gogol: ‘Ik heb je het leven gegeven, nu neem ik het.’ In een fractie van een seconde is er de afweging: ‘Als ik me laat raken, draait zij de bak in,’ dan bukt zij en verlaat voorgoed het huis: begin van haar Amsterdamse tijd. 

marina-1
I De ingelijste A4tjes zijn door de onhandige combinatie met een vitrine moeilijk te lezen. Ik sta er al een hele tijd als iemand zich tussen mij en de vitrine wurmt, begint te lezen en keer op keer uitbarst in een schaterlach. Wordt kunst dan toch pas de moeite waard als je bloed ziet,  iemand met een oor in zijn handen?

II Ik herken de moeder. Op de meest onverwachte momenten je kamertje binnenstormen. Het idee dat je een meisje met een pepermunt al kunt bezwangeren in combinatie met een wel erg brute interpretatie van Genesis 2,21b: ‘Als je ’t waagt om thuis te komen met een meisje breek ik al je ribben stuk.’ Haar verzakking, mij aangewreven. Altijd als het leuk werd naar huis moeten, en bij weigering: de vernedering om er voor de ogen van leeftijdgenoten te worden uitgeplukt. Marina is van mijn bouwjaar, verwekt op mijn geboortedag. Hebben alle kinderen die tijdens De avonden van Gerard Reve geconcipieerd zijn - ultragereformeerd  of communist doet er niet toe – vergelijkbare moeders? De laatste generatie waarvoor Freud en… Augustinus nog niet hadden afgedaan?

III Tijdgenoten: de wonderlijke ervaring dat je ondanks werelden van verschil dicht op elkaars huid leefde. Eind jaren zestig leidde ik een aantal keren reizen naar Montenegro: op de vloer van een auto clandestien naar Albanië; het explosieve mengsel van etnisch-religieuze tegenstellingen. Milojan Djilos, de in ongenade gevallen vicepresident: een voorbeeld voor Marina, maar ook ik kocht stapels van zijn boek De nieuwe klasse op bij de Slegte om het iedereen cadeau te doen, daardoor wel linksig maar nooit enige sympathie voor het communisme; stevige discussies daarover aan de zondagse ontbijttafel met Tom Naastepad; even gesticht door zijn preken als huiverig voor de mantel der profetie.

IV Uit de mooie, zojuist verschenen biografie van James Westcott, When Marina Abramovic dies [2010] blijkt dat er in het gezin Abramovic niet zó zout gegeten werd als Marina zich dat herinnert. Toch zijn feit en fictie, mythe en geschiedenis op een intrigerende manier niet onwaar.

V Veel beelden van vroege performances lijken nu met terugwerkende kracht op hun plaats te vallen. De communistische ster die zij in 1973 met een scheermes in haar buik snijdt; de brandende ster waarin zij in 1975 door zuurstofgebrek het bewustzijn verliest en een toevallig aanwezige arts zich realiseert dat dit geen onderdeel van de performance is: al dit vroege werk heeft zich in Belgrado afgespeeld… voor 22.00 uur.

VI Levinas muntte het antwoord op de vraag ‘Waar ben je?’ ‘Hinneni’ – het hebreeuws staat niet zoals in de NLse vertaling [‘Hier ben ik’] in de nominatief maar in de accusatief, zoals ook in het Frans: ‘Me voici.’ Dat wil zeggen: ik ben niet zelf de zin en bron van mijn bestaan, maar ik sta schuldig, de ontdekking van iets waardoor ik al getekend ben.

VII Op haar 29e verjaardag wordt Marina uitgenodigd in galerie De Appel. Op Schiphol staat een kunstenaar, die haar assistent en gids zal zijn: Uwe Laysiepen [Ulay]. Begin van een artistieke samenwerking en relatie, die duurt tot The Lovers [1988]. Beiden hebben dan 90 dagen vanuit tegengestelde richting de Chinese muur gelopen. Een heftig scheidingsritueel na een reeks spraakmakende performances waarin een symbiotische relatie van beide op 30/11 geboren partners tot in de meest verstikkende aspecten verkend wordt, de harde boting tussen twee Europa’s ook.

