lilith-1

Lilith, de eerste vrouw van Adam
De bijbel opent in stereo. Twee verhalen van het begin, twee mensbeelden ook. Adam is sprekend God, dichter en mens in meervoud, van tweeërlei kunne: ‘mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen.’ In het tweede verhaal is Adam aan het werk: alle dieren komen bij hem langs en krijgen een naam. Zo ontdekt hij zijn eigen eenzaamheid, want anders dan de dieren heeft hij geen tegenover. Met dat onvervuld verlangen, valt hij in slaap. En dan komt dichtbij zijn hart Eva langszij. Twee visies op relaties. De ander als wederhelft, bekend terrein, in de ander op zoek naar jezelf, en haaks daarop: iemand die het alleen niet redt, een ik dat ontstaat aan de ander in een blijvend niet te overbruggen verschil. [1]           

Twee verhalen wat slordig aan elkaar gezet. De lijmnaad bleef zichtbaar. Omstreeks de 9e eeuw laat rabbijn, Ben Sira, [2] in die kier tussen beide verhalen een wilde amazone opduiken met wie Adam nog voor Eva iets gehad zou hebben. Lilith is de naam. Het is geen gelukkige relatie. Ze vechten elkaar de tent uit want Lilith is ongeschikt voor huiselijk gebruik. Zij weigert in bed de missionarishouding, terwijl  Adam aan die positie verknocht is. Voor hem is het meer dan een standje. Hij weet zich zoals de Duitsers zeggen: überlegen. Maar Lilith roept: ‘Wat verbeeld jij je wel? We zijn uit dezelfde klei getrokken.’ Daarmee heeft zij een punt. Maar het komt niet meer goed.

lilith-2

Lilith spreekt het geheim van de Naam uit, krijgt vleugels en vliegt naar de Rode Zee. Adam treurt. Hij wil haar terug. De Eeuwige voelt met hem mee en stuurt er drie engelen op af. Maar het besluit van Lilith staat vast: zij bedankt voor het paradijs van Adam. Haar toekomst is die van een wraakgodin met als specialisme: wiegendood en kraamvrouwenkoorts, terwijl zij ‘s nachts de hoofdrol speelt in de natte droom van eenzame mannen. En daar komen háár kindjes van, de boze Lilim. De engelen dwingen een compromis af. De speelruimte van Lilith wordt magisch begrensd: in elke slaapkamer waar een amulet hangt of een houtskoolcirkel getrokken is, staat Lilith machteloos en van de kwade geesten die zij voortbrengt zullen er dagelijks honderd sterven. [3]

Geen sympathiek profiel, wel een onuitputtelijke bron voor smakelijke onzin. En natuurlijk maakt Lilith met de geweigerde rol van underdog en het vrijwillige vertrek uit het paradijs furore bij feministen. [4] Al veel langer laten kunstenaars zich door Lilith inspireren. De bekende vingerwijzing waarmee de Eeuwige hoog in de Sixtijnse kapel Adam schept, maar wie is de vrouw die Hij achter de hand houdt?

lilith-3

Het is Lilith, die in een grot aan de Rode zee woont. Een zeemeermin of met een al even bloot bovenlijf maar onder de gordel het lichaam van een slang dat zich om de boom in het paradijs kronkelt. Naarmate we dichter bij onze eigen tijd komen, is het nauwelijks bij te houden: Faust danst met haar en inspireert Dante Gabriel Rosetti tot zijn beroemde schilderij. James Joyce houdt haar in ere als patroon van abortussen. Heel veel werk maakte Marcellus Emants van Lilith, daarmee staat zij aan de wieg van de Tachtigers en als die ‘schoonheid haar gezicht verbrand’ heeft, beginnen de Vijftigers wat Lucebert betreft opnieuw bij Lilith. Haar figuur had zij in elk geval mee voor de mannen van Cobra.  Bij C.S. Lewis zorgt Lilith voor vorst: altijd winter, nooit kerst. Primo Levi leerde Lilith kennen in het concentratiekamp. Om de schandvlekken van de Holocaust draait het eveneens bij de grote assemblages die Anselm Kiefer sinds het eind van de jaren tachtig aan Lilith en haar dochters wijdde. En natuurlijk schreef ook onze eigen Harry Mulisch over Lilith. [5]
Het meest enthousiast ging Lucebert met Lilith aan de haal. De boze furie uit de joodse mystiek verschijnt bij hem op een gouache als de muze en geliefde die zijn klankrijke poëzie voedt: ‘en de keel is van de anemonen / is van de zee demonen / zingende bovengekomen.’ Koosnamen als limonade-lilith of achter een raam op de Wallen: kleinegichelversierdevitrinelilith [VG 43]. [6] Het zijn woordgrappen die goed passen bij de mening van sommige geleerden die Het alfabet van Ben Sira interpreteren als middeleeuws studentencabaret. 

Hoe dit ook zij: Lilith komt niet uit de lucht vallen. De vrouw die Ben Sira in de leemte tussen de twee verhalen van het begin plaatst, is geen verzinsel. De vroegste sporen wijzen naar Mesopotamië, de bakermat van onze beschaving. Vandaar werd de dood en verderf zaaiende demon wereldwijd opgenomen in de orde van vampiers, feeksen, heksen, kobolds en andere spoken uit de nachtzijde van het mythologisch woordenboek. Jesaja beschrijft het eenmalig optreden van Lilith in de bijbel. [7] Hij doet dat zonder enige  toelichting, iedereen wist kennelijk wie zij was. In die tekst wordt Edom, dat zijn de kinderen van Ezau, naar de verdommenis gevloekt.  Toen Jeruzalem verwoest was en het volk naar Babel versleept werd, was er leedvermaak in Edom, dat zich bovendien bezondigde aan plundering. Uit de ziedende woede van de Eeuwige schept Jesaja huiveringwekkende poëzie. Het hemeldak opgerold als een tent, sterren verkwijnen als bladeren van een vijgenboom: alle houvast en oriëntatie weggevaagd. Bloeddoorlopen de aarde, de verpeste lucht van onbegraven lijken. Macaber landschap van ruïnes, brandende oliebronnen en bermbommen. Zoveel hellen op aarde. En ze staan op de kaart. Er is sprake van een meetlint en grensstenen. Het een heet tohoe, het ander bohoe. Tohoewabohoe, de Hebreeuwse woorden waarmee in Genesis 1 de chaos van de oersoep wordt aangeduid. Edom valt dus terug achter de schepping en in dat godvergeten gruweltheater van verscheurende dieren en mythologische monsters woont Lilith. 

Wij voelen ons ongemakkelijk bij zo’n preek van hel en verdoemenis. Heeft deze alles verzengende woede het laatste woord? Nee, Adonai twist niet eeuwig met zijn maaksel, [8] ook Hij kan op zijn schreden  terugkeren. Als later in Babel de laatste hand gelegd wordt aan het boek  Genesis is er het verhaal van de nachtelijke worsteling waarin Jacob Israël wordt, hinkepoot die zich eindelijk verzoent met zijn broer Ezau, Edom dus. Ik denk aan de 78 jarige Palestijn Sami Joenis die na 28 jaar gevangenschap in Israël vrij kwam: ‘soldaat van de vrede’ die Israël maande om er haast mee te maken, want ‘wij zijn neven.’ [9] Dus hoe hartgrondig er in de bijbel ook gevloekt wordt: ooit wordt het geweld omgesmolten tot instrument van verzoening. Om te zien hoe dat in zijn werk gaat, maken we een grote sprong naar Jezus, die voor zijn publieke optreden stage liep in de woestijn. [10] Immers:
    Alles wat over ons geschreven is / gaat Hij volbrengen in de veertig dagen, de tien geboden en de veertig slagen, / dit hele leven dat geen leven is. [LB 173 / 556]
Marcus wijdt aan dat verhaal slechts één zin maar daarin noteert hij wel als enige dat het ook om een ontmoeting met wilde dieren gaat. Nauwelijks twintig jaar oud wijdde Robert Graves zijn eerste gedicht aan dit verhaal [11]:

    In de wildernis

    Hij, in zijn beminnelijkheid,
    Dorstend en hongerend
    Liep in de wildernis.
    Sprak zachte woorden van genade
    Tot de laatste woestijnbewoners
    Die verwonderd luisterden.
    Hij hoorde de roerdomp roepen
    Vanaf een verwoeste paleismuur,
    Antwoordde hem broederlijk;
    Hij hield gemeenschap
    Met de vrouwtjes-pelikaan
    Van een eenzame vroomheid.
    Basilisk, slangendraak,
    Dromden naar zijn preken,
    Met pantsers van schrikstaken,
    Met monsterlijke weerhaken,
    Met vurige drakenogen;
    Grote vleermuizen op leren vleugels
    En oude, blinde, wrakke wezens
    Miezerig in hum miserie.
    Toen liep altijd met hem mee,
    Op al zijn tochten
    Kameraad, met geschonden vacht,|
    Vel over been - arm onschuldig -
    Bloedende voeten, brandende keel,
    De argeloze, jonge zondebok:
    Veertig dagen en nachten
    Volgde hij Jezus’ wegen,
    Hield hij achter hem een zekere wacht,
    Weende tranen als een minnaar.

Een voorbeeldige tekst. De dichter begrijpt dat je over Jezus geen biografische notities maakt maar de collage van teksten uit Tenach, die we evangelie noemen. Niet mijnheer Jezus maar de Christus der Schriften. Daarom is het decor van de tekst ontleend aan de vloekrede tegen Edom. De hele crew uit de horrorfilm over Lilith keert hier dan ook terug: Jezus gaat waar geen weg is. [12] Met een ijzertang knipt hij een gat in de omheining van de no go area. De inzet van de zachte krachten: hij praat met de verschoppelingen  en deelt zijn brood. Van heinde en ver drommen ze samen om te luisteren. Ook de zondebok loopt mee. [13] Het is een ontroerend detail: hij hoort niet bij de demonen maar is een gabber van  Jezus: slachtoffer van religie, door priesters misbruikt. [14]

Jezus preekt. Een werkwoord dat wij als een zwerfkei uit een verouderde cultuur liefst vermijden. Maar hier zien we wat het geheim is van een echte preek: gesjochten wezens horen ervan op. Zij weten zich in hun miserabele bestaan gekend door iemand die meer dan solidair is:  één van hen. Een echte preek voelt niet als een monoloog maar heeft alle kenmerken van een gesprek en intuïtief begrijpt je: in dit perspectief, door deze opening in de muur van hopeloosheid komt de Eeuwige zelf aanwezig.  

Robert Graves heeft na dit eerste gedicht nog veel geschreven zoals de verfilmde romans Ik Claudius en Lawrence of Arabia maar ook een Hebreeuwse  Mythologie en vooral De witte godin. Een omstreden boek maar je kunt eruit leren dat mythologische fabeldieren en demonen de door de heersende religie vernederde goden zijn. [15] En natuurlijk weten wij inmiddels dat wiegendood en kraamvrouwenkoorts er eerder waren dan Lilith. Projecties uit de schaamstreek van de ziel, pure angst zodra ‘het kwaad goede mensen treft.’ De fantomen van Henk en Ingrid. 

