18,1-28 Een leerhuis pal naast de synagoge
Na Athene gaat Paulus naar Korinthe, een jonge, multiculturele en welvarende havenstad. Hij maakt er vrienden voor het leven, - een schaars goed tegenwoordig, en als je ze al hebt zijn ze meestal niet van de kerk. Misschien begint daar de teloorgang? 
Paulus trekt bij zijn joodse vrienden Aquila en Priscilla in. Het zijn collega tentenmakers en zo houdt hij zich ook hier aan de regel van de rabbijnen om in je eigen onderhoud te voorzien en de gemeenten niet te dienen om den brode. Aquila is in Pontus geboren maar als echtpaar hebben ze lang in Rome gewoond: lid en misschien wel de stichters van de eerste christengemeente. Ze zijn er onlangs in 49 verjaagd door Claudius. Suetonius vertelt erover in De vita Caesarum: 'omdat ze voortdurend in oproeren verwikkeld waren op aanstoken van ene Chrestos.' Als Claudius in 54 door zijn vrouw is vermoord en haar zoon Nero de troon beklimt, mogen ze kennelijk terug want als Paulus in 57 de brief aan de Romeinen schrijft, doet hij hen en hun huisgemeente de groeten [16,3].
In 52 steken ze samen met Paulus over naar Efese. Paulus reist verder, het echtpaar blijft en bezoekt daar weer even gemakkelijk de synagoge waar ze verrast worden door ene Apollos, een begaafde en zeer geleerde Jood uit Alexandrië, die kennelijk ook al weet heeft van 'de weg' en hoe je tenach kunt lezen in relatie tot Jezus [die in het huis van de Emmaüsgangers hetzelfde deed, Lk 24,27]. Na zo'n optreden nemen Priscilla en Aquila de spreker even apart om hem de weg vooral rond doop en eucharistie wat nauwkeuriger uit te leggen. In zulke details voel je het tintelende plezier waarmee de nieuwste exegetische methoden [met hodos lett. de weg waarlangs] aan elkaar worden doorverteld.
Later werkte Apollos ook in Korinthe en Paulus was er content mee: ik heb geplant, hij heeft begoten en God gaf de wasdom [1 Cor 3,6]. Deze brief opent trouwens met een pastorale handreiking over het omgaan met [accent]verschillen. Er zijn mensen die het liefst Petrus horen, anderen voelen zich het meest thuis bij Paulus en weer anderen bij Apollos [1 Cor 1,12]. Zulke verschillen zijn onvermijdelijk: adres en boodschap hangen samen. Sociologische verschillen en de harde wetten van groepsdynamica gaan een gemeente niet voorbij. Ghanezen vieren in de Bijlmer anders liturgie dan studenten een paar kilometer verderop. En zoals bij Calvijn in Straatsburg twee groepen op verschillende uren bij elkaar kwamen omdat de ene helft Frans en de andere Duits sprak, zo kwamen er door verschillen in taal ook in Kortenhoef twee gemeenten onder een dak: de een gewoon, de ander buitengewoon. Pikant detail: het experiment heette hier voor een keer gewoon. Dergelijke gemeenten praten af en toe ng wel met elkaar en het is ook goed als elkaar ondanks alle verschillen nog wel ziet staan en niet de tent uitvecht. Maar ook dat komt voor: er ontstaat dan een deelgemeente. Hadden ze daar in Korinthe ook al ervaring mee? Misschien wel: van Petrus, van Paulus, van Apollos maar er is ook nog een vierde modaliteit: van Christus… 'en die zijn het ergste' tekende Willem Barnard daar snedig bij aan, want het lichaam van de Heer - met alle verschillen die in dat beeld meekomen - is een paaswerkelijkheid, de tafel van een maar zodra mensen het in alles eens menen te zijn, is het de dood in de pot.
 
Paulus heeft het in Korinthe naar zijn zin gehad: hij bleef er anderhalf jaar. Later schreef hij nog twee uitvoerige brieven, ook nog andere trouwens maar die zijn zoek geraakt [1 Kor 5,9; 2 Kor 2,3-4]. Ook in Korinthe gaat hij eerst naar de synagoge, en die historische voorrang blijft tot en met het laatste hoofdstuk in een huurwoning in Rome. Zodra Jezus Messias, kruis en opstanding ter sprake komen, schuurt het. Botsende meningen en tradities: verzoening, vrede, verlossing, jawel maar waar en hoe dan? Als het gesprek gaat cirkelen, schuiert Paulus met een ritueel gebaar het stof van zijn kleren: vrij om zich tot de gojim te wenden. Belangstelling genoeg onder mensen die de verhalen en uitspattingen van de goden moe waren en zich maar al te graag iets anders wilden: een God, wiens Naam niet uitgesproken hoefde maar gedaan werd, een aantrekkelijke ethiek.
Titus Justus is er zo een, en zijn huis is groot genoeg om de gemeente te huisvesten: Jood en goj aan één tafel. Ook Crispus, de overste van de synagoge voegt zich bij hen en is zo vrij om zijn hele familie mee te nemen. Alsof dat nog niet pikant genoeg is, staat het huis van Titus Justus stijf tegen de synagoge gebouwd.