VII Lips of Thomas [Innsbruck, 1975], reperformance als zesde van Seven Easy Pieces in het Guggenheim NY [2005]: honing en wijn, de ster en het scheermes, een kruis van ijsblokken en de geseling keren terug, nieuw: de baret van de moeder en een litanie:
O Lord, save Thy people / Blessed is Thy name
Forgive us, Lord, our sins / Committed on the Earth

Look upon is suffering / In the world Slavic souls
Nobody understands us / Our fate’s not worth a penny

Remember the times of glory  / In Thy name to wars we went
The war is our eternal cross / Our life is of a true faith / Long live our Slavic faith 

The war is our eternal cross / Long live our true Slavic faith
Tijdens de Balkanoorlog duiken in interviews vaak de woorden machteloosheid en schaamte op. Bij het zien van de video denk ik aan Kolossenzen 1,24: Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam. 

VIII Hoe zit het nu met haat en liefde? Voor Balkan Baroque [Venice, 1997] interviewt zij zowel de vader als de moeder. Beiden spelen een rol in de video waarin Marina gezeten op een berg bloederige botten doende is om die schoon te poetsen. Er is de prachtige hommage aan de vader van Marina roerloos op een schimmel, als enige beweging: een wapperende vlag, een witte. Het boek Balkan Epic [2006] opent met een foto van de dansende ouders in Marina’s geboortejaar, daaronder de tekst Dedicated to my parents. De hierboven al genoemde biografie uit 2010 heeft als opdracht: To my mother and father and my brother.

IX Zondag 15/3, 10.30, Moma, The artist is present. Geruime tijd kijken wij naar de vrouw in een lange donkerblauwe wollen jurk, die schijnbaar onaangedaan tegenover een bezoeker zit. Al in 1968 ontdekte zij het Boeddhisme. Er is vaak sprake van een Zen-meester. Maakt zij zich leeg? En zo ja, wat is dan het verschil met het bijbelse begrip kenosis [ontlediging]?  Zullen wij daar ook gaan zitten? De rij is wel erg lang. Als we alles gezien hebben, besluiten we om nog een keer te gaan en dan direct in die rij.

X Woensdag 18/3. Toch nog lang genoeg in de rij om te zien dat tijdens de sessie soms beide ogen gesloten blijven. Mijn beurt. De omstanders vallen onmiddellijk weg, de geluiden blijven. Later vraagt iemand waarom ik niet reageerde toen zij met de armen als molenwieken de aandacht probeerde te trekken. Niet gezien [gelukkig]. Het kijken is niet leeg, eerder sterk geconcentreerd zoals met één borrel, sigaret of erger. Haar linkeroog lijkt meer of anders levend dan het rechter: alsof je daardoor naar binnen kunt. Als Kaïn Abel niet ziet staan en dan doodt, valt zijn ponem, gezichtsverlies. Hier gebeurt eerder het omgekeerde: empathie. Als  even later Tineke tegenover haar zit wellen er twee tranen tot ze groot genoeg zijn om op eigen kracht over haar wang te lopen.  

marina-5marina-6

XI Boven in het museum houdt Randy Kennedy mij staande. Hij herkent me van zoeven en vraagt honderduit. Rideau d’Os, blinden, een blinde hond, het verschil tussen performance en theater, wachten op Godot, de Balkan alles komt aan bod maar de grootste fascinatie van deze kunstredacteur geldt toch het vele naakt, en al die jongeren die daardoor allerminst geschokt zijn. Misschien is het taboe niet verdwenen maar veranderd, probeer ik. Zaterdags koop ik The New York Times. Who is afraid for Marina? luidt de kop. Not many lees ik op pagina 5 boven het vervolg: visitors seem more intrigued than repulsed. Voor Randy geldt dat kennelijk niet, want van ons hele gesprek is nauwelijks meer weergegeven dan wat hij niet kon plaatsen: a former Dutch Reformed Church pastor. 