Anders gezegd: toen Bonifatius bij Dokkum de bijl aan de wortel van de boom legde, waren daarmee de goden van het heidendom nog niet verdwenen: de publieke religie van het neoliberalisme, de spoken van het nationalisme of de door impotentie geplaagde Mammon.  Maar wie het kwaad  demoniseert, maakte het groter dan het is: en dan loopt het pas echt uit de hand en krijgt het ons volledig in de greep. Maar het kwaad is niet meer en ook niet minder dan  alles  wat nog niet goed is.

En hoeveel we ook met demonen te stellen hebben: je hebt er geen geavanceerde defensie voor nodig, een goed gesprek, het delen van brood, kortom: een plek als De Nieuwe Liefde volstaat.  De Amerikaansjoodse feministe Judith Plaskow laat Lilith door een gat in de heg terugkeren naar het paradijs. God en Adam houden de adem in bang als ze zijn voor de dag waarop de twee vrouwen van elkaars sterke punten gaan leren [‘bursting with possiblilities are ready to rebuild together’] waarbij de Eeuwige zich realiseert 'I am who I am, but I must become who I will become.' [16] En Lucebert, ja: hij toch nog één keer,  heeft gezegd dat de mensen die zijn schilderijen kochten op den duur van de daarop afgebeelde draken en monsters gingen houden, zo moge het zijn. [17]

lilith-4lilith-5

In vereenvoudigde vorm werd deze tekst gebruikt als toespraak in De Nieuwe Liefde, studentenecclesia Amsterdam, 29 januari 2012 en gepubliceerd in Interpretatie, tijdschrift voor bijbelse theologie, jrg 20, mei 2012


[1] Eerst is er de mythe van Plato waarin de goden de ene mens kloven [of konen] waarna een ieder de ander in zichzelf zoekt. In het joodse scheppingsverhaal gaat het daarentegen meer om een tegenover: transcendent als de Éne, de Máker (vgl Ps. 121,1-2). Maar blijkbaar kan je dit ook omkeren: Lilith als tegenover, Eva als kloon. Het tweede verhaal (J) is meer patriarchaal, terwijl in de eerste en jongere versie (P) man en vrouw uit dezelfde klei meer gelijkwaardig zijn. Toch kruipt het bloed onverbeterlijk waar het niet gaan kan: in een kabbalistisch traktaat wordt opgemerkt dat toen Lilith aan de beurt was de zuivere klei op was zodat er voor haar alleen nog vervuilde aarde en stof voorhanden was. Vgl Siegmund Hurwitz, Lilith - Die Erste Eva, eine historische und psychologische Studie über dunkle Aspekte des Weiblichen, Daimon, 2011, S 209-212.

[2] Het alfabet van Ben Sira is een pseudepigrafisch boek dat grote populariteit genoot gelet op de ruim honderd geografisch zeer gespreide en onderling sterk verschillende handschriften die bewaard bleven.  Parallellen in de Babylonische Talmud doen een qua opvang beperkte oervorm vermoeden in de 4e eeuw, de latere vorm wordt veel later gedateerd: ergens tussen de 8e en 10e eeuw.Het boek bestaat uit een raamvertelling over Ben Sira [Sirach – traditie wijsheidsliteratuur], zoon van Jeremia en werkzaam aan het hof van Nebukadnesar. De wijsheid bestaat uit een Hebreeuwse en Aramese verzameling spreuken en verhalen die conform het alfabet geordend zijn. Moses Ben Shem-Tov de Leon, auteur van de Zohar, het belangrijkste mystieke commentaar op de Thora (13e eeuw) heeft  er dankbaar gebruik van gemaakt, Maimonides verwierp het boek. Deze uitersten passen bij de verschillende interpretaties.
Enerzijds: ‘Another plausible theory about the creation of this Lilith story, however, is that Ben Sira’s tale is in its entirety a deliberately satiric piece that mocks the Bible, the Talmud and other rabbinic exegeses. It may have served as lewd entertainment for rabbinic students.’ Aldus: Janet Howe Gaines, Lilith, Seductress, Heroine or Murderer? http://www.bib-arch.org/e-features/lilith.asp
Anderzijds: Dagmar Börner-Klein, Das Alphabet des Ben Sira, Hebräisch-Deutsche Textausgabe mit einer Interpretation, Marix Verlag, Wiesbaden, 2007. Zij wijst twee lagen in de tekst aan: allereerst het cabaret, een bonte verzameling wonderlijke verhalen als de biografie van Ben Sira [Sirach], geboren als een zoon van Jeremia en diens dochter. Let wel: de namen Sira en Jeremia hebben dezelfde getalswaarde; Ben Sira wil zeggen: zoon van de zaaier; en verder geldt: de dochter heeft zich gebaad in badwater waarin de vader eerder gedwongen werd om te masturberen. Onder die cabareteske laag schuilt een serieus debat over de rabbijnse hermeneutiek, en wel de casus of een hogepriester een zwangere vrouw mag trouwen, antwoord jawel: als het maagdenvlies van de zwangere nog intact is. Kortom: de eerste laag haalt de tweede als willekeur onderuit: zo kun je met de in de hand bijbel alles bewijzen.
[3] Lilith was als stormdemon bekend. De relatie tot Adam is een vondst van Ben Sira. Zodra Eva geschapen is roept Adam: deze keer is het been van been. In het Talmoedtraktaat Jebamot 63a wordt daaruit de conclusie getrokken dat Adam het daarvoor met de langstrekkende dieren geprobeerd heeft. Het zou de Partij van de Dieren een gruwel zijn maar Ben Sira ging het toen al te ver. Hij leest dan ook: deze keer, dat is Eva, de andere keer was Lilith, deze keer eigen vlees, een koekje van eigen deeg, de andere keer: uit de aarde aards.
[4] Vgl. Barbara Back Koltuv, The book of Lilith, Nicolas-Hays, 1986; lezenswaardig is ook de novelle: Robert G. Brown, The book of Lilith, 2006.
[5]
Goethe, Werke II (ed. Gerhard Stenzel, 1951, S.747/8). Lilith maakt haar debuut in de Weuropese literatuur in de Walpurgisnacht. Mefistoles stelt haar voor: Adams erste Frau./Nimm dich in acht vor ihren schönen Haaren./  Vor diesem Schmuck, mit dem sie einzig prangt! / Wenn sie damit den jungen Mann erlangt, / So läßt sie ihn so bald nicht wieder fahren. Tijdens de dans vertrouwt Faust aan Lilith een droom toe over een boom met twee mooie appeltjes. Lilith kijkt er niet van op: Der Äppelchen begehrt ihr sehr,/ Und schon vom Paradiese her. / Von Freuden fühl ich mich bewegt,/ Daß auch mein Garten solche trägt. De beschrijving van het haar inspireerde Dante Gabriël Rosetti voor het bekende schilderij en zijn poëzie: her enchanted hair was the first gold. James Joyce, Ulysses (episode 14 en 15, vert Paul Claes, 1996 p. 414,5240.  Primo Levi, het gelijknamige titelverhaal In de bundel Lilith,  1990 (vert. Frida Vogels); Lilith, in Collected Poems, London, 1988.  Vanaf eind jaren tachtig duiken Lilith en haar kinderen regelmatig op in de grote zink-collages van Anselm Kiefer (vgl. Lilith, 1992, Marian Goodman Gallery).  Harry Mulisch, De Procedure (1998).
[6]De jonge Lucebert heeft zich een tijd intens in de kabbala verdiept getuige o.m. de Lilith-suite en de gouache: De dichter voedt de poëzie (juli 1952). Anja de Feijter wijdde aan die periode haar proefschrift: Het historisch debuut van Lucebert in het licht van de intertekst van Joodse mystiek en Hölderlin, Amsterdam, 1994. Vanuit haar grondige kennis van de joodse mystiek en met grote acribie wordt de poëzie tot de kleinste tittel en jota herleid tot de zgn. interteksten. Soms verrassend, vaak geforceerd zonder gevoel voor de humor en werkwijze van een kunstenaar. Natuurlijk heeft Lucebert de Zohar en wat hij verder aan mystieke geschriften te pakken kreeg, geplunderd voor zover het in zijn kraam te pas kwam, dat wil zeggen: niets was hem heilig dan de geschoffeerde en in zijn seksualiteit gefnuikte mens. In essentie komen de Lucebert toegeschreven religie en mystiek hierop neer. Lilith plukt er de vruchten van: ‘Van nu af aan mag ze huppelen, vliegen, springen of kruipen, mag ze met rozen of drek gooyen, ’t zal alles mij welkom zijn…’ Hij verwijst naar bijbelse noties en neemt ze ook even gemakkelijk weer op de hak om uit de buurt van dogmatische ladelichters te blijven, kortom: de dichter zet de dingen naar zijn hand en maakt er als het even kan graag een potje van en geniet van de verwarring die hij schept: het is geen drijfijs / dat bedreigt het is / mijn eigen eigenwijze ijs waar de klandizie kruipend op uitglijdt [VG600].|
Ondertussen heeft Lilith bij Lucebert ook nog een geheel eigen achtergrond. De dichter heeft kennis gemaakt met de kabbala via de goed gevulde boekenkasten van Bert Schierbeek bij wie hij lange tijd inwoonde en een relatie kreeg met de op zolder potten bakkende vrouw des huizes Frieda Koch. De vriendschap van beide mannen liep er niet op stuk maar spannend was het volgens Schierbeek wel: ‘In het begin spraken we er niet echt over. Dat was te pijnlijk. Maar we schreven elke avond tegen elkaar op. Brieven als verpakking van onze ergernis en waardering.’ Lucebert verzon de pseudoniemen; hijzelf: Oog van Gol, Schierbeek: Lilithoog [‘de eerste vrouw van Adam die ervoor gezegd heeft dat de geliefden uit het paradijs werden gedreven.’] De zwaar versleutelde brieven uit 1950 verschenen in 1978 onder de titel Chambre-Antichambre (Bzztôh). In 1951 publiceerde Schierbeek de [vorm]experimentele roman Het boek ik. Lucebert maakte van een bladzijde uit de Praagse Haggada een collage voor de omslag. In het boek staan niet mis te verstane zinswendingen als: ‘De zwarte vogel Lilith mijn vrouw, my loverly serpent and handsome girl zij loerd [sic] de haat door de hof…’ en ‘de Zwarte Lilith met de meduse armen die het futurum verbruiken. ‘ Als Frieda Koch twee weken in Parijs verblijft schrijft Lucebert aan zijn muze tien brieven en in het omgekeerde geval: als Lucebert met Remco Campert in Parijs is, schrijft de laatste - die van de relatie geheel onkundig is - over Luceberts verlangen en heimwee ‘naar een achtergelaten geliefde / nog maar kort tevoren vitrineversierd / in het logge Amsterdam.’
Wie deze nuchtere feiten negeert en zich met wetenschappelijke distantie uitsluitend oriënteert op de joodse mystiek mystificeert uiteindelijk de poëzie, miskent welke remmen hier los gaan tot het spreken in tongen. Vgl Peter Hofman, Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert, 2004, 203 – 251  Zie ook: Henk Abma, Het wonder van het pessimisme, in: Lisa Kuitert (redactie), De lezende Lucebert, bibliotheek van een dichter, 200, 107-123.
[7] Jesaja 34,14: Nieuwere vertalingen schrijven Lilith, terwijl oudere al dan niet op grond van de foute etymologie met het hebreeuwse woord laila (nacht) spreken van nachtspook, night hag, schreech owl, vampire en night monster, Luther koos:  kobold. De Septuaginta heeft (een verlegenheidconstructie?): onokentauros, de sa’ir, satyr blijft in de buurt: daimon onokentauros [vaak vertaald als ‘harige geit’ – in een Engelse vertaling uit de jaren 60 wordt dat: and the hairy one shall cry out one to another…]. Interessant is de Vulgaat [vert. Hieronymus ca 400]: Lamia, de door Zeus beminde Griekse Lilith. De jaloerse Hera doodde haar kinderen. Gek van verdriet ging Lamia op andermans kinderen jagen, ook verleidt zij schipbreukelingen en mannen om hun bloed te drinken. Zeemeerminnen en sirenen zijn familie. Zij wordt afgebeeld als een naakte vrouw met het onderlichaam van een slang dan wel met berenklauw, geitenpoten en het achterste van een draak en paardenstaart.Andere toespelingen op Lilith in de bijbel zijn misschien: Psalm 91,5: ‘de schrik des nachts’ en Spreuken 2,18-19 (idem 4Q184): haar huis helt over naar de dood,- naar een schimmenrijk haar voetsporen; allen die bij haar binnenkomen keren niet weer,- bereiken niet meer de paden ten leven.
[8]Gen 6,3; Ps 103,9, Jes 57,16. Ook de oersoep wordt niet zo heet gegeten als opgediend. 
[9] Inez Polak, dagblad Trouw, 19 oktober 2011.
[10] De wildernis is er aan het beging en aan het eind, als alles is volbracht, de nacht voor Pasen, het begin van de opstanding: de nederdaling ter helle om recht te doen aan het verleden.
[11]Robert [von Ranke] Graves (1895-1985], gewond tijdens de slag aan de Somme 1916 [werd enige tijd vermist en onder gesneuvelden gerekend], studeerde in Oxford, werd docent in Caïro later voor poëzie in Oxford. Het hier geciteerde gedicht schreef de negentienjarige als eersteling: Collected Poems [1914-1947), London, 1948, p3 De vertaling is van Theo de Boer en verscheen in Trouw: En hij was bij de wilde dieren, Letter en Geest, 27 december 2003
[12] Jesaja 34,14, waarin Lilith, het nachtspook, genoemd wordt in het gezelschap van hyena's, gieren, een pijlslang en de vaste grensgangers tussen beschaving en wildernis: pelikaan en roerdomp [vgl Psalm 102,7, Zef. 2,14, Deut. 14,17, Lev. 11,18].
[13] Lev 16,9.
[14] René Girard, Wat vanaf het begin der tijden verborgen was, Kampen, 1990. Onheil is geen straf van de goden maar omgekeerd: de Eeuwige is partijganger van de slachtoffers en knielt naast hen in de modder.
[15] Robert Graves: The white Goddes [Faber and Faber, [1961] 1984], waarin hij demonen, kobolds, en andere dieren uit het sprookjesbos beschrijft als de vernederde goden en priesters van een ondergrondse maar nooit helemaal verdwenen religie. Mythologie als belichaming en projecties van onze angsten. Vgl. L.A. Snijders [POT, Jesaja dl I, 1969, p331, die opmerkt dat eenhoorns, draken, saters en andere onwaarschijnlijke diersoorten tegenwoordig getransformeerd zijn tot waarneembare en classificeerbare diersoorten mist daarmee deze pointe.
[16] Geciteerd bij Judith Plaskow, The coming of Lilith, Essays on Feminism, Judaism and Sexual Ethics, 1972-2003, ed by Donna Berman, Boston, 2005 p32. Beitske Bouman verwerkte hetzelfde motief in een roman over moederschap en de vraag of er daarnaast ook nog een ander leven mogelijk is: Noem het liefde, Querido, 2010.
[17] Door de ogen van Lucebert, een documentaire in 1988 gemaakt door Koos Baay en uitgezonden door de AVRO in het programma Close Up. In deze documentaire waarin veel beeldend werk is te zien, gaat het onder meer over de gruwelijke koppen van Zuidamerikaanse generaals en dictators op de schilderijen. Lucebert zegt dan: ‘Het zijn geen gemakkelijke schilderijen [....] Het zijn heel aanwezige schilderijen. Ik geloof eigenlijk – en dat hoor ik ook van mensen die schilderijen van mij bezitten – dat op den duur het monsterlijke, eigenlijk, het afstotende, juist het aantrekkelijke gaat worden doordat die monsters misschien verdwaalde, lieve, betoverde kinderen zijn ... of mensen. Dat geldt natuurlijk niet voor de generaals die ik schilder. Generaals, dat zijn de echte monsters natuurlijk. Die maken slachtoffers. Maar die andere wezens, die maken geen slachtoffers; die zijn eigenlijk helemaal onschuldig, niet bedreigend ... wezenlijk.’

