rome-3

28,1-10 Gestrand op Malta

'Ik denk niet dat Christenen zoveel slechter zijn dan heidenen.'
Louise Creutzberg tegen haar latere man H.A. Leenmans
Maaike Meijer, M. Vasalis, een biografie, 2011, p27

Najaar 2011: een werkbezoek aan de Biënnale van Florence. Urenlang hangen helikopters boven ons pension. De regionale tv brengt uitkomst: een blanke man heeft in de straat waar we zojuist doorheen gelopen zijn geweer laten spreken tegen clandestiene verkopers van zonnebrillen of paraplu's: drie doden, zijn verweer: 'zomaar, de maat is vol.' Het eerste het beste schilderij dat ik de volgende morgen zie, heet Lampedusa: [1] gammele bootjes lopen te hoop op de kust waarachter zich de ruïnes van de Grieks-Romeinse cultuur verheffen. Anders en beter gezegd: de landing van een paar wrakke scheepjes op de kust van Europa volstaat voor het donderend geraas waarmee de christelijk-humanistische cultuur in elkaar zakt.

Als Paulus en de zijnen aanspoelen, gaat het anders. Er wordt een zo groot vuur ontstoken dat tweehonderdzesenzeventig in wind en water verkleumde schipbreukelingen zich kunnen warmen: zeelui, soldaten en gedetineerden. Er gebeurt meer dan het gewone: niet de gebruikelijke door de genen ingegeven plundering [2] maar een buitengewoon menslievende ontvangst door barbaren nog wel. In de door de Feniciërs onderworpen Carthager koloniën en handelsposten woonden Noord-Afrikanen - om niet te zeggen Berbers, voorouders van onze kut-Marokkanen - die Punisch spraken, een semitische, aan het Hebreeuws verwante taal. Het Maltees heeft ook een aantal Punische woorden bewaard. [3] Waarschijnlijk was Paulus dan ook de enige uit het gezelschap die de eilanders verstaat. Toch staat er: 'toen wij in veiligheid waren, vernamen wij dat het eiland Malta heette'. Paulus en de zijnen: wij, - ellende, ontbering, en zelfs gijzeling verbroedert.

Ondertussen is het brandhout nauwelijks aan te slepen. Ook Paulus sjouwt hout tot een daarin verscholen adder de hitte voelt en zich vastbijt in zijn onderarm. [4] De eilanders doorzien de situatie direct. Ontzette ogen versterken de fluistering: 'Kennelijk een zware crimineel. Het zijn geen mensen die je zoiets aandoen. Hij mag dan aan het woedende water ontkomen zijn maar de wraak der goden achterhaalt hem nu alsnog. Straks is hij dood.' [5] Maar Paulus schudt het dier af in het vuur en lijkt nergens last van te hebben. Daarop stellen de eilanders - binnen hun ervaringshorizon - hun oordeel bij: 'Is hij immuun voor gif? Dan is hij zo goed als god.' Al vroeg heeft men zich afgevraagd waarom Paulus deze voorstellingen van wraak en mensverering niet weersproken heeft zoals hij eerder in Lystra wel deed [14,15]. We mogen toch hopen omdat pastoraat en apostolaat geen automatisch repeteergeweer is maar zich mede door adres en tijdgewricht laat leiden?

Ondertussen is het huis van Publius, de gouverneur van het eiland, ingericht als crisiscentrum. Drie dagen zullen ze er blijven. Publius' vader ligt er met hevige buikkrampen op bed. Paulus bezoekt hem, bidt, legt handen op en geneest hem. Het bericht verspreidt zich even snel als eerder mogelijk de dysenterie: alle zieken stromen toe en worden genezen. Bij vertrek worden de schipbreukelingen met geschenken en lunchpakketten overladen en uitgewuifd zoals Asterix en Obelisk na weer een nieuw avontuur.

Commentaren op dit verhaal cirkelen rond het eiland, de gifslang en de afwezige drang om zielen te winnen, het gaat zelden over de medische mirakelen en al helemaal niet over wat toch de scopus lijkt van de verteller: de buitengewone menslievendheid van de barbaren. [6] No comment. En toch: in de 17e eeuw tekenden de Statenvertalers hier in de kantlijn al bij aan: Alzo noemden de Grieken en Romeinen alle andere natiën, die van de hunne niet waren, vanwege hunne vreemde zeden en onbekende talen, die zij spraken; zie Romeinen 1:14; 1 Corinthiërs 14:11, waarvan het schijnt dat nog hedendaags dat deel van Afrika, dat tegenover Sicilië en Malta ligt, Barbarijë genaamd wordt. [7]