marina-4

 

 

 

Tineke Smith, Kenosis, een hommage aan Marina Abramovitch, 2010
120x150, houtskool, acryl, olieverf
geïnspireerd op het videokunstwerk: Holding the milk, 2009
http://www.youtube.com/watch?v=ZgebFPxO_PY

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

de tekst is gepubliceerd in:
In de Waagschaal, nieuwe jaargang 39, nummers 7 en 8, mei/juni 2010

God als zware pijp of sigaar uit eigen doos, het blijft ongezond
overwegingen bij Adriaan van Dis, De wandelaar

Dagelijks maakt mijnheer Mulder op doktersadvies een wandeling door Parijs. Om Altzheimer voor te blijven traint hij onderweg zijn geheugen. Zo ontdekt hij op een gebarsten marmeren  plaat Nicolas Martin, héros et martyr de Résistance, assassiné le 16 décembre 1943. De dag waarop Martin stierf, werd Mulder geboren. Zoiets schept een band. Er zijn mensen die Mulder Martin noemen. Hij laat het maar zo, ook als de politie naar zijn naam vraagt. Martin: het alter ego, het betere ik van Mulder.
Er zijn ook overeenkomsten tussen Mulder en Van Dis. Beiden wonen in Parijs. koesteren hun kakkineuze maniertjes, luxe kleding en schoenen. Evenals Mulder overleefde Van Dis een kleine hersenbloeding en ook hij moet van de dokter dagelijks lange wandelingen maken. In beider leven heeft de dood een aandeel en groeit de behoefte aan een balans. Tenslotte is het niet onbelangrijk om te weten dat Van Dis naar zijn biologische vader Adriaan Mulder heet en pas in zijn studententijd  voor de naam van zijn moeder koos.

Als er brand uitbreekt in een kraakpand vallen er doden. Een hond springt pardoes door een raam hij bijt zich in Mulder vast en bevuilt hem maar het is ‘Martin die hem influistert zijn zakdoek in repen te scheuren om de blaren te verbinden.’ Vanaf die dag verandert het leven van Mulder: ‘De hond trok hem naar een wereld waar hij geen flauw benul van had,’ - bedelaars, een vrouw die rammelt met een afgeschroefd been, allochtonen, gekken, illegalen, zwervers, hoeren, - allemaal ‘vrienden van de hond. Eerder zou hij aan die mensen zijn voorbijgegaan, maar sinds de hond schudde hij vele vieze handen. Het tastte hem aan, de verhalen braken bij hem in. Maar hij kon niet meer terug. Niet de hond, hij zat aan de riem.’ Als Mulder het dier bij zich heeft, wordt hij op straat herkend, ook door de politie, die hem al snel wantrouwt om zijn dubbele identiteit. Het gerucht gaat dat de eigenaar het pand heeft aangestoken om er appartementen te kunnen vestigen: ‘Dit was niet de stad die hij uit zijn wandelingen kende, er bleek binnen de ringweg nog een tweede Parijs te bestaan, verscholen achter vervallen façades van verlaten fabrieken, afgesneden van water en licht, een stad buiten het oog van de wet, opgetrokken uit bouwplaat en golfzeil, met eigen regels, waar een ander evangelie op de muren werd gekalkt: ‘Dieu en a marre. Dieu est aussi noir’.’  