lilith-6

 

 

Zonen van hetzelfde huis in Abrahams tent
Eerder dit jaar zag ik in de Hermitage in Amsterdam een expositie van de grote Antwerpse schilders sinds de 16e eeuw. Vrijwel onmiddellijk werd ik een schilderij van Rubens binnengezogen: heibel in Abrahams tent, Hagar die wegloopt of weggestuurd wordt door de jaloerse Sara. Er ontstak een wervelwind waarin een heel leven van Bijbelstudie meekwam. Deze tekst is een poging om die overrompelende totaalervaring om te zetten in normale communicatie. En er was nog iets. Toen ik al in het schilderij was, het normale horen en zien vergaan, voelde ik dat er iemand naast me stond. Maar zoals je in een droom tevergeefs probeert te schreeuwen zo kon ik niet opzij kijken. Toen de storm was gaan liggen, stond zij er nog: jong met een hoofddoekje, en wat meer is: ze wist van de hoed en de rand anders had ze daar niet zolang uitgehouden. De fractie van een seconde waarin wij elkaar in de ogen keken, was tekort om iets te vragen. Later voelde ik dat als een verzuim: ‘Hebben we nu hetzelfde gezien?’ Een gemiste kans, want zo’n gesprek is urgent, kansrijker ook sinds de spraakverlammende retoriek van Mozart uit Venlo afzwakte tot de rituele gebaren van een stewardess die nog maar eens de werking van het zwemvest uitlegt. 

Terug naar het schilderij en het verhaal, beter: beide verhalen daarachter [G16,1-16; 9-10e eeuw; 21,8-21; 8e eeuw]. Eerst vlucht de zwangere en zelfbewuste Hagar weg van de pesterijen van Sara, later wordt zij samen met de dan al zeventienjarige Ismaël de woestijn in gestuurd. Eerst doet Abraham niets, later verzet hij zich en lijkt de redacteur daarmee uit op rehabilitatie. De vroegste mondelinge versie gaat over een bron en cultusplek, een etiologie om ’s avonds bij het kampvuur uit te leggen hoe de stamverwante Ismaëlieten als bedoeïenen zo diep in de woestijn terecht gekomen zijn. Verdere vermoedens over de oertekst lopen vast in het zand van diezelfde woestijn. Anders gezegd: het kader van onze interpretatie is de huidige context, de compositie van het boek Genesis die ontstaan is toen de historische herinnering aan de Ismaëlieten lang en breed vervaagd was. [1]
Het is duidelijk dat Rubens beide verhalen door elkaar gehaald heeft. Hij schildert de zwangere Hagar uit het eerste verhaal in de situatie van het tweede, geen vluchteling maar een slavin die haar biezen moest pakken. Abraham lijkt net wakker geschrokken uit een dutje en staat in de deuropening: trekpop van Sara, afgezien van zijn zaad geen enkele inbreng. Tussen Hagar en Sara is oogcontact. De blik van Sara houdt het midden tussen venijn en jawel: onzekerheid. Hagar gebaart afwerend naar het vileine keffertje dat haar een dubbel paspoort verwijt. Haar gezicht lijkt te zeggen: “Maar het was toch jouw idee Sara om mij draagmoeder te maken? Je kunt nu wel boos worden als Abraham weer eens te lang bij mij in de tent bleef hangen maar je bent toch niet vergeten hoe je mij schaars gekleed zelf naar Abrahams bed gebracht hebt? Hoeveel schilders van naam heb je daarmee duizenden jaren later in de Zuidelijke Nederlanden het hoofd niet op hol gebracht, dolgelukkig dat ze zich met de Bijbel als alibi mochten uitleven op mijn borsten. Trouwens zo’n feest was het nu ook weer niet met Abraham. Dat staat trouwens heel goed in de Statenvertaling: ‘hij ging tot haar in, en zij ontving’.’’

