lilith-1

Lilith, de eerste vrouw van Adam
De bijbel opent in stereo. Twee verhalen van het begin, twee mensbeelden ook. Adam is sprekend God, dichter en mens in meervoud, van tweeërlei kunne: ‘mannelijk en vrouwelijk schiep hij hen.’ In het tweede verhaal is Adam aan het werk: alle dieren komen bij hem langs en krijgen een naam. Zo ontdekt hij zijn eigen eenzaamheid, want anders dan de dieren heeft hij geen tegenover. Met dat onvervuld verlangen, valt hij in slaap. En dan komt dichtbij zijn hart Eva langszij. Twee visies op relaties. De ander als wederhelft, bekend terrein, in de ander op zoek naar jezelf, en haaks daarop: iemand die het alleen niet redt, een ik dat ontstaat aan de ander in een blijvend niet te overbruggen verschil. [1]           

Twee verhalen wat slordig aan elkaar gezet. De lijmnaad bleef zichtbaar. Omstreeks de 9e eeuw laat rabbijn, Ben Sira, [2] in die kier tussen beide verhalen een wilde amazone opduiken met wie Adam nog voor Eva iets gehad zou hebben. Lilith is de naam. Het is geen gelukkige relatie. Ze vechten elkaar de tent uit want Lilith is ongeschikt voor huiselijk gebruik. Zij weigert in bed de missionarishouding, terwijl  Adam aan die positie verknocht is. Voor hem is het meer dan een standje. Hij weet zich zoals de Duitsers zeggen: überlegen. Maar Lilith roept: ‘Wat verbeeld jij je wel? We zijn uit dezelfde klei getrokken.’ Daarmee heeft zij een punt. Maar het komt niet meer goed.

lilith-2

Lilith spreekt het geheim van de Naam uit, krijgt vleugels en vliegt naar de Rode Zee. Adam treurt. Hij wil haar terug. De Eeuwige voelt met hem mee en stuurt er drie engelen op af. Maar het besluit van Lilith staat vast: zij bedankt voor het paradijs van Adam. Haar toekomst is die van een wraakgodin met als specialisme: wiegendood en kraamvrouwenkoorts, terwijl zij ‘s nachts de hoofdrol speelt in de natte droom van eenzame mannen. En daar komen háár kindjes van, de boze Lilim. De engelen dwingen een compromis af. De speelruimte van Lilith wordt magisch begrensd: in elke slaapkamer waar een amulet hangt of een houtskoolcirkel getrokken is, staat Lilith machteloos en van de kwade geesten die zij voortbrengt zullen er dagelijks honderd sterven. [3]

Geen sympathiek profiel, wel een onuitputtelijke bron voor smakelijke onzin. En natuurlijk maakt Lilith met de geweigerde rol van underdog en het vrijwillige vertrek uit het paradijs furore bij feministen. [4] Al veel langer laten kunstenaars zich door Lilith inspireren. De bekende vingerwijzing waarmee de Eeuwige hoog in de Sixtijnse kapel Adam schept, maar wie is de vrouw die Hij achter de hand houdt?

lilith-3

Het is Lilith, die in een grot aan de Rode zee woont. Een zeemeermin of met een al even bloot bovenlijf maar onder de gordel het lichaam van een slang dat zich om de boom in het paradijs kronkelt. Naarmate we dichter bij onze eigen tijd komen, is het nauwelijks bij te houden: Faust danst met haar en inspireert Dante Gabriel Rosetti tot zijn beroemde schilderij. James Joyce houdt haar in ere als patroon van abortussen. Heel veel werk maakte Marcellus Emants van Lilith, daarmee staat zij aan de wieg van de Tachtigers en als die ‘schoonheid haar gezicht verbrand’ heeft, beginnen de Vijftigers wat Lucebert betreft opnieuw bij Lilith. Haar figuur had zij in elk geval mee voor de mannen van Cobra.  Bij C.S. Lewis zorgt Lilith voor vorst: altijd winter, nooit kerst. Primo Levi leerde Lilith kennen in het concentratiekamp. Om de schandvlekken van de Holocaust draait het eveneens bij de grote assemblages die Anselm Kiefer sinds het eind van de jaren tachtig aan Lilith en haar dochters wijdde. En natuurlijk schreef ook onze eigen Harry Mulisch over Lilith. [5]
Het meest enthousiast ging Lucebert met Lilith aan de haal. De boze furie uit de joodse mystiek verschijnt bij hem op een gouache als de muze en geliefde die zijn klankrijke poëzie voedt: ‘en de keel is van de anemonen / is van de zee demonen / zingende bovengekomen.’ Koosnamen als limonade-lilith of achter een raam op de Wallen: kleinegichelversierdevitrinelilith [VG 43]. [6] Het zijn woordgrappen die goed passen bij de mening van sommige geleerden die Het alfabet van Ben Sira interpreteren als middeleeuws studentencabaret. 