In het hoofd van Paulus gloeien de vele gesprekken 's nachts na. Is het een wonder dat hij de stem uit de brandende braamstruik hoort? Een Naam als een werkwoord: Ik ben met je, kome wat komt [Ex 3,6]? Kort daarop vestigt zich een nieuwe landvoogd in Acháje: Gállio [52-53]. Spaanse adel, een magnetische persoonlijkheid 'bemind en beminnelijk' [J. de Zwaan], een oudere broer van Nero's opvoeder en eerste minister, de wijsgeer Seneca, die aan deze broer onder meer Over het levensgeluk opdroeg.
De Joodse gemeenschap ruikt haar kans om zich van Paulus te ontdoen. Misschien moeten we ons daarbij het begin van dit verhaal te binnen brengen: Aquila en Priscilla door Claudius verbannen uit Rome om een eind te maken aan de troebelen waarmee de groei van de christelijke deelgemeente gepaard ging. Angst om de veilige positie van de in 43 door dezelfde Claudius bepaalde positie van 'religio relicta' - de officieel toegestane praxis - te verliezen.
Gallio luistert goed naar wat de heftig gesticulerende Levantijnse Joden te berde brengen. Paulus is een nieuwlichter, die onder de dekmantel van de oude een nieuwe religie aan de man brengt. Het blijft vaag of hij daarmee afbreuk doet aan de Romeinse wet dan wel aan die van Mozes. Maar Gallio is wijs en ook wel arrogant genoeg om zich niet zoals Pilatus te laten meeslepen in een religieus wespennest. Hij wacht de  repliek van Paulus niet eens af en zegt: bij een onrechtmatigheid of een misdrijf zijn jullie ontvankelijk en wijs ik vonnis maar nu het over geschillen van grammatica en interpretatie gaat, over titels en namen in de wetten waar alleen jullie je druk om maken, ben je bij mij aan het verkeerde adres. Zoek dat liever  zelf uit.
Gallio treedt op in de geest van zijn broer: 'Met een opgezweepte menigte moet je geen zaken willen doen. Het volk is de slechtste tolk der waarheid. Felheid is het kind van zwakte. De meeste mensen willen niet leren, omdat ze nooit iets geleerd hebben. Ware grootheid gaat gepaard met kalmte.'
Hierna koelt de opgewonden menigte haar woede op de in Crispus' plaats pasbenoemde nieuwe voorzitter van de synagoge, de arme Sosthenes. Hij wordt stevig afgerost. De landvoogd laat het gebeuren en wordt daarmee spreekwoordelijk: Maar Gallio trok zich geen van deze dingen aan!
Paulus heeft hoe dan ook dankbaar begrepen dat de Jezus-beweging door de overheid wordt gezien als een legitiem onderdeel en de voortzetting van het Joodse Fremdkörper der eigenzinnigheid.

in plaats van literatuurverantwoording
Baambrugge ligt aan de Angstel. De naam van de pastor loci aan het eind van de jaren '70 is me ontschoten. Wie het maar horen wilde, fluisterde hij in hoe gevaarlijk ik was: vergif voor de kerk. Mogelijk heeft de naam van een zijner voorgangers uit de 17e eeuw - met wie ik de voornaam deel - hem daarbij door het hoofd gespeeld: Henricus Malecogius.
In heb ik die tijd dan ook alleen als het echt niet anders kon dienst gedaan. Om er te komen moest je eerst langs het huis van Geert van Oorschot. De kerk heeft een neoklassieke façade die 1843 het oude gebouw verving. Alleen de met pleisterwerk verstijfde toren en de inventaris herinneren aan vroeger, en het predikantenbord. De kerk was een passend onderkomen voor dominee J. de Zwaan [1883-1957] die zich specialiseerde in de relatie tussen het jonge christendom en de antieke cultuur. Veertien maanden stond hij pas in Baambrugge toen hij in 1912 nauwelijks 29 jaar oud benoemd werd als hoogleraar in Leiden. Van 1937 tot 1956 was hij bovendien lid van de Eerste Kamer voor de CHU. De Zwaan werd in Baambrugge opgevolgd door de Hebraïst J.G. Thierry, die nog geen twaalf maanden later eveneens in Leiden benoemd werd als hoogleraar. Een neus voor talent: van 1875-1877 was de later als hoogleraar in Groningen vermaarde Is. van Dijk hier predikant.
De biografische feiten en citaten van de gebroeders Gallio en Seneca zijn afkomstig uit het nog altijd lezenswaardige werk van de Zwaan, nu voor een habbekrats op 'boekwinkeltjes':  Inleiding tot het Nieuwe Testament [1948, 3 dl Volksuniversiteit], Het oudste christendom en de antieke cultuur [1951]; De antieke cultuur om en achter het NT [1958] en in de serie Tekst en uitleg, Lukas [1917] en Handelingen  [1920] en Efese [1927]. Voor een tegengestelde visie op Gallio zie: Neutraal is tegen, in: J. van Eck, Paulus en de koningen, politieke aspecten van het boek Handelingen [1989].