5,17-26 Gevangenschap - graf en bevrijding [1]                       
Elke tijd kent nogal wat presidenten en politici die achter de tralies horen. Het omgekeerde komt minder vaak voor: a dissident for president. Maar als dat gebeurt, ervaren we het als een bemoediging. Er wordt iets recht gezet, wonderen de wereld niet uit, machtsmisbruik en gesjoemel hebben toch niet het laatste woord. Het overkwam ons met Nelson Mandela en Vaclav Havel.
In Handelingen wordt driemaal verteld dat leiders van de Jezusbende achter slot en grendel gaan. Eerst alle apostelen, vervolgens Petrus en dan kun je er natuurlijk op wachten tot Paulus hetzelfde overkomt. 
Maar keer op keer zitten de mannen nog niet vast of ze staan als echte veel plegers via de draaideur alweer buiten. Tastbare humor geeft de verhalen vleugels: een andere manier van leven is mogelijk, geen mens die het tegen houdt.  
De bevrijding wordt ervaren als een wonder. Engelen zijn dan nooit ver en daarmee zakt de geloofwaardigheid voor ons tot vrijwel nihil. Tenzij we ons afvragen: waarom spreken we alleen van een wonder als iets dat niet kan, alleen als inbreuk op de natuur der dingen?
In het wereldbeeld van de Bijbel zijn engelen pas laat vanuit andere religies ingevlogen. Tot die tijd zijn het boden, gewone mensen die precies op tijd opduiken [2]. Misschien heeft de zoon van de gevangenisdirecteur uit sympathie voor de beweging stiekem de deur open laten staan of had iemand van het personeel geld nodig waardoor hij zich gemakkelijk liet omkopen. Het wonder is dat een deur op het juiste moment open gaat. En zo'n wonder herinneren we ons de 11e februari 1990 waarop Mandela hand in hand met Winnie uit de Victor Verster-gevangenis wandelde.

De drie verhalen laten zich echter ook nog op een andere manier interpreteren door op de structuur en het woordgebruik te letten en ons af te vragen: waar hoorden we dat eerder? Welke verbanden weeft de verteller en wat wil hij daarmee zeggen? Het loont de moeite, want de auteur rekent op zulke lezers. Dat is voor hem veel belangrijker dan wat wij een historisch verantwoord relaas noemen. Integendeel: als het zo uitkomt worden de feiten maar al te graag bij de boodschap aangepast.  
De eerste keer [5, 17-25] zetten de  hogepriester en de Sadduceeën alle apostelen gevangen uit afgunst om de enthousiaste toeloop van het volk. Diezelfde nacht nog opent een engel de deuren en 's morgens is iedereen terug in de tempel. Ook het Sanhedrin is dan weer bijeen. De tempelpolitie doet verslag: 'we vonden de gevangenis met alle zorgvuldigheid gesloten en de bewakers stonden bij de deuren, maar toen we die openden vonden we daar niemand!' [5,23]. Alsof het nog niet pijnlijk genoeg is, stapt iemand binnen om te zeggen, dat ze alweer in de tempel staan.
Voor het openen  van de gevangenis wordt in alle drie verhalen van ontsnapping hetzelfde werkwoord gebruikt, elders komen we het tegen als er graven open gaan [Ez 37,12, Mt 28,52]. Ook zien we driemaal het woord zorgvuldigheid terugkeren als ons verhaald wordt van de verzekerde bewaring van Jezus' graf [Mt 27,64]. En zoals de kerker leeg wordt gevonden, zo vonden de vrouwen de steen van het graf weg gewenteld  maar het lichaam vonden zij niet [Lk 24,2]. De vrouwen zijn met de situatie verlegen [Lk 24,4], zo op hun beurt de overpriesters.
In het tweede verhaal [12,1-19] zit Petrus in de gevangenis. Het is bijna Pasen, onmiddellijk daarna zal hij voorgeleid worden [vgl 'niet op het feest' Mt 26,5; Lk 14,2]. Geketend tussen twee soldaten ligt Petrus te slapen tot een overdosis licht hem aanstoot: 'Sta op, snel!' De haast en wat de engel verder zegt, zinspelen op het verhaal van de uittocht [Ex 12,11]. Metaalmoe vallen de ketenen op de grond. Maar die soldaten dan? Met een vette knipoog gokt de verteller dat de lezer zich het gerucht herinnert over het lichaam van Jezus dat 's nachts gestolen zou zijn, terwijl de soldaten sliepen [Mt28,13, zie ook 28,3: 'de bewakers werden als doden']. Als Petrus even later bij het huis van de gemeente aanklopt, vergeet de lieve Roosje van blijdschap om de poort te openen, binnen wekt haar verhaal verwarring en ontzetting, precies zo als bij dat andere gezelschap in Jeruzalem: van blijdschap kan het niet geloven dat het Jezus is die binnentreedt [Lk 24,41].
Het derde verhaal speelt in Filippi [16,16-40]. Paulus en Silas zitten in de binnenste kerker met hun voeten in het blok. Deze keer niets over soldaten en engelen. Alles draait om een ander nog niet eerder genoemd aspect van het paasevangelie. Nadat beide mannen om middernacht de lofzang gezongen hebben [zie: Mt 26,30] is er een geweldige  aardbeving [zie Mt 28,2]: deuren en boeien begeven het [bij Mattheus gaan ook de graven open: 27,51]. De gevangenisbewaarder besterft het welhaast, maar het verhaal eindigt als een paaswake: lezingen, doop en avondmaal.