Het wordt het onrustig in Parijs: rellen in de buitenwijken, auto’s in de fik, protest tegen de regeling die les sans papiers wil uitzetten. Wat we ons later herinneren van de zomer en de invallende herfst van 2006 weerhoudt Mulder niet van wandelen. En keer op keer is het Martin, die hem influistert: ‘Doe wat. Doe wat je hart zegt.’ Als hij in de krant leest over de weduwe van een bij de brand omgekomen Sri Lankees die geen geld heeft voor de crematie, achterhaalt hij haar adres om een envelop met geld achter te laten: ‘Mulder moest hier buiten blijven. Misschien kon hij Martin alsnog enige betekenis geven: Nicolas Martin als zijn betere ik. [ ] Mulder kon het zowaar een beetje met zichzelf vinden wanneer hij als Nicolas Martin tegenover haar zat.’
Hij ontdekt dat de hond is meegekomen met Ngolo, een illegale Afrikaan: ‘Als u eens wist waar die vier poten hebben gelopen. Over ijsvlakten, savannen, bergen, modderpoelen, op gloeiende golfplaten van vluchtelingenbarakken, hij overleefde een zandstorm, een beroving en een schipbreuk.’ Sinds Ngolo als bootvluchteling is aangespoeld houdt hij zich schuil in een kerk. Omdat de hond hem zou kunnen verraden, forceerde hij een breuk door het dier een brandende kaars in de bek te steken. Als de situatie in de kerk onhoudbaar wordt, koopt Martin bij Albanese criminelen [hun beste vrienden werken bij de politie] voor 15000E een vals paspoort. Ngolo krijgt de Nederlandse identiteit van een Antilliaan die geboren is op het eiland St Martin; Mulder: nu ook als heilige. Als hij hoort dat de weduwe Sri grof wordt uitgebuit, begeeft hij zich met een gulp vol geld andermaal naar het station. Een bewakingscamera heeft de transactie geregistreerd. Mulder komt met schrik vrij: ‘Ik zou u het liefst het land laten uitzetten’, zei de rechercheur, ‘maar helaas, u hebt de verkeerde kleur.’
Samen met Sri bezoekt Martin een meisje dat in het kraakpand ernstige brandwonden opliep. Het kind herkent de hond. Het zou goed voor haar zijn als zij net als vroeger elke dag een eindje met het dier ging wandelen. Mulder beseft dat zij meer recht op de hond heeft dan hij. Kort daarna ontdekt Sri de dubbele identiteit van Mulder. Woedend bijt zij hen toe: ‘Snob. Ik ben geen paspop voor jouw schuldgevoelens’. En zo verliest Mulder kort na elkaar niet alleen de hond maar ook de vrouw waarop hij heimelijk verliefd is. Zij kiest voor een Vietnamees, die hulp en geld weigert en slaapt in kunstig gevouwen dozen.  

Tenslotte is er nog Bruno, de priester die van een stevig glas whisky houdt, de hulp en toeverlaat van kansarme mensen óók als hij daarvoor de wet moet overtreden; de evenknie van dominee Hans Visser, jarenlang lastpost en geweten van Rotterdam, maar je kunt ook denken aan de whiskypriester uit The power and the glory van Graham Greene, de auteur die als geen ander geïntrigeerd werd door de verwikkeling van goed en kwaad.
Mulder en de priester schuwen het gesprek over religie niet. Mulder kent zijn klassieken, althans: de oneliners van Harry Kuitert: alles van boven komt van beneden, religie is van verbeelding, want eerst waren er mensen en toen pas God. Ik geloof in een paar geniale uitvinders die onze hersenen oprekken en ingesleten sporen verbreden om ons bestaan te veraangenamen. Ik geloof in de mens die er per ongeluk is en er het beste van probeert te maken. Ik geloof niet in plannen van boven. De mens is zijn eigen plan.
De priester biedt aardig partij: ‘Wie bepaalt wat goed is?’’Mijn geweten.’ ‘Maar uw geweten doet boodschappen bij God. Al uw ideeën over goed en kwaad komen uit de goddelijke bron waarin u spuugt. U kijkt neer op gelovigen maar u hebt niet eens het intellectueel fatsoen om uw bron te vermelden: de Bijbel.’ ‘We zijn aan een ander boek toe. Waarom kunnen we niet erkennen dat God in onszelf zit, in onze gemeenschappelijke ervaring, onze intuïtie.’ Bruno laat zich niet afschepen: plotseling opduikende ‘goedheid, waarheid, edelmoedigheid en liefde misschien is dat wel de kern van wat de mensen God noemen.’ Met als alternatief het consumentisme: ‘God die verdwijnt in de file. Mooi geloof: op zondag naar de meubelboulevard. De decadentie van halen, hebben en houden [1] Uit naam van de economische groei de wereld vervuilen en dan met al je wetenschap naar een gat in de ozonlaag staren.’ Mulder was te bezopen om een tegenwerping te maken. Hij goot de laatste druppels whisky over zijn hoofd en sloeg achter de rug van de pater een kruisje. Hij wilde ook gelukkig zijn.’