Hoe dit ook zij: Lilith komt niet uit de lucht vallen. De vrouw die Ben Sira in de leemte tussen de twee verhalen van het begin plaatst, is geen verzinsel. De vroegste sporen wijzen naar Mesopotamië, de bakermat van onze beschaving. Vandaar werd de dood en verderf zaaiende demon wereldwijd opgenomen in de orde van vampiers, feeksen, heksen, kobolds en andere spoken uit de nachtzijde van het mythologisch woordenboek. Jesaja beschrijft het eenmalig optreden van Lilith in de bijbel. [7] Hij doet dat zonder enige  toelichting, iedereen wist kennelijk wie zij was. In die tekst wordt Edom, dat zijn de kinderen van Ezau, naar de verdommenis gevloekt.  Toen Jeruzalem verwoest was en het volk naar Babel versleept werd, was er leedvermaak in Edom, dat zich bovendien bezondigde aan plundering. Uit de ziedende woede van de Eeuwige schept Jesaja huiveringwekkende poëzie. Het hemeldak opgerold als een tent, sterren verkwijnen als bladeren van een vijgenboom: alle houvast en oriëntatie weggevaagd. Bloeddoorlopen de aarde, de verpeste lucht van onbegraven lijken. Macaber landschap van ruïnes, brandende oliebronnen en bermbommen. Zoveel hellen op aarde. En ze staan op de kaart. Er is sprake van een meetlint en grensstenen. Het een heet tohoe, het ander bohoe. Tohoewabohoe, de Hebreeuwse woorden waarmee in Genesis 1 de chaos van de oersoep wordt aangeduid. Edom valt dus terug achter de schepping en in dat godvergeten gruweltheater van verscheurende dieren en mythologische monsters woont Lilith. 

Wij voelen ons ongemakkelijk bij zo’n preek van hel en verdoemenis. Heeft deze alles verzengende woede het laatste woord? Nee, Adonai twist niet eeuwig met zijn maaksel, [8] ook Hij kan op zijn schreden  terugkeren. Als later in Babel de laatste hand gelegd wordt aan het boek  Genesis is er het verhaal van de nachtelijke worsteling waarin Jacob Israël wordt, hinkepoot die zich eindelijk verzoent met zijn broer Ezau, Edom dus. Ik denk aan de 78 jarige Palestijn Sami Joenis die na 28 jaar gevangenschap in Israël vrij kwam: ‘soldaat van de vrede’ die Israël maande om er haast mee te maken, want ‘wij zijn neven.’ [9] Dus hoe hartgrondig er in de bijbel ook gevloekt wordt: ooit wordt het geweld omgesmolten tot instrument van verzoening. Om te zien hoe dat in zijn werk gaat, maken we een grote sprong naar Jezus, die voor zijn publieke optreden stage liep in de woestijn. [10] Immers:
    Alles wat over ons geschreven is / gaat Hij volbrengen in de veertig dagen, de tien geboden en de veertig slagen, / dit hele leven dat geen leven is. [LB 173 / 556]
Marcus wijdt aan dat verhaal slechts één zin maar daarin noteert hij wel als enige dat het ook om een ontmoeting met wilde dieren gaat. Nauwelijks twintig jaar oud wijdde Robert Graves zijn eerste gedicht aan dit verhaal [11]:

    In de wildernis

    Hij, in zijn beminnelijkheid,
    Dorstend en hongerend
    Liep in de wildernis.
    Sprak zachte woorden van genade
    Tot de laatste woestijnbewoners
    Die verwonderd luisterden.
    Hij hoorde de roerdomp roepen
    Vanaf een verwoeste paleismuur,
    Antwoordde hem broederlijk;
    Hij hield gemeenschap
    Met de vrouwtjes-pelikaan
    Van een eenzame vroomheid.
    Basilisk, slangendraak,
    Dromden naar zijn preken,
    Met pantsers van schrikstaken,
    Met monsterlijke weerhaken,
    Met vurige drakenogen;
    Grote vleermuizen op leren vleugels
    En oude, blinde, wrakke wezens
    Miezerig in hum miserie.
    Toen liep altijd met hem mee,
    Op al zijn tochten
    Kameraad, met geschonden vacht,|
    Vel over been - arm onschuldig -
    Bloedende voeten, brandende keel,
    De argeloze, jonge zondebok:
    Veertig dagen en nachten
    Volgde hij Jezus’ wegen,
    Hield hij achter hem een zekere wacht,
    Weende tranen als een minnaar.

Een voorbeeldige tekst. De dichter begrijpt dat je over Jezus geen biografische notities maakt maar de collage van teksten uit Tenach, die we evangelie noemen. Niet mijnheer Jezus maar de Christus der Schriften. Daarom is het decor van de tekst ontleend aan de vloekrede tegen Edom. De hele crew uit de horrorfilm over Lilith keert hier dan ook terug: Jezus gaat waar geen weg is. [12] Met een ijzertang knipt hij een gat in de omheining van de no go area. De inzet van de zachte krachten: hij praat met de verschoppelingen  en deelt zijn brood. Van heinde en ver drommen ze samen om te luisteren. Ook de zondebok loopt mee. [13] Het is een ontroerend detail: hij hoort niet bij de demonen maar is een gabber van  Jezus: slachtoffer van religie, door priesters misbruikt. [14]

Jezus preekt. Een werkwoord dat wij als een zwerfkei uit een verouderde cultuur liefst vermijden. Maar hier zien we wat het geheim is van een echte preek: gesjochten wezens horen ervan op. Zij weten zich in hun miserabele bestaan gekend door iemand die meer dan solidair is:  één van hen. Een echte preek voelt niet als een monoloog maar heeft alle kenmerken van een gesprek en intuïtief begrijpt je: in dit perspectief, door deze opening in de muur van hopeloosheid komt de Eeuwige zelf aanwezig.  

Robert Graves heeft na dit eerste gedicht nog veel geschreven zoals de verfilmde romans Ik Claudius en Lawrence of Arabia maar ook een Hebreeuwse  Mythologie en vooral De witte godin. Een omstreden boek maar je kunt eruit leren dat mythologische fabeldieren en demonen de door de heersende religie vernederde goden zijn. [15] En natuurlijk weten wij inmiddels dat wiegendood en kraamvrouwenkoorts er eerder waren dan Lilith. Projecties uit de schaamstreek van de ziel, pure angst zodra ‘het kwaad goede mensen treft.’ De fantomen van Henk en Ingrid. 

Anders gezegd: toen Bonifatius bij Dokkum de bijl aan de wortel van de boom legde, waren daarmee de goden van het heidendom nog niet verdwenen: de publieke religie van het neoliberalisme, de spoken van het nationalisme of de door impotentie geplaagde Mammon.  Maar wie het kwaad  demoniseert, maakte het groter dan het is: en dan loopt het pas echt uit de hand en krijgt het ons volledig in de greep. Maar het kwaad is niet meer en ook niet minder dan  alles  wat nog niet goed is.