Elie Wiesel, Nobelprijswinnaar voor de vrede, die als kind Auschwitz overleefde, ziet in het huishouden van Abraham de wortel van de Palestijnse kwestie: de scheiding van broers die gewoon samen hadden kunnen opgroeien. De schending van de ‘joodse triniteit’: recht doen aan wees, weduwe en vreemdeling [Ex 22,21-22]. Een kanttekening daarbij. Dit najaar was mijn Indian Summer, dat wil zeggen: ik las veel over de genocide op de indianen aan het eind van de 19e eeuw. Als de situatie volstrekt uitzichtloos is, ontstaan dromen en gezichten: de door de blanken gedode Messias komt opnieuw en zal de indianen hun land en de verdwenen bizons terug geven, terwijl de blanken worden terug gedreven in de zee waaruit ze aan land kwamen. Onafhankelijk van elkaar en een eeuw uit elkaar in Amerika en in het Midden-Oosten dezelfde metafoor. Het geweld dat er in meekomt, werkte bij mij jarenlang in het nadeel van de Palestijnen. Dit jaar kantelde de vraag: hoe diep moet een volk getraumatiseerd worden, wil het deze beeldtaal ontwikkelen?
Precies op dat punt kiest dit verhaal positie, en dat terwijl er zonder vooroordelen wordt verteld, de schuldvraag binnen de driehoeksrelatie is geen centraal thema. Des te meer in de latere uitleg. Zo is Sara: mooi, rijk en daarom kinderloos want dan is er nog iets om voor te bidden. Calvijn telt via een U-bocht de zegeningen van het monogame huwelijk. Er is harde kritiek op Sara’s ongeloof en ongeduld, en het andere uiterste: mensen die initiatief nemen, meedenken om de belofte te realiseren of zoals het in de jaren tachtig heette:  God handen en voeten geven. Het draagmoederschap was door Hammurabi keurig bij wet geregeld maar niet de bijwerkingen: een moeder die zich toch aan het kind gaat hechten, zelfrespect herwint en zich daarnaar gedraagt: de verdrukten van gisteren de onderdrukkers van morgen. Als Rembrandt Hagar tekent, scharrelt er altijd wel ergens een pauw rond. Volgens Rashi – een joodse commentator uit de middeleeuwen - is Hagar de trotse dochter van farao; een geschenk aan Sara na de ontdekking van het bedrog van Abraham als gevolg van zijn vooroordelen tegen buitenlanders [G12,1-20, G20,1-12]. [2]
Als Abraham Hagar aan Sara teruggeeft is dat een schoffering [3]: een degradatie, het begin ook van zuigende pesterij waar vrouwen patent op lijken te hebben, uitlopend op Hagars ‘vlucht naar Egypte.’ De gebezigde werkwoorden [G16:4,6, 11b] verwijzen naar de latere slavernij van Israël in Egypte maar dan met Sara in de rol van Farao. Nog voor er van Israël sprake klinkt tot Hagar het bevrijdende woord van de Eeuwige waarmee straks de exodus, de kern van het joodse geloof, begint: ‘Ik heb je gehóórd’ [G 16,11; Ex 3,7-8]. Ik denk aan de woorden waarmee Gerard Reve De avonden besluit: 'Ik leef, ik adem, ik beweeg, dus ik leef. Wat kan er nog gebeuren? Er kunnen rampen komen, pijnen, verschrikkingen. Maar ik leef. [] Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.‘ [4]
  
'Ik heb het gehoord?' Maar wat dan? Een stem? Tranen? Gebed? Neen, er staat: Ik heb je vernedering, je ellende gehoord, dit hele leven dat geen leven is. Adonai is Israëls God, het tegendeel van 'eigen volk eerst': hij trekt zich het lot van verontrechten aan en draagt ze in de schoot van Abraham [Lk16,19-31].

Hagar krijgt dat allemaal te horen tijdens een ontmoeting met een andere woestijnganger, geen engel maar een mens van vlees en bloed. Engelen als grensgangers zijn de joodse voorstellingswereld vreemd. Pas veel later, als de afstand tussen God en mens nauwelijks meer te overbruggen is, worden ze vanuit andere religies aangevlogen. In het tweede en later geredigeerde verhaal is dan ook wel sprake van een hemelse engel [21,17]. Maar die oudste vorm van ‚Godtalk‘ is misschien de enige die in ons tijdsgewricht nog een kans maakt: het geheim van de Naam, niet los verkrijgbaar maar ‚soms even‘ in mensen aanwezig. Mensen als ‚stand in‘ voor de Eeuwige, zoals en zo dikwijls mensen in staan voor elkaar: zo goed als God. In oude taalresten klinkt dit besef nog door: Grüßt Gott, Adieu, de lichte aarzeling om de ander soms met een hoofdletter te schrijven of de tekst van een geboortekaartje: een kind is ons geboren, een zoon ons gegeven [Jes 9,6]. Ervaring van gene zijde, de technische term in het Hebreeuws voor de bode is malak Adonai, geen engelenhaar in de kerstboom maar iemand uit de boom van Jesse. Als de Eeuwige zegt: Ik heb je ellende gehoord en daarom daal ik neer om te bevrijden, gaat het om deze ervaring van transcendentie, die in mensen aanwezig… kòmt [vgl Lk 24,31b SV]. Voor de oudkerkelijke formule aangaande Jezus: even waarachtig God als waarachtig mens, hoef je niet eerst Griekse filosofie te studeren maar je kunt ervoor terecht in tenach. [5]  Wie de zoon ontmoet, ziet de vader [Jo 14,9], want ‚Een van also hooghe, van also veer‘ – mens naar Gods hart, die niet met andermans veren pronkte, geen gestolen titel voerde maar dat alles liet voor wat het is en zich ontledigde, kortom: deze 'uit het pantheon boos weggelopen verloren zoon‘ [Van der Graft] in de gestalte en met de statuur van een slaaf en zo Hagar [hebr. ha ger, de vreemdeling] in alles nabij. [6] 
Uit zulke verhalen en ervaringen kennen we God en je kunt daarmee uitleggen dat geloven misschien zo gek nog niet is. [7] Het is klein en kwetsbaar begonnen met Abraham. Dat spoor noemen we thora, geen heerbaan maar een zanderig karrenspoor, vaak lijkt de weg onvindbaar of dood te lopen. Verhalen over gesjochten types, geen wijze of invloedrijke mensen, geen hoge adel [1 Korinthe 1,26], vaker vallen dan opstaan, moeizame bevallingen, en natuurlijk zegt dat iets over de Naam die daarin aanwezig kómt, over zijn keuze voor de marge, lijden en onmacht als middelen om de wereld te veranderen: dwazen brengen wijzen tot inkeer, zwakken nemen sterken op sleeptouw [1Kor 1,27, en ook Teilhard de Chardin].
Dit is de rode draad in de verhalen over Kaïn en Abel, Abraham en Lot, Izak en Ismael, Jacob en Ezau, Juda en Jozef, de mens en zijn broer, Israël en de volkeren. Verkiezing wil zeggen: de last van het geheim dragen met het oog op de anderen. Wat simpeler gezegd: als kleine groepjes stug volhouden om de verhalen te lezen, een keertje extra willen oefenen in de cantorij, niet de neus optrekken voor een baantje in de organisatie en bereid zijn om jaarlijks ook een fiks bedrag neer te tellen dan, ja dan kan de rest naar Zandvoort [vgl Hand. 15, 19-20].
En van Zandvoort gesproken: Ismaël is duidelijk geen gesjochten type, eerder een gele trui drager. Rembrandt heeft Abraham getekend terwijl de Heer incognito maaltijd met hem houdt. Ismaël hang bij die gelegenheid over een muurtje om een hert of konijn te schieten. Ook in bed staat hij zijn mannetje, in een ommezien heeft hij meer dan een elftal verwekt: ‘twaalf stamvorsten, elk met hun eigen nederzetting en tentenkamp‘ [Gn 25,16]. Vergelijk dat maar eens met het armoedige geknoei van Jacob met vier vrouwen om datzelfde aantal te halen. Izak wordt een wilde ezel genoemd, symbool van de woestijn [8]:  vrij als vogel maar ook vogelvrij, 'zijn hand tegen allen en allen tegen hem'. [9] Een samenleving die je misschien nog het beste kunt vergelijken met die van de krijgsheren in Afghanistan. [10]

Bij oppervlakkige lezing lijkt de Eeuwige precies te doen wat Sara wil. Toch is het een heel ander verhaal. God onderscheidt, Sara brengt scheiding; God mikt op alle mensen, Sara gaat voor huis en haard. [11] Als Izak van melk op vaste spijs overgaat, is het feest, immers: de meeste kinderziekten heb je dan met succes doorstaan, je levenskansen zijn aanzienlijk gestegen. Uitgerekend bij die gelegenheid is Ismaël Sara teveel, zij wil dat Abraham hem als ongewenste vreemdeling uitwijst. [12] In de Septuaginta [13] staat dat Ismaël [met Izak] en aan het spelen was, en juist dat vredige tafereel zet kwaad bloed. Om het gedrag van Sara goed te praten, staat al in de Hebreeuwse tekst dat Ismaël lachte of spotte, een joodse traditie beweert zelfs dat Ismaël zijn halfbroer met pijl en boog bedreigde, in die lijn schrijft Paulus later dat Ismaël Izak vervolgde, naar het leven stond [Gal 4,29].
Het is duidelijk: tijden en gelegenheden kleuren de teksten, die binnen de horizon van elke tijd worden gelezen en uitgelegd. De verwikkelingen in Abrahams tent zijn tot op vandaag tastbaar, maar ze vormen geen barrière voor vrede in het Midden-Oosten. Ook in de Koran voedt het verhaal nergens haat, de lastigste passages krijgen niet eens aandacht. [14] Anders gezegd: als zonen van hetzelfde huis [Ps 133,1] zouden Israël en de Palestijnen samen hun winst kunnen doen met zoiets als een Benelux. Na alle ellende begraven Ismaël en Izak samen hun vader [Gn 25,7]. En als Ezau later ontdekt dat zijn vader Izak not amused is als hij Kanaänitische meisjes het hof maakt, gaat hij naar Ismaël en kiest diens dochter Machalat als vrouw [Gn 28,8-9], en ze leefden nog lang en gelukkig. Moge vrede de giftige planten van haat die hele generaties na elkaar over en weer dreigen te overwoekeren, genezen.  