Niet toevallig verwijst de titel van de roman naar de eerste bundel van Nijhoff De wandelaar [1916]. Regels uit het titelgedicht lijken geknipt als motto voor de roman: Mijn eenzaam leven wandelt door de straten. Toeschouwer ben ik uit een hoogen toren. De wandelaar in het gedicht loopt aan alles en iedereen voorbij, erger:
    Er stroomt geen bloed meer door mijn doode handen
    Stil heeft mijn hart de daden sterven laten.
Hij weet zich de laatste in een lange stoet van vereenzaamde types: een kloosterling uit de middeleeuwen, een kunstenaar uit de renaissance en een dichter uit de tijd van Baudelaire:
    Toeschouwer ben ik uit een hoogen toren,
    Een ruimte scheidt mij van de wereld af,
    Die ‘k kleiner zie en als van heel ver af,
    En die ik niet aanraken kan en hooren.

De socialist A.M. de Jong, de auteur van Merijntje Gijsen, luchtte bij de verschijning van De wandelaar zijn woede uit over zoveel gebrek aan engagement. Het zou nog bijna twintig jaar duren eer Nijhoff de dwaze bijen in de bundel Nieuwe Gedichten een wending in zijn poëzie laat bekennen:
    een geur van hoger honing,  / verdreef ons uit de woning
    hoger honing, escape, die in de ijzige vrieskou met de dood werd bekocht:
    het sneeuwt, wij zijn gestorven / het sneeuwt tussen de korven.

Maar zover is het nog niet: De wandelaar vermeit zich nog volop in het genot der eenzaamheid, de decadentie van het fin de siècle, zo ook Mulder aan het begin van de roman. De oorsprong van dit levensgevoel ligt in een ver verleden. Hannah Arendt laat de moderne tijd beginnen bij Galileï. Zijn telescoop heeft ons kijken veranderd. De mens neemt en wordt de maat der dingen. Voor het eerst kan hij zich buiten de vertrouwde wereld opstellen, een rol tot die tijd alleen aan God voorbehouden. Niet lang daarna ontdekt Columbus een nieuw werelddeel. Maar het effect is averechts: de wereld wordt niet groter maar schrompelt ineen tot een bol. Ook deze afstand maakt de mens tot een buitenstaander, broodkruimel op de rok van het universum [Lucebert]. Arendt typeert dit levensgevoel met een neologisme waarin de woorden vervreemding en wereldvreemd versmelten: Weltverfremdung [2]. Bij Descartes voltrekt die escape zich naar binnen. Hij twijfelt aan alles, vertrouwt zelfs z’n zintuigen niet. De enige zekerheid, het denkend ik, raakt in opperste verwarring als hij aan zijn raam op de Westermarkt mantels en hoeden voorbij ziet komen. Hoe kan hij zeker weten dat het mensen zijn en geen poppen met een sleuteltje in de rug? [3]
Dit empirisch, analytische model bracht enorme vooruitgang maar ook tot Der Mann ohne Eigenschaften [Musil]; geluiden, geuren en kleuren, die als pure projectie alleen tussen de oren zouden bestaan. In werkelijkheid zijn het chemische reacties, atomen, protonen en neutronen. Ook voor Kant is alle kennis van de werkelijkheid product van de zintuigen: zinsbegoocheling, hersenspinsel. Hij noemt het sinds Descartes onopgeloste  raadsel van de waarneming het schandaal van de filosofie. Pas bij Heidegger kantelt de vraagstelling: het schandaal is niet de onbewezen buitenwereld maar de filosofie die meent zo’n bewijs nodig te hebben.
Anders gezegd: wie zijn ogen niet vertrouwt, gebruikt zijn handen. Onder het motto Aanraken geboden organiseerde ik jarenlang exposities die anders dan met de ogen verkend moesten worden. Een feest voor de zintuigen: Zin, zin, zinnebeeld over het verschil tussen erotiek en pornografie; Verdwenen geuren en geluiden als associatieve dragers van herinnering. En na tien jaar wisten we het zeker: de ergste blinden hoeven niet naar de oogarts maar behoeven zoiets als een paradigmashift. Het raster van de natuurwetenschap is te grof. Er valt heel veel buiten beeld: angst en verdriet, geloof, hoop en liefde, geuren en kleuren of zoals Les Murray ergens zegt: wetenschap voelt niets voor je, ze is nooit je vriend. [4] Na de breuk met de klassieke, metafysische filosofie ontstond dan ook de levensfilosofie, de gezuiverde blik om concrete ervaringen te interpreteren: Honger naar wijsheid, heelhuids weten [Lucebert]. [5]