En hoeveel we ook met demonen te stellen hebben: je hebt er geen geavanceerde defensie voor nodig, een goed gesprek, het delen van brood, kortom: een plek als De Nieuwe Liefde volstaat.  De Amerikaansjoodse feministe Judith Plaskow laat Lilith door een gat in de heg terugkeren naar het paradijs. God en Adam houden de adem in bang als ze zijn voor de dag waarop de twee vrouwen van elkaars sterke punten gaan leren [‘bursting with possiblilities are ready to rebuild together’] waarbij de Eeuwige zich realiseert 'I am who I am, but I must become who I will become.' [16] En Lucebert, ja: hij toch nog één keer,  heeft gezegd dat de mensen die zijn schilderijen kochten op den duur van de daarop afgebeelde draken en monsters gingen houden, zo moge het zijn. [17]

lilith-4lilith-5

In vereenvoudigde vorm werd deze tekst gebruikt als toespraak in De Nieuwe Liefde, studentenecclesia Amsterdam, 29 januari 2012 en gepubliceerd in Interpretatie, tijdschrift voor bijbelse theologie, jrg 20, mei 2012


[1] Eerst is er de mythe van Plato waarin de goden de ene mens kloven [of konen] waarna een ieder de ander in zichzelf zoekt. In het joodse scheppingsverhaal gaat het daarentegen meer om een tegenover: transcendent als de Éne, de Máker (vgl Ps. 121,1-2). Maar blijkbaar kan je dit ook omkeren: Lilith als tegenover, Eva als kloon. Het tweede verhaal (J) is meer patriarchaal, terwijl in de eerste en jongere versie (P) man en vrouw uit dezelfde klei meer gelijkwaardig zijn. Toch kruipt het bloed onverbeterlijk waar het niet gaan kan: in een kabbalistisch traktaat wordt opgemerkt dat toen Lilith aan de beurt was de zuivere klei op was zodat er voor haar alleen nog vervuilde aarde en stof voorhanden was. Vgl Siegmund Hurwitz, Lilith - Die Erste Eva, eine historische und psychologische Studie über dunkle Aspekte des Weiblichen, Daimon, 2011, S 209-212.