Zo dikwijls Odysseus tijdens zijn omzwervingen ergens aan land gaat, zijn er twee mogelijkheden:
          om te zien wat voor mensen daar leven en hoe hun gedrag is,
          of het wilden zijn, woest gewelddadig en zonder wetten,
          of misschien wel gastvrije en godvrezende wezens.
          [ ]
          zouden het soms barbaren zijn zonder God of gebod, of
          juist gastvrije, godvrezende mensen?
          [ ]
          Nee toch! Welk land is dit, wat wonen hier nu weer voor mensen?
          Zijn ze wreed en barbaars of zijn ze gastvrij voor een zwerver? [8]

Goden garanderen de gastvrijheid, vooral Zeus. [9] Wetteloos, woest, wreed en gewelddadig zijn daarentegen de barbaren zonder God. De verteller van Handelingen breekt met dit cliché: goed en kwaad is geen etnische maar een ethische categorie. Kennelijk kun je ook zonder God zeer wel de juiste keuzes maken, en zelfs meer dan dat.
Paulus heeft daar minder moeite mee dan de latere kerk. Hij zag heidenen van nature of eigener beweging de juiste beslissingen nemen en concludeerde daaruit dat niet het bezit maar het doen van de thora beslissend is. [10] Ook met andere verschillen maakt hij korte metten: weg met de muren tussen Grieken en Joden, barbaar of Skyth, mannen en vrouwen, ja dan nee besneden, slaaf of vrij. [11]

rome-4In de oudheid werd de xenofobe ambivalentie ten opzichte van vreemdelingen - die ons in de genen zit - overwonnen in de concrete relatie van de gastvriendschap. Afspraken die symbolisch bezegeld werden door een stuk hout of een keramisch bord in tweeën te breken: beide partijen een helft. Ook familie of erven van gastvrienden konden zich daarmee later op de overeenkomst beroepen. De wederkerigheid van het verdrag laat zich aflezen aan het woord xenos dat zowel gastheer als vreemdeling betekent. Anders gezegd: in de taal is de wijsheid opgeslagen dat de rollen morgen omgekeerd kunnen zijn. Zoals James George Frazer [1902-1976] deze gebruiken bestudeerde, zo onderzocht Émile Benveniste [1902-1976] de semantiek. Hij analyseert de Latijnse woordgroep waaruit de woorden voor gastvrijheid [hospitalité, hotel, chambre d'hôte] zijn samengesteld. Evenals het Griekse woord xenos heeft ook hôte (gast en gastheer) een ontwikkeling doorgemaakt: de eerste betekenis van hostis is vreemdeling en zelfs vijand. [12]

Als barbaren ons een spiegel voorhouden en je zonder God voor het buitengewoon goede kunt kiezen, maakt geloof dan nergens het verschil? Neen, in het leven van alledag kennelijk niet. Maar hoe je tot die daden komt, kan verschillend zijn. Juiste keuzes en het hele contract denken lijken gemotiveerd door gezond eigenbelang. Wie zich aan de bijbel oriënteert weet dat de ander onontkoombaar is omdat hij/zij het beeld van God draagt. Verrassend verwant terzake van deze asymmetrie lijken Calvijn en Levinas, de eerste zegt: 'God heeft de ander als het ware in zijn plaats gesteld' [14] zoals bij de tweede transcendentie in de ander verschijnt. Vandaar de aanbeveling van Jezus om voor vijanden en vervolgers te bidden [Mt 5,43] en het kwaad te overwinnen door het goede [Rom 12,21] zonder op vergelding te hopen [Lk 6,27-28]. [13]
De vreemdeling redt. Emily Dickinson, orthodox protestant opgevoed in het Amerika van de 19e eeuw, leefde vele paradoxen: een mystica die niet in God geloofde, poëzie schreef maar niet publiceerde. In een van de zeldzame passages waarin God wel een gezicht krijgt, lezen we: 'De enige Handtekening onder de Brief die de Verlosser aan de mensheid schreef was: Een Vreemdeling, en Gij hebt mij geherbergd.' [15] 