Volgens Levinas is het krachtigste bewijs van de buitenwereld de naaste, die een beroep op jou doet. Niet cogito, maar respondeo ergo sum. Om een bres te slaan in de ivoren toren van de wandelaar volstaat een hond die uit een brandend pand omlaag springt: ‘Een huisgenoot die zijn smetvrees attaqueert, zijn bed deelt, verleidt tot gezamenlijk wildplassen en de betrokken weldoener in hem wakker roept.’ Het pantser van het ego breekt dus niet vanzelf. [6] Levinas gebruikt woorden als gijzeling, obsessie, achtervolging; geweld dus, zo ook bij Mulder: ‘Het tastte hem aan, de verhalen braken bij hem in. Maar hij kon niet meer terug. Niet de hond, hij zat aan de riem.’
In genoemd interview zegt Van Dis: ‘Even was ik bang dat mijn hoofdfiguur gelovig zou worden, maar ik heb hem daarvoor weten te behoeden. Hij scheert er langs. Op zijn zoektocht heeft hij wel een geloof gevonden, maar het is een geloof in mensen. Een ouderwets humanisme.‘ Hij heeft er alle begrip voor dat mensen in reactie op de globalisering houvast zoeken ‘bij een gestolde God, fundamentalisme is angst voor het moderne. Er staat een andere wereld staat aan onze deur te krabben en dat maakt ons onrustig. Dan kruipen we weer in ons kleine wereldje en gaan we het Nieuwe Testament in het Twents vertalen.’
Mulder zelf houdt het op ouderwets humanisme, en daarmee onderscheidt hij zich dan inderdaad nauwelijks van eigentijdse gelovigen voor wie de lieve Heer incognitio gaat in minderbedeelden, en prompt zijn er dan de blanke vrouwen in bikini om de op het strand aangespoelde Ngomo met hun enorme badlakens droog te wrijven. Mulder praktiseert zelfs alle zeven werken van barmhartigheid, zonder zich daarbij beter te voelen: ‘Schuldgevoel dreef hem, een volstrekt onberedeneerd schuldgevoel maar met goedheid had zijn geven niets te maken’ […] Hij snakt naar ‘een beiteltje waarmee hij alles kon wegtikken wat hem dwars zat tot er een aangenamer man naar buiten brak.’
Anders gezegd: de klassieke weg van God die verstokte zondaars ooit een zware pijp zal doen roken, voldoet niet; maar ook het [religieus] humanisme met God als sigaar uit eigen doos schiet tekort: er ontstaat zoals Mulder zegt geen aangenamer mens. Voor schuld is genezing met schuldgevoel blijft het modderen. Beide modellen zowel het orthodoxe als het vrijzinnige functioneren binnen hetzelfde theïstische kader.