[2] Het alfabet van Ben Sira is een pseudepigrafisch boek dat grote populariteit genoot gelet op de ruim honderd geografisch zeer gespreide en onderling sterk verschillende handschriften die bewaard bleven.  Parallellen in de Babylonische Talmud doen een qua opvang beperkte oervorm vermoeden in de 4e eeuw, de latere vorm wordt veel later gedateerd: ergens tussen de 8e en 10e eeuw.Het boek bestaat uit een raamvertelling over Ben Sira [Sirach – traditie wijsheidsliteratuur], zoon van Jeremia en werkzaam aan het hof van Nebukadnesar. De wijsheid bestaat uit een Hebreeuwse en Aramese verzameling spreuken en verhalen die conform het alfabet geordend zijn. Moses Ben Shem-Tov de Leon, auteur van de Zohar, het belangrijkste mystieke commentaar op de Thora (13e eeuw) heeft  er dankbaar gebruik van gemaakt, Maimonides verwierp het boek. Deze uitersten passen bij de verschillende interpretaties.
Enerzijds: ‘Another plausible theory about the creation of this Lilith story, however, is that Ben Sira’s tale is in its entirety a deliberately satiric piece that mocks the Bible, the Talmud and other rabbinic exegeses. It may have served as lewd entertainment for rabbinic students.’ Aldus: Janet Howe Gaines, Lilith, Seductress, Heroine or Murderer? http://www.bib-arch.org/e-features/lilith.asp
Anderzijds: Dagmar Börner-Klein, Das Alphabet des Ben Sira, Hebräisch-Deutsche Textausgabe mit einer Interpretation, Marix Verlag, Wiesbaden, 2007. Zij wijst twee lagen in de tekst aan: allereerst het cabaret, een bonte verzameling wonderlijke verhalen als de biografie van Ben Sira [Sirach], geboren als een zoon van Jeremia en diens dochter. Let wel: de namen Sira en Jeremia hebben dezelfde getalswaarde; Ben Sira wil zeggen: zoon van de zaaier; en verder geldt: de dochter heeft zich gebaad in badwater waarin de vader eerder gedwongen werd om te masturberen. Onder die cabareteske laag schuilt een serieus debat over de rabbijnse hermeneutiek, en wel de casus of een hogepriester een zwangere vrouw mag trouwen, antwoord jawel: als het maagdenvlies van de zwangere nog intact is. Kortom: de eerste laag haalt de tweede als willekeur onderuit: zo kun je met de in de hand bijbel alles bewijzen.
[3] Lilith was als stormdemon bekend. De relatie tot Adam is een vondst van Ben Sira. Zodra Eva geschapen is roept Adam: deze keer is het been van been. In het Talmoedtraktaat Jebamot 63a wordt daaruit de conclusie getrokken dat Adam het daarvoor met de langstrekkende dieren geprobeerd heeft. Het zou de Partij van de Dieren een gruwel zijn maar Ben Sira ging het toen al te ver. Hij leest dan ook: deze keer, dat is Eva, de andere keer was Lilith, deze keer eigen vlees, een koekje van eigen deeg, de andere keer: uit de aarde aards.
[4] Vgl. Barbara Back Koltuv, The book of Lilith, Nicolas-Hays, 1986; lezenswaardig is ook de novelle: Robert G. Brown, The book of Lilith, 2006.
[5]
Goethe, Werke II (ed. Gerhard Stenzel, 1951, S.747/8). Lilith maakt haar debuut in de Weuropese literatuur in de Walpurgisnacht. Mefistoles stelt haar voor: Adams erste Frau./Nimm dich in acht vor ihren schönen Haaren./  Vor diesem Schmuck, mit dem sie einzig prangt! / Wenn sie damit den jungen Mann erlangt, / So läßt sie ihn so bald nicht wieder fahren. Tijdens de dans vertrouwt Faust aan Lilith een droom toe over een boom met twee mooie appeltjes. Lilith kijkt er niet van op: Der Äppelchen begehrt ihr sehr,/ Und schon vom Paradiese her. / Von Freuden fühl ich mich bewegt,/ Daß auch mein Garten solche trägt. De beschrijving van het haar inspireerde Dante Gabriël Rosetti voor het bekende schilderij en zijn poëzie: her enchanted hair was the first gold. James Joyce, Ulysses (episode 14 en 15, vert Paul Claes, 1996 p. 414,5240.  Primo Levi, het gelijknamige titelverhaal In de bundel Lilith,  1990 (vert. Frida Vogels); Lilith, in Collected Poems, London, 1988.  Vanaf eind jaren tachtig duiken Lilith en haar kinderen regelmatig op in de grote zink-collages van Anselm Kiefer (vgl. Lilith, 1992, Marian Goodman Gallery).  Harry Mulisch, De Procedure (1998).