-----------
[1] De oorspronkelijke etiologie is onbelangrijk geworden, alleen al omdat Ismaël niet eens meer in het diepe zuiden geboren wordt. Tijdens de redactie in de Babylonische ballingschap was de historische samenhang met  stamverwante volkeren in Noord Arabië vervaagd. In 16, 8–11 neemt de bode driemaal het woord, hetgeen de indruk wekt dat er meerdere handen aan het werk waren. Het bevel om terug te keren, effent de weg voor het tweede verhaal maar de naad blijft zichtbaar: het kind wordt op de schouder van Hagar gelegd [21,14] maar Ismaël is op dat moment al 17 jaar oud [voor wie het na wil rekenen, zie: Gen 21,4; 16,6; 21,5]. De belofte van nageslacht [16.10] wordt gedaan voor er van een zwangerschap sprake is, anders gezegd: vers 8 sluit direct aan op vers 11. De belofte van een groot volk is geen thema voor Abraham maar past bij de gedunde rijen na de ballingschap, zoals het verbond eerst alleen een belofte is maar tijdens de ballingschap iets wederkerigs wordt: de sabbat als een tempel in de tijd en de Thora als land van belofte met de besnijdenis als bezegeling. Het verbond [met de landbelofte] geldt niet Ismaël maar Izak, daarom wringt het enigszins dat de besnijdenis als teken van het verbond het eerst aan Ismaël voltrokken wordt [Gen 17,23]. Zie: Ernst Axel Knauf, Ismael, Untersuchung zur Geschichte Palestinas und Nordarabiens im 1. Jahrtausend v. Chr. [Abhandlungen des Deutschen Palästinavereins Otto Harrassowitz], Wiesbaden, 1985. Thomas Römer, Isaac et Ismaël, concurrents ou cohéritiers de la promesse? in: Etudes Théologiques, l'Institut Protestant, Montpellier, Tome 74.
[2] Abraham is bang dat Farao [G13] en later Abimelech [G20] hem zullen vermoorden om de beeldschone Sara het hof te kunnen maken. Daarom 'geeft hij haar uit' voor zijn zuster. Zo wordt hij de pooier van Sara en loopt hij het risico dat de zoon van de belofte nota bene door Farao verwekt zal worden. Volgens een oude midrasj steekt de Eeuwige daar een stokje voor: op het moment suprême krijgt Farao steeds een verschrikkelijke jeuk aan zijn snikkel. Uiteindelijk zijn deze buitenlanders meer betrouwbaar dan Abraham: overladen met geschenken wordt hij uitgewezen, kortom: "Iets aan de joden blijft verbazingwekkend: de vernietigende belediging door de profeten. Een volk dat zulke beledigingen in zijn geloofscanon opneemt." [Elias Canetti]
[3] Vgl Claus Westermann, BK I,14, 1979, S288. Abraham geeft Hagar terug in Sara’s hand  [[G16,6a]. Hand staat voor geweld, weglopen is het begin van emancipatie: e manu capere. Zo werd Hagar een rolmodel voor slaven. Vergelijk Gen 16,8: vanwaar kom je en waar ga je heen? Op de eerste vraag volgt een antwoord, het tweede is altijd het probleem: 'Alsof zijn blik haar op de rug had getikt / om naar haar papieren te vragen, draaide zij zich om met / die nerveuze glimlach van emigranten die dicht bij tranen ligt.' [Derek Walcott, Omeros, 1992, p222].
[4] Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, een Winterverhaal [1947] Amsterdam 1971, 21e dr p.196
[5] Er ist Gott selbst in menschlicher Gestalt. Dieses merkwürdige Schillern zwischen einem göttlichen und einem menschlichen Subjekt – die Alten haben geradezu von einer Zweinaturenlehre gesprochen. Gerhard von Rad, Das erste Buch Mose, ATD, Göttingen 1972, S150. Idem Claus Westermannn BKAT, I,14, 1979, S300:  ‚Es wäre dann möglich, das Bekenntnis  ‚wahrer Gott und wahrer Mensch‘ nicht primär aus griechischen Denkformen, zonder vom AT her zu verstehen. Dem wäre weiter nachzudenken.‘ Wat de tekst betreft handhaaft het ‚geboortekaartje‘ zich over een tijdspanne van meer dan duizend jaar: groet, aankondiging, zwangerschap, geboorte, naam en profielschets, zie: G16: 8; 25,22, Ri13,5, Jes7,14, Lk1,32.
[6] Parafrase van Filippenzen 2,6-7, in de fraaie vertaling van André Chouraqui: Qui subsistant en forme d’Elohîm, n’a pas estimé un butin le fait d’être égal à Elohîm, mais il s’est vidé lui-même, pour prendre forme d’esclave, devenant à la réprique des hommes, et, par l’aspect, trouvé comme un homme.
[7] Atheïsten spreken altijd met twee woorden: overtuigd atheïst. Zijn wij dan misschien de niet overtuigde atheïsten en luisteren we ons daarom deze verhalen te binnen?
[8] Jes 32:14 Want de burcht ligt verlaten, het rumoer verstomd [] een vreugde voor de wilde ezels. Jer. 2:24 Gij wilde ezelin, gewend aan de woestijn, die in haar felle lust de wind opsnuift; haar bronst, wie zal die keren? Jer. 14:6 En de wilde ezels staan op de kale heuvels te happen naar lucht gelijk de jakhalzen, hun ogen smachten, omdat er geen kruid groeit. Hos. 8:9 Een woudezel zoekt zich nog eenzaamheid, maar die van Efraïm zoeken liefde voor geld. Ps 104:11 Wilde ezels lessen hun dorst. Job 6,5 Balkt de wilde ezel bij het groene gras? Job 11,12 Als een leeghoofd tot inzicht gebracht kan worden, kan het veulen van een wilde ezel als mens geboren worden. Job 24,5 Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof. Job 39,5 Wie heeft de wilde ezel zijn vrijheid gegeven?
[9] Het gedicht Wie zijt gij Mahomed [in de bundel Aya Sofia, Utrecht 1886] van de priester-politicus Schaepman [1844-1903], eindigt als volgt: Ismaël herrezen,/ Niet om op Sarahs zoon te smalen, als voordezen/ Door Hagars stem geleerd, maar om door eeuw op eeuw/ Geoefend, eindelijk den ijdelen Hebreeuw/ Te werpen in het stof en juichend te zien vallen/ Vernederd en verlaagd; uw hand is tegen allen,/ Geen hand is met u, maar aan uw zijde gaat/ Naast fel gezweepte woede uw nooit gebluschte haat!
[10] De tekst spiegelt niet zonder respect de schermutselingen tussen vreedzame stedelingen en de [karavanen] plunderende tribale cultuur van de bedoeïenen, nadat de door Jesaja [44,28-45,1] messias genoemde Perzische Cyrus II [Kores] de ballingen ca 538 met hun tempelschatten uit Babel liet terugkeren. Opvallend positief over Ismaël is Von Rad: 'ein würdiger Sohn seiner aufsässigen und stolzen Mutter [] der seinem Nacken keinem Joche beugt' [ATD 2/4, 1972, S151].  De joodse schrijver  Abarbananel [16e eeuw] leest G16,12 als twee zinnen: Zal hij een wilde woestijnezel zijn? Neen, want zijn hand is op ieder en ieders hand is op hem dwz hij drijft handel met vele volken en culturen. Ook Malbiem [19e eeuw] onderscheidt zich in die geest gunstig van de meer negatieve commentaren.
[11] Als de beloofde zoon niet komt, overweegt Abraham om zijn nalatenschap aan zijn knecht Eliëzer te vermaken [G15,2], onmiddellijk daarna komt Sara met het plan rond Hagar [G16,2].
[12] Hetzelfde werkwoord wordt gebruikt als Adam en Eva het paradijs verspeeld hebben [G3,24] en als de oorspronkelijke bewoners het beloofde land worden uitgebezemd [Ri 2,3 en 6,9].
[13] Septuaginta de vertaling van Tenach in het Grieks [250–50 v Chr], vlgs de legende door 70 rabbijnen [alle toen bekende landen van de wereld].
[14] Ibraham brengt Hajar en Ismaïl naar een vallei in Arabië en laat ze daar nadat God beloofd heeft voor hen te zullen zorgen. Later restaureren Ibrahim en Ismaïl samen de door Adam gebouwde Ka'aba. En zoals pelgrims in Mekka beginnen met de tawaaf: een processie tegen de klok in rond de heilige kubus, zo rennen zij in de woestijn zeven maal heen en weer tussen de heuvels Saf en Marwah waar Hajar de ogen geopend werden voor de Zamzambron.

bewerking van een toespraak
9 december 2012 in Kapel de Olijftak, Brasschaat; 30 december 2012 in de Grote Kerk Dordrecht.

liturgiesuggesties

ter inleiding op kyrie [en gloria]
woorden van Andrea Voigt
uit de bundel: Serveer de makrelen [2008]

Biecht
God die al dan niet bestaat
ik zit aan de voet van die ene toren
waar de stadsmuur afgebroken is
de klokken galmen door elkaar
daar dus en ik moet wat zeggen
ik heb geslagen en gevloekt
er staat een mandarijnenboom
er klinkt een vreemde roep die harder wordt
een van de vogels misschien
ik heb geschreeuwd om kinderen te verjagen
gedronken om alleen te kunnen zijn
te veel gedronken om het te onthouden
soms dacht ik dat ik iets belangrijks wist
liefde vond om door te geven aan het nageslacht
als dat weer een keer gebeurt
dan zal ik bidden

collectagebed
voorafgaand aan de lezingen: Gen 16,1-16; 21, 8-21

woorden van Van der Graft
uit de bundel: Praten tegen langzaam water [2007]

Mensentaalvormige die in een wolk van
sagen vooropgaat, jou kan ik haten,
tegen je praten, hallo zeggen, met wie

zwijg ik, zelfs gaandeweg van je houden, on-
wennig. Laat mij maar doen of je bij me bent,
een morgen die wakker wordt in de nacht,

een mens die zich tegen de traagheid
verzet van de ontwijkende tijd,
de dood die stilstaat. Jij, uit het pantheon

boos weggelopen verloren zoon! Jij, want
de rest is rigide alleen maar god.

luisterlied na de toespraak:
Leonard Cohen, Show me the place
http://www.youtube.com/watch?v=WCtoVoE5Mm4

Show me the place
Where you want your slave to go
Show me the place
I’ve forgotten, I don’t know
Show me the place
For my head is bending low
Show me the place
Where you want your slave to go
Show me the place
Help me roll away the stone
Show me the place
I can’t move this thing alone
Show me the place
Where the World became a man
Show me the place
Where the suffering began
The troubles came
I saved what I could save
A thread of light
A particle a wave
But there were chains
So I hastened to behave
There were chains
So I loved you like a slave
Show me the place
Where you want your slave to go
Show me the place
I’ve forgotten, I don’t know.

voorbeden
Naam ons te boven
woord ons altijd vooruit en te vlug af
woord waarmee wij geschapen zijn
geroepen naar jouw beeld

woord dat ons niet los laat
jij ons of wij jou ?
getwijnde draad
jij die
in ons aanwezig
kómt

verhalen over mensen
jouw naam op het spel,
in geding

en wij jouw
sprekend evenbeeld
tot vrijheid geroepen
geen willekeur, niet onverschillig
maar bevrijdend
weg uit het diensthuis
weg van onderdrukking en verslaving
weg van angst en zelfhaat

jij,
die je schepping uit handen gaf
geen rampen kan afwenden
niet kan vergeven wat wij elkaar aandoen
de holocaust niet kon voorkomen
geen ziekten op ons dak stuurt of wegneemt

er is alleen jouw stem
verhaal op onrecht
tegenstem
in mensen tot inkeer
ego's die zich hun kracht schamen
breken met het kwaad
en zo goed als God
jouw liefde doen:

niet te dragen schuldenlast vergeven
werken aan nieuwe medicijnen
tegen de kanker, aids en a.l.s
natuurrampen en epidemieën
niet afwentelen op de
allerarmsten
advent
komende wereld
jouw aanschijn
jouw komst
Jeruzalem nieuw
van alzo hoge
en zie…

het stratenplan,
vogels en bomen, rivieren en vissen
het is onmiskenbaar Babel
het werk van onze handen
de stad van onze ballingschap

nieuw
hemel en aarde
verzoend

wees dan
een vuur
aan onze schenen
laat niet af



 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Stefanus kroongetuige 6,10-15; 7,54-60

 

suggesties voor een gesprek met kinderen

In het credo van Remco Campert wordt het onmogelijke waar:
    ik geloof in een rivier / die stroomt van de zee naar de bergen
    ik vraag van de poëzie niet meer / dan die rivier in kaart te brengen.
Kouwenaar noemde het schrijven van poëzie: vechten tegen de bierkaai.
    Ik heb nooit naar iets anders getracht dan dit:
    het zacht maken van stenen
    het vuur maken uit water
    het regen maken uit dorst.