Terwijl vrienden de roman allang, en soms geeuwend, opzij hebben gelegd, blijf ik me afvragen of er geen sporen aanwijsbaar zijn van transcendentie die de dilemma’s van het theïstische model overstijgen. Ik denk aan Sri als zij de rol van paspop voor andermans schuldgevoel fel afwijst. Zij ontmaskert het naïeve zelfbedrog, blind voor het imperialisme waarmee de ander in ons systeem van goedheid wordt ingekapseld.
De bekende parabel van de barmhartige Samaritaan mikt al op dat inzicht. Als de wetgeleerde vraagt: Wie is mijn naaste? draait Jezus draait de vraag om: Wie denkt u dat de naaste is van het slachtoffer? De naaste is  niet het slachtoffer, waar wij wel even iets voor zullen regelen maar hij/zij duikt op uit het niets naast het slachtoffer. De naaste heeft niet van Balke’nde geleerd om z’n verantwoordelijkheid te nemen maar wòrdt tegen wil en dank verantwoordelijk gesteld. Een passieve ervaring, subjectiviteit in de eerste betekenis van het woord: onderworpenheid. Een hond die uit het raam springt, in principe is dat genoeg.  
Aan het eind Als Mulder hevig naar Sri verlangt, krijgt hij een droom waarin hij vecht met pater Bruno zoals Jacob dat deed met de engel. In het spraakwater van dat bijbelverhaal lopen er in die engel drie personen door elkaar en het is goed daarin niet al te rigoureus te willen onderscheiden: het geweten als het betere ik, de verontrechte broer of de stand in voor de Eeuwige die opkomt voor de verontrechte. Ook Mulder knokt om de zegen van een ‘tegenover’. Uiteindelijk verschijnt Sri hem in de droom. Zij noemt ‘de stilte waarin hij haar verzonnen heeft.’ Met andere woorden: geen tegenover in vrijheid, maar het oude liedje van verlangen, een projectiescherm.
Een harde terechtwijzing. De zegen is niet comfortabel, geen schouderklopje maar een verminking! Hinkend aan zijn heup, als een gemankeerde vervolgt Jacob zijn weg. Geraakt in zijn manlijkheid, op z’n pik getrapt. Iets dergelijks overkomt Mulder. Kort na elkaar verliest hij de hond met wie hij volgens de veearts een symbiotische relatie had en zijn grote liefde Sri. En dat verlies is winst: aan het eind is hij even eenzaam als aan het begin, maar er is wel degelijk iets veranderd, - de laatste regel luidt: ‘Hij liep alleen en zag en rook alles.’ 
In een beroemd jeugdgedicht noteerde Nietzsche:
    Ich will dich kennen Unbekannter
    Du Unfaßbarer, mir Verwandter.