[6]De jonge Lucebert heeft zich een tijd intens in de kabbala verdiept getuige o.m. de Lilith-suite en de gouache: De dichter voedt de poëzie (juli 1952). Anja de Feijter wijdde aan die periode haar proefschrift: Het historisch debuut van Lucebert in het licht van de intertekst van Joodse mystiek en Hölderlin, Amsterdam, 1994. Vanuit haar grondige kennis van de joodse mystiek en met grote acribie wordt de poëzie tot de kleinste tittel en jota herleid tot de zgn. interteksten. Soms verrassend, vaak geforceerd zonder gevoel voor de humor en werkwijze van een kunstenaar. Natuurlijk heeft Lucebert de Zohar en wat hij verder aan mystieke geschriften te pakken kreeg, geplunderd voor zover het in zijn kraam te pas kwam, dat wil zeggen: niets was hem heilig dan de geschoffeerde en in zijn seksualiteit gefnuikte mens. In essentie komen de Lucebert toegeschreven religie en mystiek hierop neer. Lilith plukt er de vruchten van: ‘Van nu af aan mag ze huppelen, vliegen, springen of kruipen, mag ze met rozen of drek gooyen, ’t zal alles mij welkom zijn…’ Hij verwijst naar bijbelse noties en neemt ze ook even gemakkelijk weer op de hak om uit de buurt van dogmatische ladelichters te blijven, kortom: de dichter zet de dingen naar zijn hand en maakt er als het even kan graag een potje van en geniet van de verwarring die hij schept: het is geen drijfijs / dat bedreigt het is / mijn eigen eigenwijze ijs waar de klandizie kruipend op uitglijdt [VG600].|
Ondertussen heeft Lilith bij Lucebert ook nog een geheel eigen achtergrond. De dichter heeft kennis gemaakt met de kabbala via de goed gevulde boekenkasten van Bert Schierbeek bij wie hij lange tijd inwoonde en een relatie kreeg met de op zolder potten bakkende vrouw des huizes Frieda Koch. De vriendschap van beide mannen liep er niet op stuk maar spannend was het volgens Schierbeek wel: ‘In het begin spraken we er niet echt over. Dat was te pijnlijk. Maar we schreven elke avond tegen elkaar op. Brieven als verpakking van onze ergernis en waardering.’ Lucebert verzon de pseudoniemen; hijzelf: Oog van Gol, Schierbeek: Lilithoog [‘de eerste vrouw van Adam die ervoor gezegd heeft dat de geliefden uit het paradijs werden gedreven.’] De zwaar versleutelde brieven uit 1950 verschenen in 1978 onder de titel Chambre-Antichambre (Bzztôh). In 1951 publiceerde Schierbeek de [vorm]experimentele roman Het boek ik. Lucebert maakte van een bladzijde uit de Praagse Haggada een collage voor de omslag. In het boek staan niet mis te verstane zinswendingen als: ‘De zwarte vogel Lilith mijn vrouw, my loverly serpent and handsome girl zij loerd [sic] de haat door de hof…’ en ‘de Zwarte Lilith met de meduse armen die het futurum verbruiken. ‘ Als Frieda Koch twee weken in Parijs verblijft schrijft Lucebert aan zijn muze tien brieven en in het omgekeerde geval: als Lucebert met Remco Campert in Parijs is, schrijft de laatste - die van de relatie geheel onkundig is - over Luceberts verlangen en heimwee ‘naar een achtergelaten geliefde / nog maar kort tevoren vitrineversierd / in het logge Amsterdam.’
Wie deze nuchtere feiten negeert en zich met wetenschappelijke distantie uitsluitend oriënteert op de joodse mystiek mystificeert uiteindelijk de poëzie, miskent welke remmen hier los gaan tot het spreken in tongen. Vgl Peter Hofman, Lichtschikkend en zingend. De jonge Lucebert, 2004, 203 – 251  Zie ook: Henk Abma, Het wonder van het pessimisme, in: Lisa Kuitert (redactie), De lezende Lucebert, bibliotheek van een dichter, 200, 107-123.