Op de grens van koor en schip een stapel stenen. Stefanus: niet de eerste, niet de laatste uit een lange rij van mensen, gemarteld om hun overtuiging, gestenigd omdat ze om liefde gingen. Ruimt de stenen weg [1]. Onder de opzwepende koorklanken uit Mendelsohns oratorium Paulus worden de stenen weg geraapt: Steiniget ihn. Steiniget ihn. Er lästert Gott, er lästert Gott; und wer Gott lästert, der soll sterben [2]. Bij de communie, staande in een kring, keren de kinderen terug met de inmiddels aan een kant hemelsblauw geschilderde stenen, die ze in een strakke cirkel leggen: Stefanus betekent krans, - Liedboek, gezang 85 is aan deze kroongetuige gewijd en opent met de regel: De hemel is opengesprongen.
 

Een andere insteek: de kerkelijke kalender, die op 26 december van liturgische kleur verschiet, van een witte kerst naar de kerstroos, het rood van Stefanus, de gestenigde. In de Scandinavische en Engelse middeleeuwen ontstonden gretig verbeelde legenden om Stefanus en kerst te verbinden.  Stefanus zou als kok van Herodes geprobeerd hebben om de kindermoord van Bethlehem [28 december] te voorkomen, een reeds gebraden haan schiet hem daarbij te hulp. De slechte verliezer laat Stefanus stenigen. Gabriël Smit verzamelde deze volkse wijsheden in Het jaar van de Heer, daarin staatook deze ballade uit de 14e eeuw:
    Koning, ik voorspel uw dood, uw rijk gaat snel voorbij.
    Een nietig kind in Bethlehem is machtiger dan gij.

    Het was nog niet gezegd of hoor: het dier sprong van de schaal,
    luid kraaiend: Christus natus est, door de ontstelde zaal.
stefanus-4stefanus-5

Stefanus,- verhaal van een open zenuw [3]
'Volgend jaar in Jeruzalem.' Aan het eind van de seder op Pesach overstijgen deze woorden alle verschillen en stromingen binnen het Jodendom: de komst van de Messias, stad van eindelijk vrede wereldwijd. Stad en land zijn vanuit de diaspora alle eeuwen door financieel ondersteund. Rond de hoge feesten stromen pelgrims uit de hele wereld binnen om er voor langere tijd te komen wonen of die hun buitenlandse bezittingen verkochten om er bij te zijn als de lang verwachte doorbraak van het Godsrijk zich zou realiseren.
De in Auschwitz afgestudeerde politicoloog M.S. Arnoni schreef: Moeder was niet thuis voor haar begrafenis. De titel drukt uit waarom het als vuil verbranden van de vermoorden extra schrijnt: Joden van altijd en overal worden zo dicht mogelijk bij en ik elk geval richting Jeruzalem begraven om op het teken van de Messias uit de startblokken te schieten. Bejaarden keerden uit de diaspora terug naar Jeruzalem met het oog op hun begrafenis. Het verklaart misschien het begin van Handelingen 6: de grijze golf van Grieks sprekende weduwen waar Handelingen 6 mee opent met als gevolg: een tekort aan mantelzorg en krapte bij de voedselbank [4].

Een ander stukje uit de legpuzzel. Als de eerste ballingen uit Babel terugkeren, schouwt Zacharja de toekomst van het nieuwe Jeruzalem: een open stad zonder muren of firewall, dorpsgewijs bewoond, multicultureel in de beste zin van het woord [2,8]. Volgens de Talmoed waren er vlak voor de verwoesting van deze tweede tempel door de Romeinen in 70 n.C. niet minder dan 470 synagogen in Jeruzalem. Alles conform de witz over een Jood die aanspoelt op een onbewoond eiland en onmiddellijk met de bouw van twee synagogen begint: een om naar toe te gaan, de andere om wat er ook gebeurt nooit binnen te gaan. Elke wijk een eigen sjoel, zo ook: elke windstreek en tongval uit de diaspora [5].  Het was dan ook geen wonder dat zovelen zich aangesproken wisten door de eerste preek op Pinksteren [2,9-11]. Wie een andere taal spreekt, ademt ook een andere cultuur. Voor de Hellenisten was de tempel/dienst letterlijk ver achter de horizon gezakt. In den vreemde werd de sabbat een tempel in de tijd, zoals de Thora beloofd land werd: grond onder de voeten, houvast. Mozes lazen ze meer naar de geest dan naar de letter, en ze moesten ook wel: alleen al om normaal met je buren om te gaan. Ze leefden in de verwachting van de late profeten: de uitstorting van de Geest, de besnijdenis van het hart, het offer van de gebeden en de gojim die zich samen met hen aan Jeruzalem wilden oriënteren. En zoals het Palestijnse Jodendom vele vleugels kent zo zijn er onder de Hellenisten verschillen. Elke verhuizing is een ontworteling, - soms leidt dat tot kramp om het oude en vertrouwde vast te houden, vaker wordt de horizon breder en de blik verruimd.

Verschillen binnen het pluriforme Jodendom beginnen nu ook in de kring van mensen met fiducie in Jezus op te spelen. In Handelingen 6-7 zien we de wegen uiteen buigen, het begin van een scheiding van geesten en op termijn: de ontsporing [6]. De problemen ontstaan omdat het zo goed gaat, steeds meer mensen kiezen voor de weg [7]. En dan ontstaat er gemurmureer, het werkwoord verwijst naar een hobbel, een stremming in de geschiedenis van bevrijding uit de slavernij [8]. Aramees en Grieks sprekenden, Palestijnen en Hellenisten zien elkaar niet meer staan. Breuken zijn per definitie complex maar het praat en knokt gemakkelijker met een sterk verwijt, iets dat telt en zich gemakkelijk laat vertellen, al het andere kan dan onder de noemer, onbenoemd blijven. Wat telt is de discriminatie van Griekstalige weduwen die tekort gedaan worden bij de voedselbank.

De tekst is lastiger te interpreteren dan je denkt. Lukas geeft opening van zaken zonder het achterste van zijn tong te laten zien. Er ontbreken stukjes of er zijn twee puzzels door elkaar geraakt? Mogelijk heeft Lukas zijn eigen redenen om feiten en verschillen wat te verdoezelen? Hoe dan ook: de twaalf apostelen kiezen er niet voor het homeopathisch huismiddel van de latere kerk om eerst nog een tijdje aan te modderen. Ze dicteren ook geen oplossing maar roepen iedereen bijeen en doen een voorstel: de verkiezing van zeven wijze mannen, die het probleem gaan aanpakken [9], waardoor de twaalf zich meer op het gebed en de dienst van het woord kunnen richten [10]. Aldus geschiedt.

Het voorval staat bekend als de instelling van het diaconaat. Maar dat woord wordt niet gebruikt, en het lijkt dus een interpretatie achteraf: met de kennis van nu vooral. Wie elke dag de doorbraak van het messiaanse rijk verwacht, is niet geïnteresseerd in een ambtstheologie. Bovendien: Stefanus en Philippus gedragen zich niet als diakenen. Zij beginnen onmiddellijk te preken en te dopen. Het is ook opvallend dat de gemeentevergadering uitsluitend mannen met Griekse namen kiest. Nikolaüs, de laatstgenoemde, is zelfs een proseliet. Het lijkt toch meer op een tweedeling in een Palestijnse en een Hellenische gemeente, waarbij we: twaalf staat tot zeven[tig] wel mogen lezen als Israël en de volkeren. Petrus en Johannes zijn de voortrekkers in de Palestijnse gemeente terwijl Stefanus en Philippus bij de Hellenisten de aanvoerdersband dragen. In PKN-jargon zien we een buitengewone wijkgemeente ontstaan, zoals er ook een bonte verscheidenheid aan synagogen bloeit.

En ook hier zijn twee mentale gemeenten meer dan 1 + 1. Als het compromis de lieve vrede moet bewaren, ontstaat stroperigheid waarin uiteindelijk niemand zich thuis voelt: veranderingen gaan in dat geval nooit sneller dan de zwaarste kan lopen. Zodra er meer smaken zijn, worden er ook meer mensen bereikt. De boedelscheiding is nog niet beklonken of vele priesters vinden vrijmoedigheid om zich bij de Palestijnse gemeente te voegen [6,7]. Na de scheiding is het probleem van de zuiverheid in relatie tot vreemdelingen - dat straks rond Paulus in alle perversie, haat en geweld zal terugkeren [21,26-28] - voor de priesters voldoende bezworen om toe te treden. Omgekeerd trekt het van nationalisme en samenhangende gevoeligheden bevrijde Hellenisme eveneens nieuwe mensen aan.[11] De achterstelling van Griekse weduwen was de aanleiding maar het conflict ging en gaat om de interpretatie en het tegoed van Tenach, om doop en besnijdenis.