De grote onbekende, het niet te doorgronden tegenover kan zowel God als Nietzsche zijn. Evenals in de beroemde inzet van Calvijns Institutie vormen zelfkennis en kennis van de Eeuwige een getwijnde draad, zoals Paulus op de Areopagus met instemming verwijst naar de poëzie van heidense dichters: bij de gans Andere thuis, gekend: mir Verwandter.
Wie wandelt loopt ook risico: wandeln en Verwandlung zijn etymologisch verwant. De cursief geschreven woorden gaan terug op het werkwoord: [sich] wenden, verwenden en hinwenden. [7]. De grootste wandelaar in de bijbel is Henoch. Hij wandelde met God: geen knus onderonsje, niet als een van de wereld afgewende pilaarheilige, niet star en onbewogen maar de lendenen omgord, kwets- en wendbaar. Daarom kan er van de Ene geen beeld gemaakt kan worden: niet omdat hij er te hoog/heilig voor zou zijn maar omdat Zij niet stil kan zitten, te bewegelijk is.
Transcendentie komt mee in de Ander, die ons forceert tot goedheid. De hoofdletter duidt op een intrige, een menage a trois. Geen God die ook en evengoed los verkrijgbaar zou zijn. Daarom is het niet geraden om God te zoeken maar zijn Rijk, deze wereld anders. In de late boeken van Tenach zien we vervolgens hoe de auteur uit zijn eigen boek wegwandelt. In boeken als Esther, Hooglied en Prediker komt de Eeuwige niet of nauwelijks meer voor. Hij gaat helemaal op in zijn werk, en keert in het Nieuwe Testament wel terug echter niet als een verklede god maar in mensen, elkaar zo goed als God.
De Messias is geen Siegfried, eerder de schlemiel. Ergens in Amsterdam valt een man in de gracht. In korte tijd is er veel bekijks maar niemand doet iets. Dan vliegt er iets zwarts voorbij en nog iets: eerst de rabbi, en dan z’n hoed. Ploeterend in het koude water helpt hij de drenkeling op het droge. Als hij zelf druipend en wel weer op zijn benen staat, is het eerste wat hij zegt: ‘Ziezo, en nu wil ik wel eens weten wie mij er in heeft geduwd.’

-----------

[1] Willem Aantjes gebruikte deze sindsdien gevleugelde uitdrukking om het liberalisme van de jonge Hans Wiegel te typeren. Volgens Aantjes refereerde hij aan een ‘driepunter’ uit een preek van ds H.A. Leenmans, de opa naar wie ik vernoemd ben, die van 1949 tot zijn emeritaat in 1952 predikant was in Aantjes’ geboortedorp Bleskensgraaf.
[2] Hannah Arendt, Vita activa. De mens: bestaan en bestemming, Amsterdam, Boom, 1999.
[3] Descartes, Meditaties [vertaling: Wim van Dooren], Meppel, 1996, 51-52. Interessant in dit verband een uitspraak van Lucebert in een interview met Jan Brokken [Haagse Post, 22 april 1978]: ‘En dat is toch waar elke kunstenaar naar streeft: de opheffing van de scheiding tussen subject-object, vorm-inhoud, om een waarheid aan het licht te brengen die, al is het slechts voor een ogenblik, niet relatief is. […] Om het onmogelijke mogelijk te maken en zo vanzelfsprekend als brood.’ Geciteerd in: Hans Düting, Archief De Vijftigers II, Baarn, 1983, 64.
[4] Over religie en poëzie, Maarten Elzinga in gesprek met les Murrray, Liter, jrg 12, september 2009, p24
[5] Ook de poëzie draagt daaraan bij. Binnen de naar eenduidigheid strevende natuurwetenschap en klassieke filosofie werd deze naar haar aard ambigue bijdrage niet gewaardeerd. In de ideale staat van Plato was voor dichters geen plaats. Descartes vond dat je beter geen romans kon lezen. De Verlichting schreef de wetenschap hoog in het vaandel, de poëzie niet meer dan franje, randversiering.
[6] In een interview met Maarten Moll [Parool 18 01 2007] zegt van Dis: ‘omdat hij letterlijk aangeraakt is door het vuil waar hij zo bang voor is, merkt hij dat de ander er is.’
[7] Vgl het hoofdstuk ‘wandelen en thuiskomen’ in: Mariëtte Willemsen, Kluizenaar zonder God, Friedrich Nietzsche en het verlangen naar bevrijding en verandering, Amsterdam, 1997, p 26-32

Onder dezelfde titel gepubliceerd in: In de Waagschaal, nwe jrg 39, nummer 12 en 13, 2010

 

 

© 2020 henkabma.nl - All Rights Reserved. Designed By JoomShaper

Please publish modules in offcanvas position.