augustus 1996 / oktober 2013


1] Jit Nieuwenhuis, 2011, gemengde techniek, 100 x 150cm
2] vgl Homeros, Odysseia, De reizen van Odysseus, in de vertaling van Imme Dros, 1991, Boek VII p 114
          Want de mensen houden hier niet van vreemdelingen
          en wie van ver komt, wordt niet aardig ontvangen, ook al
          varen ze zelf maar raak door de gapende zeemuil.
3] Phoe/Fe-niciërs, het Punisch was de moedertaal van Augustinus, die geen Hebreeuws kende maar in de Vulgaat wel hebraïsmen onderkende. Zie ook: Nicole van der Sijs, Van Dale, Groot Leenwoordenboek, 2005, 425
4] De adder zorgde onder exegeten voor veel reuring: het dier zou op Kreta niet voorkomen, Paulus zou dus op een ander eiand . Daarom zou Paulus op een ander eiland zijn aangespoeld: Mljet voor Dubrovnik dan wel Ketallina tegenover de straat van Korinte. De verbeten discussie haalt in 1988 zelfs het kerstnummer van Die Zeit [uitvoerig hierover: G. Manenschijn, Barbaren en hun buitengewone menslievendheid, 1996, 48-59]. Waarom zouden ook slangen in tweeduizend jaar niet kunnen komen en gaan? Maar dat is te simpel: men dacht daar op Malta dat het een adder was maar in werkelijkheid hing er een ringslang aan Paulus arm, de vermaarde Zahn hield het zelfs op een otter… [Ernst Haenchen, Die Apostelgeschichte, 1977, 682]. En wie de uitleg van Th.J.M. Naastepad [Op de dorsvloer, 1964, 267] kent, hoeft deze keer niet in internetpreken van OGG dominees naar de meest cabareteske tekst te zoeken, hij meende dat op Malta de slang uit het paradijs zijn opwachting maakte.
5] Haenchen verwijst naar een antieke grafsteen voor een zeeman, die een schipbreuk overleefde maar daarna alsnog door een slang gedood werd: Was rang er gegen die Wogen? / Nicht entrann er dem Los. [a.w. 682]
6] Met als goede uitzondering: G. Manenschijn, Barbaren en hun buitengewone menslievendheid, 1996, vooral p79-135.
7] Aanvankelijk heeft de aanduiding ook niets denigrerends. In het epos Omeros van Derek Walcott speelt de blinde, zwarte sjamaan Seven Seas de rol van Homerus als de ziener en alwijze verteller van de voormalige slaven in de Cariben. Als hij in de kroeg van ma Kilman aan de lezers wordt voorgesteld zegt zij: But its words were not clear. / They were Greek to her. Or old African babble [1990, III,2]. Niet het Grieks van de gecanoniseerde blanke Homerus, integendeel: 'it's all Greek to me' wil zeggen: ik versta er niets van; bla bla, gebabbel, oud Afrikaans gewauwel.
8] Homeros, Odysseia, a.w. resp. Boek IX, p147; Boek VI, p104; Boek XIII, p218.
9] Vgl Odysseus tegen de Kykloop:
          Had je maar niet als gastheer de gasten op moeten vreten.
          Zeus straft meteen met de hulp van alle andere goden [Boek IX p156]
En de varkenshoeder Eumaios tegen Odysseus incognito:
          'Vreemdeling zelfs als hier iemand kwam die nog veel armer
          was dan jijzelf, zou het zonde voor Zeus zijn hem slecht te ontvangen.
          Zwervers en bedelaars komen van Zeus [Boek XIV p 228
10] Romeinen 2,13-15, een hoofdpijndossier voor theologen, die de tekst in overeenstemming probeerden te brengen met de leer door in plaats van heidenen te lezen: heiden-christenen. Paulus gebruikt echter het in zijn tijd gangbare denkmodel van de in het hart geschreven natuurwet om de aan dit denken vreemde begrippen van zonde en schuld ter sprake te brengen. Het is zeker geen natuurlijke theologie avant la lettre. Vgl Henk Abma / Henk Ruiter: Een dwarse brief, 1992, p29-33. Zie voor de weldaad van de nuancering: Gerrit de Kruijf, Ethiek onderweg, acht adviezen, 2008, p24-26; anderzijds noemt hij op p59 het niet-vanzelfsprekende, het buitengewone wel als het specifiek christelijke...
11] Col 3,11 en Gal 3,26-28
12] vgl Henk Abma, Misericordia, Werken van barmhartigheid, 1998, 47-50
13] Abel J Herzberg vertelt in Brieven aan mijn kleinzoon een jeugdherinnering die hem gevormd heeft. Het gezin zit aan tafel als er aangebeld wordt. Een man vraagt of hij geld kan krijgen voor een treinkaartje naar Antwerpen, waar hij woont. De man heeft ooit zijn moeder ernstig beledigd. 'Mijn vader stond op, liet de man binnenkomen en gaf hem wat hij verlangde. Toen hij vertrokken was zei mijn vader: 'Als die man die ons ooit zo heeft beledigd, nu bij ons moet aankloppen om hulp, dan is hij door God gestraft. En dat is genoeg.'"
14] Calvijn, Institutie [vert. A. Sizoo, 1931] II, 191-192.
15] Emily Dickinson, Welk een waagstuk is een brief [brieven gekozen en vertaald door Bert Keizer] 2006