stefanus-7

Jeruzalem gezuiverd van andersdenkenden 6,8-15, 7,54-8,3
Godsdienst, - we kunnen er niet omheen: godsdienst zou geen godsdienst zijn als de kanker van haat zich niet opnieuw uit zou zaaien. Waarheid met de reikwijdte van oogkleppen: andere visies - en op termijn dan altijd ook anderen - mogen er niet zijn. Jodendom, christendom en islam ontlopen elkaar op dit punt historische gezien niets. Waarom zijn verschillen in geloof, ethiek of seksuele geaardheid zelden iets om je over te leren ! verheugen maar altijd een excuus om geweld te gebruiken? Elk geloof maakt zich daarmee onmogelijk: niet te harden achterlijkheid, het verraad van de Naam. Immers: de zegen van transcendentie bewijst zich als de Gans Andere, schuilnaam voor alles dat anders is dan jij. Als dit abc van het geloof al ergens herkend en beleden wordt, is het in de marge, alle macht verloren, een plek om uit te huilen en opnieuw te beginnen.
Kort na de scheiding van geesten gaat het al mis. Stefanus wordt door valse getuigen aangeklaagd en terwijl ene Saul op de garderobe past, gelyncht: slachtoffer van versteende religie. Terwijl hij nog boven aarde staat, breken zware vervolgingen uit. Jeruzalem: gezuiverd van andersdenkenden, van vreemde smetten vrij.
Een kleine zijsprong naar de politieke verhoudingen is verhelderend [12]. In Galilea en Perea regeert viervorst Herodes Antipas [20vC-39nC]. In Rome werd hij verliefd op Herodias, de vrouw van zijn halfbroer Filippus. Johannes de Doper gispt de nieuwe verbintenis, wordt gevangen gezet en nadat een wervelende dans van Salomé de hoofden van de mannen verhit heeft, neemt haar moeder Herodias wraak: zij eist het hoofd van Johannes op een schotel [13].
Tot die tijd was Antipas gehuwd met de dochter van Aretus, koning van Nabatea [een gebied binnen het huidige Syrië, Jordanië en Saoedi Arabië]. Door de echtbreuk escaleert een grensconflict met de schoonvader tot een casus belli. Antipas krijgt een geducht pak slaag. Keizer Tiberius schiet zijn bondgenoot te hulp met twee legioenen onder bevel van Vitellius Germanicus, de in 35 benoemde gouverneur van Syrië, die eerder al orde op zaken stelde onder de Parthen en op Cicilië. Ook een klacht over het bloedbad dat Pontius Pilatus onder de Samaritanen heeft aangericht wordt door hem behandeld: de stadhouder moet zich in Rome gaan verantwoorden voor de keizer.
Vitellius is vaak van huis om uitslaande branden te blussen. Hij heeft belang bij rust onder de vele korte lontjes in die smalle zandbak langs de Middellandse zee. Anders dan zijn voorgangers kiest hij voor de onder het gewone volk populaire Farizeeën en minder voor Herodes en de Sadduceeën, de corrupte kliek rond de tempel.
Vandaar de herkenbare omslag in Handelingen: eerst zijn het de Sadduceeën die de apostelen de voet dwars zetten omdat zij iets verkondigen waar de Sadduceeën niet in geloven: de opstanding der doden [4,2; 5,17], maar zodra de Farizeeën de bovenliggende partij zijn, moeten de Hellenisten het ontgelden. De Palestijnse gemeente onder leiding van Jacobus heeft zich over die omslag richting 'verkramptes' verheugd: ook zij verwachtten de nadering van het vrederijk in het verlengde van nauwgezette vervulling van de Thora. Tijdens de zuivering van Jeruzalem waarbij de Hellenisten over Judea en Samaria verstrooid worden, staat er expliciet bij dat de apostelen [en hun gemeente]  buiten schot blijven [8,1b].
Als Vitellius in 37 tegen zijn zin de schoonvader van Antipas de les zal lezen, wordt het plan voor het goed en wel begonnen is afgeblazen omdat plotseling Tiberius sterft. Tijdens de onbestemde, eerste jaren van diens opvolger Caligula breken rustiger tijden aan en keren de Hellenisten terug:  'de gemeente door heel Judea, Galilea en Samaria had vrede, zij werd opgebouwd en wandelde in de vreze des Heren.' In diezelfde tijd doet de eerder door Lukas al tussen de coulissen geplaatste Saul zijn grote ontdekking: 'visie is een kwestie van verblinding' [Bernlef].
Terug naar Stefanus. Zijn opvallende optreden wekt weerstand bij de behoudende stroming binnen de Hellenistische synagogen. Zij misgunnen het succes, ergeren zich aan zijn scherpe tong [7,51-52] en de manier waarop tegen heilige huisje geschopt wordt [7,37,42,43,49,50]. Als zij in het reguliere debat niet kunnen winnen, worden valse getuigen gekocht. Het zingt zich snel rond: Stefanus maakt zich schuldig aan godslastering, - het omlaag halen van God en Mozes, de tempel en de thora. De oudsten, de schriftgeleerden en de heffe des volks vinden elkaar in de gevoelens, die de eeuwen door handelsmerk van het geloof zijn: gekwetstheid en verontrusting.
De aanklacht is woordelijk gelijk aan die tegen Jezus: een andere interpretatie van de Tora en de metafoor over de afbraak en opbouw van de tempel.[14] Ook toen was sprake van valse getuigen met vilein verdraaide verwijten. Heel opvallend is dat Lukas de door Marcus en Mattheus vermelde feiten in zijn evangelie weglaat om ze van pas te laten komen in het verhaal over Stefanus: zoals het de Heer vergaat, alzo zij zijn gemeente, zijn lichaam, levend op de adem van zijn Geest. Een literaire vondst: dichter kan hij kruis en opstanding, de gemeente onder het kruis en de opgestane Heer niet bij elkaar brengen. En evenals Jezus bidt ook Stefanus voor zijn vijanden en sterft hij met een psalm op de lippen [15].
Kort daarvoor ziet hij de hemelen [16]  geopend en 'de zoon des mensen staande ter rechterhand Gods'[17]. Het is enige keer in het NT dat de uitdrukking niet door Jezus zelf in de mond genomen wordt. De woorden komen uit de apocalyptiek [18].  Het is een hoogheidstitel, die de volmacht van voldragen humaniteit uitdrukt. Ook de subtiele verandering waarmee Lukas de psalm citeert, is veelzeggend. Jezus zit niet ter rechterhand maar is er bij gaan staan zoals een trainer die de dug-out verlaat: zo ver waagt hij zich [19],  zover gaat de identificatie [20]  altijd en overal waar 'God gebeurt' op aarde. Jezus naast en aan God gelijk. Dat gaat het gepeupel te ver. Knarsetandend van woede en met beide vingers in de oren om zich tegen de blasfemie te beschermen rapen ze stenen. Maar de overwinning is al beklonken: Kom levensadem, en blaas in de vermoorden opdat zij leven.      

stefanus-8stefanus-9
INTERMEZZO, - de kei der waanzin
vrome mannen begraven Stefanus en houden een luide dodenklacht voor hem [8,2].
 
Ende al sijn de scape siec ende seer, si en salvense niet;
en de ghequetst ende te broken, si en verbendense niet
Jan van Ruusbroec,
Vanden gheesteliken tabernakel, dl 2, CXXIII

Kon je háár maar zien die zonder jou slaapt in een in het geheugen ingestorte tuin. Dronken van duizend doden spreek ik daar met mezelf, alleen maar om te weten of het waar is dat ik onder de graszoden lig. De namen ken ik niet. Wie zal je zeggen dat je het niet weet? […] En nu speel je slavin om je kroon te verbergen - wie kende je die toe? wie heeft je gezalfd? wie heeft je gewijd? Het onzichtbare volk van de oudste herinnering. Uit eigen beweging verloren, je ziet af van je koninkrijk vanwege de as […]

Maar spreek niet van tuinen, spreek niet van de maan, spreek niet van de roos, spreek niet van de zee. Spreek van wat je weet. Spreek van wat trilt in je merg, en schaduw en licht in je oogopslag legt, spreek van de onophoudelijke pijn in je botten, spreek van de duizeling, spreek van je adem, je verwoesting, je verraad. Het proces waartoe ik me dwing is zo donker, in stilte gehuld. O, spreek van de stilte. […]

Gestorven zijn in wie men was en in wie men beminde, wel en niet zijn tegengesteld als een stormachtige en terzelfdertijd helblauwe hemel. […]

In rouw gedompeld, stukgescheurd visioen van een tuin met vernielde standbeelden. Bij het krieken van de dag deden je botten pijn. Je scheurt je open. Ik voorkom en voorkwam het je. Je legt de wapens neer. Ik zeg het je, ik zei het je. Je ontbloot je. Je werpt jezelf af. Je valt uiteen. Ik had het je voorspeld. Plots verbrokkelde het: geen enkele geboorte. Je draagt je, je verdraagt je. Alleen jij hebt weet van dit gebroken ritme. Nu jouw restjes, één voor één oprapen, met grote spoed, waar laat je ze achter? Was ik dichterbij geweest, ik zou mijn ziel verkocht hebben in ruil voor onzichtbaarheid. Dronken van mij, van muziek, van gedichten, waarom zei ik niet van het gat van afwezigheid? Over mijn gezicht zwierf geschreeuw in een haveloze hymne. Waarom zeggen ze niets? En waarom deze grote stilte? [21]

stefanus-10

 

Ajejandra Pizarnik, Argentinië [1936-1972] dochter van Joods-Russische migranten, studeerde literatuur en filosofie in Buenos Aires. De hele familie op één na werd uitgemoord door de nazi's. Een oom in Parijs: ze studeerde er Franse Literatuur en werkte als freelance journaliste [1960-1964]. Na twee mislukte pogingen tot suïcide verbleef ze twee jaar in een psychiatrische inrichting tot zij op 26 september 1972 voldoende slaappillen had.
Ajejandra schreef zeven dichtbundels. Verlies, stilte, zelfmoord, waanzin, eenzaamheid en de niet te overbruggen afstand tot de anderen zijn haar thema's.  De geciteerde fragmenten komen uit het prozagedicht: Ectracción de la piedra de locura [1964],- Het snijden van de kei der waanzin. De titel verwijst naar De kei snijding van Jeroen Bosch [Prado, Madrid]: een kwakzalver opent de schedel van een krankzinnige om de kei der waanzin weg te nemen.

 

De pleitnotities van Stefanus 7,1-53
Inmiddels is minder dan de helft ons aangezegd. Een lange verdediging voor het Sanhedrin gaat aan de moord door de woedende meute vooraf. De verbeten wil om Stefanus tot zwijgen te brengen, heeft hem niet van zijn stuk gebracht, integendeel: eerder geprikkeld en geïnspireerd. Iedereen kan het ook aan hem zien. Nog voor hij iets gezegd heeft, glanst zijn gezicht als dat van een engel. Een lichtend aangezicht zoals dat van Mozes na zijn onderhoud met de Eeuwige [22].  Tweeënvijftig verzen, nagenoeg heel het zevende kapittel heeft Lukas ervoor nodig. Toch zijn het geen pleitnotities, eerder de inbreng van een getuige-deskundige. Het lijkt nog het meeste op een preek zoals die in Hellenistische kring gehouden zou kunnen zijn.
En waarom ook niet? Gedurende een aantal jaren heb ik 'het voorrecht' gehad kort gedingen bij te wonen over mijn eigen werk/situatie. Hoewel de problemen me natuurlijk heel vertrouwd waren, voelde ik soms een enorme vervreemding alsof het over iets heel anders ging. En misschien zouden de vele palavers van kerkelijke colleges aanzienlijk bekort zijn als er één keertje een dienst of een ander experiment was bijgewoond. Recht en werkelijkheid verhouden zich als abstractie tot 'de ruimte van het volledig leven'. In De Gebroeders Kamarazow ontkent Iwan elke vorm van schuld aan de moord op z’n vader, maar dat hij zich persoonlijk verantwoordelijk weet, hoeft de griffier niet op te schrijven. Omgekeerd is Jigal Amir - die Yitzhak Rabin neerschoot - schuldig aan moord maar evenzeer het tragische slacht­offer van een geperverteerde religie.
Later in Handelingen horen we van Eutychus: een jongeman, die terwijl hij in de vensterbank naar een lange preek van Paulus luistert door slaap wordt overmand en van de derde verdieping naar beneden valt [20,9]. Wie de balsturige maar ook saaie toespraak - die Lukas Stefanus in de mond legt - leest, kan het zich voorstellen. Het is een 'kort begrip' van Tenach: Abraham, Jozef, Mozes, Jozua, David en Salomo als de belangrijkste stapstenen plus een scherp oog voor historische dieptepunten: het gouden kalf en de tempel als gouden kooi. De toepassing liegt er niet om: de zonde tegen de Heilige Geest, de profeten vervolgd en gedood, en recent: het verraad en de moord op Jezus. Van zulk dik hout mogen planken gezaagd worden maar er wordt geen mens door tot inkeer gebracht. Integendeel, het effect is averechts: je kweekt ermee wat je bestrijden wilt: hakken in het zand, harde nekken, onbesneden oren en harten.
Een gemiste kans, een mislukte preek. Waarom het sanhedrin niet de goed Hellenistische spiegel van Jona voorgehouden? Israël niet geroepen en apart gezet om een autistisch nationalisme te koesteren maar om voor Palestijnen en alle andere volkeren tot een zegen te zijn? [23] De hardleerse Jona, die zijn vlucht bijna met de verdrinkingsdood moet bekopen, opgeslokt en daarna uitgekotst door een grote vis. En dan doet hij het weer. Hij verzaakt. Hij verleidt Ninevé niet tot omkeer maar voorspelt de ondergang, waarna hij zich installeert als bermtoerist om vooral niets van het spektakel te hoeven missen. Echter: 'een profeet schopt de gevallen hond niet om hem af te maken maar om hem weer op zijn poten te krijgen.' [24] 