De uittocht, de opstanding en de bevrijding uit de gevangenis staan in één perspectief: het graf even leeg als de kerker. Graf en gevangenis als vrijwel synoniem. Hebben we dat ook al eens eerder gehoord? Vanuit de gevangenis vraagt Johannes de Doper aan Jezus of hij al dan niet de beloofde Messias is. Het antwoord luidt: 'Blinden worden ziende, lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd, doven horen, doden worden opgewekt, armen ontvangen het evangelie' [Lk 7,22]. Het is een collage van citaten uit Jesaja [61,1; 35,5; 29,18], alleen de opwekking van doden ontbreekt, en op die plaats staat, ik verzin het niet: de vrijlating van gevangenen.
   
Er is nog een tekst die hier niet mag ontbreken. In de brief aan Efese [4,8] wordt van Christus gezegd: 'ten hoge opgevaren nam hij de gevangenschap gevangen.' Dwarsliggers monddood gemaakt in de gevangenis, het leven van mensen hun tijd vooruit gefnuikt, miskend door valse beeldvorming, mensen vastgelopen of klemgereden, - opgenomen in de liefde van Messias Jezus. Wat hij beoogde en waar hij tot de laatste snik ook aan heeft vast gehouden, is door zijn dood niet ongedaan gemaakt, wat hij teweeg bracht, wordt in zijn geest voortgezet, en wij: ontsnapt aan onszelf, bevrijd, eindelijk mens!
 
Samenvattend, om verder te komen, deze aantekening uit het dagboek van Etty Hillesum: 'Wanneer een spin haar web weeft, werpt ze dan niet de hoofddraden vooruit en klimt ze er niet zelf achteraan? De hoofdweg van m'n leven strekt zich al een heel eind voor me uit en reikt al in een andere wereld. Het is net of alles wat hier gebeurt en wat nog gebeuren zal al ergens in me verdisconteerd is, ik heb het al verwerkt en doorleefd en bouw al mee aan een maatschappij ná deze.' [Het verstoorde leven, 187].