[7] Jesaja 34,14: Nieuwere vertalingen schrijven Lilith, terwijl oudere al dan niet op grond van de foute etymologie met het hebreeuwse woord laila (nacht) spreken van nachtspook, night hag, schreech owl, vampire en night monster, Luther koos:  kobold. De Septuaginta heeft (een verlegenheidconstructie?): onokentauros, de sa’ir, satyr blijft in de buurt: daimon onokentauros [vaak vertaald als ‘harige geit’ – in een Engelse vertaling uit de jaren 60 wordt dat: and the hairy one shall cry out one to another…]. Interessant is de Vulgaat [vert. Hieronymus ca 400]: Lamia, de door Zeus beminde Griekse Lilith. De jaloerse Hera doodde haar kinderen. Gek van verdriet ging Lamia op andermans kinderen jagen, ook verleidt zij schipbreukelingen en mannen om hun bloed te drinken. Zeemeerminnen en sirenen zijn familie. Zij wordt afgebeeld als een naakte vrouw met het onderlichaam van een slang dan wel met berenklauw, geitenpoten en het achterste van een draak en paardenstaart.Andere toespelingen op Lilith in de bijbel zijn misschien: Psalm 91,5: ‘de schrik des nachts’ en Spreuken 2,18-19 (idem 4Q184): haar huis helt over naar de dood,- naar een schimmenrijk haar voetsporen; allen die bij haar binnenkomen keren niet weer,- bereiken niet meer de paden ten leven.
[8]Gen 6,3; Ps 103,9, Jes 57,16. Ook de oersoep wordt niet zo heet gegeten als opgediend. 
[9] Inez Polak, dagblad Trouw, 19 oktober 2011.
[10] De wildernis is er aan het beging en aan het eind, als alles is volbracht, de nacht voor Pasen, het begin van de opstanding: de nederdaling ter helle om recht te doen aan het verleden.
[11]Robert [von Ranke] Graves (1895-1985], gewond tijdens de slag aan de Somme 1916 [werd enige tijd vermist en onder gesneuvelden gerekend], studeerde in Oxford, werd docent in Caïro later voor poëzie in Oxford. Het hier geciteerde gedicht schreef de negentienjarige als eersteling: Collected Poems [1914-1947), London, 1948, p3 De vertaling is van Theo de Boer en verscheen in Trouw: En hij was bij de wilde dieren, Letter en Geest, 27 december 2003
[12] Jesaja 34,14, waarin Lilith, het nachtspook, genoemd wordt in het gezelschap van hyena's, gieren, een pijlslang en de vaste grensgangers tussen beschaving en wildernis: pelikaan en roerdomp [vgl Psalm 102,7, Zef. 2,14, Deut. 14,17, Lev. 11,18].
[13] Lev 16,9.
[14] René Girard, Wat vanaf het begin der tijden verborgen was, Kampen, 1990. Onheil is geen straf van de goden maar omgekeerd: de Eeuwige is partijganger van de slachtoffers en knielt naast hen in de modder.
[15] Robert Graves: The white Goddes [Faber and Faber, [1961] 1984], waarin hij demonen, kobolds, en andere dieren uit het sprookjesbos beschrijft als de vernederde goden en priesters van een ondergrondse maar nooit helemaal verdwenen religie. Mythologie als belichaming en projecties van onze angsten. Vgl. L.A. Snijders [POT, Jesaja dl I, 1969, p331, die opmerkt dat eenhoorns, draken, saters en andere onwaarschijnlijke diersoorten tegenwoordig getransformeerd zijn tot waarneembare en classificeerbare diersoorten mist daarmee deze pointe.
[16] Geciteerd bij Judith Plaskow, The coming of Lilith, Essays on Feminism, Judaism and Sexual Ethics, 1972-2003, ed by Donna Berman, Boston, 2005 p32. Beitske Bouman verwerkte hetzelfde motief in een roman over moederschap en de vraag of er daarnaast ook nog een ander leven mogelijk is: Noem het liefde, Querido, 2010.
[17] Door de ogen van Lucebert, een documentaire in 1988 gemaakt door Koos Baay en uitgezonden door de AVRO in het programma Close Up. In deze documentaire waarin veel beeldend werk is te zien, gaat het onder meer over de gruwelijke koppen van Zuidamerikaanse generaals en dictators op de schilderijen. Lucebert zegt dan: ‘Het zijn geen gemakkelijke schilderijen [....] Het zijn heel aanwezige schilderijen. Ik geloof eigenlijk – en dat hoor ik ook van mensen die schilderijen van mij bezitten – dat op den duur het monsterlijke, eigenlijk, het afstotende, juist het aantrekkelijke gaat worden doordat die monsters misschien verdwaalde, lieve, betoverde kinderen zijn ... of mensen. Dat geldt natuurlijk niet voor de generaals die ik schilder. Generaals, dat zijn de echte monsters natuurlijk. Die maken slachtoffers. Maar die andere wezens, die maken geen slachtoffers; die zijn eigenlijk helemaal onschuldig, niet bedreigend ... wezenlijk.’

lilith-6