Gelukkig geeft ook een mislukte preek te denken. Enkele kanttekeningen.
1 Stefanus verstaat de kunst om persoonlijk te zijn zonder het over zichzelf te heb­ben: ‘Alle schrijven ontleent zijn waarachtigheid aan het talent om ik te zeggen zonder subjectief te worden.'[25]  Naar ons westers begrip van autonomie kan dat niet, maar uitgerekend in dit ongerijmde verbergt zich het geheim van de Naam. Alles wat Stefanus zegt, gaat ook over zijn eigen rol maar dat hoeft Lukas niet op te schrijven. Hij verdiept en herkent zichzelf in Tenach en gaat daarin op.
2 Bij alle getuigen die Stefa­nus vanaf Abraham aanvoert, komt Jezus nauwelijks ter sprake en dat hoeft ook niet: het gaat om de Messias die reikt van Adam tot de jongste dag, zoals ook het evangelie geen biografie van Jezus is maar een collage van teksten uit Tenach. Jezus en Stefanus staan over en weer voor elkaar in, komen in elkaar aanwezig [7,37 en 52]: wat de een beweegt komt in de ander teweeg. Nogmaals de intrigerende regel van Ajejandra Pizarnik: 'Gestorven zijn in wie men was en in wie men beminde, wel en niet zijn tegengesteld als een stormachtige en tegelijkertijd helblauwe hemel.'
3 Eenzelfde kralenkrans van teksten vinden we vanaf het vroegste begin in het eucharistisch gebed. Verhalen van gisteren worden opgehaald met het oog op morgen en maken vandaag al anders. Tijdens het gebed voltrekt zich de intrigerende transsubstantie van omstander naar medespeler. Gedenken leidt tot de ontdekking: zoals zij toen en daar worden nu wij hier en nu bevrijd uit Egypte.
4 Geen gecanoniseerde Mozes maar de levende stem, niet de tempel als heilig huisje maar de beweging waarin de Naam aanwezig komt. Alles draait om zijn as: geen offer van dieren maar persoonlijke inzet, niet de besnijdenis als lichamelijke verminking maar de beteugeling, het werkelijk breken met de drift van zelfhandhaving. Stremming, traagheid en verstarring is zonde tegen de Heilige Geest.
5 De scopus, het leidmotief van de preek is beweging, een nooit eindigend proces van interpretatie en vernieuwing. De Eeuwige ontwijkt menselijke projec­ties of constructies niet omdat hij er te hoog of te goed voor is maar te bewegelijk: een mobiel heiligdom als vrijgeleide naar deze wereld anders, en daarom: geen houvast maar een wijkend en verspringend perspectief.
6 Lang voor de beslissing van Constantijn de Grote om het feest van de zonnewende te vervangen door kerstmis wijdde de oudste kerk 26 december aan St Stefanus. Pasen als het centrale feest, Pinksteren als ontvouwing daarvan door de Geest en dan de Advent: de zoon des mensen, wij eindelijk mens zoals die aan Stefanus verscheen. Het latere kerstfeest maakt inbreuk op het oudste kerkelijk jaar.
7 In middeleeuwse [en oudere kerken] vinden we direct onder het altaar de crypte met de relieken der martelaren? Hun bloed en dat van Jezus wilde men kennelijk dicht bij elkaar houden? In de brief aan Kolosse [1,24] is sprake van aanvullingen op het lijden van Christus. Goede vrijdag, de doodstrijd van de Messias duurt - zoals Pascal opmerkte - tot het einde der tijden. Goede vrijdag en stille zaterdag horen bij Pasen. Opstanding gaat aan het lijden vooraf, zoals de Opgestane de littekens, het merk en stempel van de dood draagt. Thomas wilde daarover eerst volkomen zeker zijn eer hij fiducie had in de opstanding. Het heil: nooit zonder pijn op handen. In brood en wijn komen oud zeer mee. En evenals bij Stefanus lopen verleden en heden door elkaar:

    Toen alles was volbracht, sliep hij
    volkomen aan de dood voorbij.
    Drie dwaze moeders, welgeteld,
    hebben een vreemd bericht verspreid:
    'God eigen vlees en bloed is hier.
    Wij hebben zelf zijn stem herkend.
    Zijn wonden doen nog pijn. Hij lééft
    waar twee of drie tezamen zijn.’


[1] Jesaja 62,10
[2] Felix Mendelsohn Paulus, OPS 36 135/136, 1995 [ook een uitstekende samenvatting van Stefanus verweer - Handelingen 7,2-53].
[3]In 1983 en 1996 ging het enkele weken over Stefanus maar ook voor en tussen die jaartallen duikt hij rond kerst of na pinksteren op in de dienstpapieren.
[4] M.S. Arnoni, 1982, p298-305; Ernst Haenchen, Apostelgeschichte 1977, 255 [naar een mondelinge suggestie van K.H. Rengstorf].
[5] Handelingen 6,9 noemt synagogen van Libertijnen, Cyreneeërs, Alexandrijnen en Joden uit Cilicië en Asia [vgl 21,27]. De Libertijnen ook wel als Vrijgelatenen en zelfs als Vrijgemaakten vertaald; een Armeens handschrift heeft Libystini: Lybië dus.
[6] Hier weet ik me voorgoed verbonden met Fred Vermeulen [1928-2009]; Vlaams priester, die begin jaren zestig de kap over de haag hing omdat hem een warmere gave gewerd dan die der onthouding. Ook de bijbel was hem onthouden. Zijn hele tweede leven bleef hij studeren om uit te vinden waar en hoe de breuk met de synagoge mogelijk werd.
[7] Vgl dagboek Kortenhoef, september 1976: 'Het wordt nu zo druk, u ziet ons niet meer zitten.'
[8] Zie Exodus 15,24 en Numeri 14,27
[9] Als Jetro ziet hoe zijn schoonzoon Mozes dag en nacht voor alles en iedereen moet klaar staan, adviseert hij hem om te decentraliseren: hoofden over duizend, honderd, vijftig en tien [Ex 18,14].
[10] In de kring waarin de een de ander uitnemender acht dan zichzelf is het wel een grotesk argument, dat geschiedenis maakte: diakenen worden nog altijd gezien als langer in rang; moeite met de vrouw in het ambt geldt soms niet dat van de diakenen.
[11] Kort na de oorlog ontvouwde 'de geniaalste theoloog van Nederland' als dorpsdominee in gehuchten als Piaam en Idsegahuizen zijn vergezichten aangaande deze Hellenisten: 'Na de belijdenis: Het woord is vlees geworden legden zij bijzondere nadruk op die andere: De Geest is uitgestort op alle vlees. En dit zal in de eerste gemeente al vroeg enige spanning gegeven hebben [242]. 'Het verschil tussen de Twaalve en de Zeven ligt in de verhouding tot Tempel en Wet. De Twaalve gaan op in de Tempel en stellen prijs op een rechtvaardigheid uit de wet. Ze weten niet goed raad met de Heilige Geest  als een de wereld herscheppende God.' Het Palestijnse jodendom wilde 'liefst met Jezus doorgaan en de evangeliën voortzetten.' Na hemelvaart gaat het echter 'niet meer over de Incarnatie of over een voortzetting daarvan, maar over de Inspiratie.' De Hellenisten verstaan 'de heilige kunst om met de evangeliën te breken om de volle wending des Geestes mee te maken' [248]. Anders gezegd: om een traditie voort te zetten moet je ermee kunnen breken, zoals een overbekend verhaal vaak eerst kapot moet om weer toegang te krijgen. O. Noordmans, Gestalte en Geest [1955].
[12]Zie: Heinrich Kraft, Die Entstehung des Christentums, 1981, S.226-248.
[13] Zie Mc 6,14-29, vgl voor zijn rol in het proces tegen Jezus Lk 23, 8-12.
[14] Zie Mc 14,58 en Mt 26,61; Mc 15,29 en Mt 27,40. Bij Mattheus wordt de uitspraak afgezwakt: niet: ik zal, maar ik kan de tempel afbreken. Bij Johannes verschuift het beeld naar de tempel van het lichaam. Tegenover apocalyptische voorstellingen van een nieuwe uit de hemel neerdalende tempel lezen we in de Apocalyps dat er in de hemel geen tempel meer zijn zal [21,22].
[15] Lukas 23,46 en 46, Psalm 31,6
[16]Zie: Rochus Zuurmond, In hemels naam [2012], p 38-41: 'Juppiter en zijn kornuiten zijn in de hemel, maar JHWH is in de hemelen.'
[17] Handelingen 7,56b, vgl Lukas 22,69 en Psalm 110,1
[18] Daniël 3,25 en 7,13
[19] Hoe gevaarlijk dat is weten we sinds 2 december 2012 toen de grensrechter Richard Nieuwenhuizen werd doodgeschopt.
[20] Vgl de trainer, de verslaggever en een heel volk die na een wedstrijd kunnen zeggen: 'wij hebben gewonnen of verloren.'
[21] Ajejandra Pizarnik [vertaling: Simon Horsten], uit: Poëziekrant, 2012, jaargang 36/6
[22]Zie: Exodus 34,29. Ik heb mijn vader vaak horen vertellen dat hij in zijn eerste gemeente Driesum [1941-1944] hetzelfde verschijnsel gezien heeft.
[23]Het gaat om inclusief denken: Jozef redt zowel Egypte als Israël van de hongersnood; Mozes wordt gered door een Egyptische prinses, die hem opvoedt in hem later goed van pas komende wijsheid van Egypte. Vgl Openbaring 21,26: de eer en heerlijkheid van de volkeren worden in het hemels Jeruzalem binnen gebracht.
[24] Joseph Brodsky, Nadezjda Mandelsjtam (1899-1980), Een overlijdensbericht, in:  Tussen iemand en niemand, 198, 157
[25] Leonard Nolens, De vrek van Missenburg, dagboek 1990 - 1993, p. 29

Pagina 1 van 2

© 2020 henkabma.nl - All Rights Reserved. Designed By JoomShaper

Please publish modules in offcanvas position.