toegift op het thema
gevangenschap - graf, bevrijding - opstanding    
Simson valt als een blok voor vrouwelijk schoon, vrouwen lokken hem in de val. Erg kieskeurig is hij niet: zodra hij even niets omhanden heeft, gaat hij naar de hoeren. Zo gebeurde het ooit in de Gazastrook - die kleine zandbak tussen Egypte en Israël, die wij nu kennen als heel een ander ? strijdtoneel - dat Simson aanklopt bij een vrouw van lichte zeden, een temeier. Het gordijn is nog niet dicht of het stadje gonst al van de geruchten. Het geeft te denken: publieke vrouw, publieke omroep. Als het donker is, posteren zich overal zwijgende kerels, type kleerkast. Zodra het licht wordt, zullen ze Simson grijpen en vermoorden. Maar Simson houdt het rond middernacht al voor gezien. Hij staat op ! grijpt de zware deuren van de stadspoort, rukt ze met grendel en al uit hun hengsels en draagt ze een berg op, die uitziet op Hebron. LOL, dat is internetjargon voor  laughing out loud, lots of luck or love. Maar waarom die marathon vanuit Gaza helemaal richting
Hebron? Is het omdat David daar straks tot koning gekroond zal worden? David die voorgoed met de Filistijnen zal afrekenen?
Het verhaal staat in het boek Richteren [16,1-3]. Wat de tekst extra goed maakt, is dat de kerk vanouds niet preuts weg keek maar de gebeurtenis eerde als een beeld van… Pasen! Simson,- zo dikwijls hij om liefde ging, verraden, gekneveld en gekooid, wordt in vrijheid gesteld,- de gevangenis gevangen, overheden en machten ontwapend, openlijk te kijk gezet [Col 2,15]. Vooral in de middeleeuwen sprak dit zinsverband tot de verbeelding.
In Klosterneuburg, vlakbij Wenen, bevindt zich het beroemde altaar met de geëmailleerde, goudvergulde koperplaten die de rondtrekkende kunstenaar Nicolaas van Verdun eind 12e eeuw maakte als bekleding van de romaanse preekstoel. Met gezwinde pas snelt Simson - je voelt aan alles: het is voorjaar - met de stadpoorten van Gaza op zijn schouder langs de berghelling omhoog. 
Dichtbij Lyon ligt hoog tegen een bergwand het stadje La chaise Dieu, - bij zo'n naam kan de kunst niet achterblijven: het hele interieur van de kerk is behangen met tapijten, catechese met naald en draad, geloof door het oog van een naald.  In het midden steevast een tafereel uit het evangelie, links en rechts geïllustreerd, of liever: overeind gehouden, ondersteund door verhalen uit Tenach. Zo vinden we naast de triomfantelijk tussen de slapende soldaten uit zijn sarkofaag stappende Jezus: enerzijds Jona die zich als een jonge god uit de vis aan wal bidt en aan de andere kant: Simson met de deuren van Gaza. Vanwaar die onmiskenbare drankneus? De naam Simson is verwant aan sjemesj: zon. De oudste versie van de legende lijkt een zonnemythe: als de stralen van de zon korter worden, neemt haar kracht af, en zo is het ook met haren van Simson, kind van de zon. Op zijn laars staat het antwoord op onze vraag. Psalm 78,65 [vertaling Gerhardt / Van der Zeyde]:
    Toen verrees de Heer, als uit een slaap
    een held die zijn roes van zich afschudt. [vertaling
Andere vertalingen: die ontnuchtert van wijn [Oussoren], door wijn overmand [NBG], uit de roes van de wijn [NBV]. Als het om wijn gaat moeten we het misschien toch op het Frans houden uit de pen van de Jood Chouraqui:
    Mais Adonai se réveilla comme un dormeur,
    comme un héros jubilant de vin.
Het derde en wellicht meest ontroerende voorbeeld is een gewone grafsteen, zij het vroeg romaans uit de 10e eeuw, in 1860 opgegraven bij de Kloosterkerk St Géraud in de Haute Auvergne, inmiddels bekend geworden als Samson d'Aurillac.

[1] oorspronkelijke tekst: 1 april 1983
[2] Zoals Paulus aan een Joodse moordaanslag ontsnapt door de terreurcommando's bij de uitvalswegen van Damascus te ontwijken: vrienden laten hem in een mandje langs de stadsmuur omlaag zakken [9,25],- wonderbaarlijk gered door een list.