Mij moord
blazende nog
te voet op de stofweg
voor Damascus ging mij
blindeman gelovig Joods
zaad van Saul uit de stam
van Benjamin nota bene d' origine
uit Judea maar door de ijzeren
consequentie van de Wet op M
blindgemaakt een licht op

Jacques Hamelink
[uit Sacrale komedie, 1987]

9,1-8 Saul bij Damascus    
Het verhaal heeft school gemaakt. In de Bijbelgordel is het schrikbeeld: onbekeerd sterven. Een Paulusbekering, een ingrijpende, plotselinge ervaring waarvan in geuren en kleuren verteld kan worden, is je ware. Hoogstpersoonlijk door God gegrepen worden in een cabrio, kroeg of bordeel en als het moet zelfs op een bed violen. Helaas vat de ervaring slechts weinigen ten deel: een mens wint eerder de lotto dan de verandering van Saulus in Paulus. 
Augustinus is ermee begonnen. Saul: Israëls eerste koning, uit de stam van Benjamin, even trots als paranoia tegenover de rijzende ster van Paulus, die zich vanuit het Latijn met klein makende deugden als nederig en je plaats weten laat associëren. Paulus kreeg echter in Tarsus geen Latijnse naam maar een Griekse. Hij groeide op met de wijsheid van een diplomaat: Grieken een Griek: Paulus dus, en Joden een Jood: Saul. Na de ingrijpende omscholing blijft Lukas gewoon van Saulus spreken [11,25; 12,25, 13,2 en 7] en pas daarna - als iedereen weet dat hij van origine een Jood en zelfs een farizeeër is, en dat ook altijd zal blijven - wordt het Paulus.
De vrome uitdrukking, waarin zich bovendien gemakkelijk anti-Joodse sentimenten nestelen, is niet alleen een broodje aap maar gaat nog anders mank. Een heiden kan zich bekeren: breken met alles wat hem heilig was en zich aan een nieuwe levensoriëntatie gewonnen geven. Een Jood kan dat niet. De eerste gaat na een lang huwelijk gestrekt voor een nieuwe liefde, de tweede ontdekt in de vrouw waarmee hij al een heel leven samen is onvermoede diepten.
Lukas en Handelingen vormen een tweeluik: Jezus maakt voorgoed een begin, na zijn dood wordt het in de gemeente als zijn lichaam voortgezet. J.H. Gunning jr [1858-1940] noemde Handelingen 'net als het evangelie, een levensverhaal van Jezus', andermaal wordt vervolgd Lukas, deel twee.  
Waar hoorden we dit eerder? Koning Saul jaagt David na. Hij staat hem naar het leven. Als een echte guerrillaleider houden David en zijn makkers zich schuil in holen en spleten. Op zekere dag loopt Saul zo'n grot binnen 'om zijn voeten te bedekken' - lees: omdat hij zo nodig moet. Heel toevallig zitten David en de zijnen verderop in dezelfde ruimte. Met een snelle beweging snijdt David een slip, een punt van de afgelegde mantel, die hij later aan Saul laat zien als hij vraagt: Zo gemakkelijk had ik je kunnen doden. Waarom luister je naar mensen die zeggen dat ik je kwaad wil doen?
De koning te kakken. Onder de desperado's, die op vlucht zijn voor het geweld kan het niet vaak genoeg verteld worden. Dus twee hoofdstukken verder hetzelfde verhaal aan de hand van een onder Sauls handen weggegriste speer en waterkruik, en daar heet het: Waarom vervolg je mij? Wat heb ik verkeerd gedaan? [1 S 24,11; 26,18]. De gretige leerling van de eminente rabbi Gamaliël moet in de vraag die hem bij Damascus het vuur aan de schenen legt, gehoord hebben hoe de geschiedenis zich herhaalt: opnieuw staat Saul iemand uit het huis van David naar het leven. Verblindend licht vanuit de hemel bevangt hem. Er is ook een stem, maar die komt niet uit de hemel, althans: dat staat er niet. De Schriften spreken: Saul wat vervolgt gij mij? Gij Mij! Immers: wat we de minste mensen doen of juist niet, doen we Hem - zo eigen zijn Hem de minsten [Mt 25]. Stem van mede door Saul vervolgden, verdreven en vermoord, stem van het bloed: Jésus en agonie jusqu'à la fin du monde [Blaise Pascal].
De spraakmakende oneliner van Harry Kuitert: 'Alles wat wij over Boven zeggen, komt van beneden, ook als wij zeggen dat het van Boven komt.' Natuurlijk veroorzaakte die uitspraak opschudding: de Naam, de stem ons te boven leek het bestaan ontzegd. Saul van Tarsen begrijpt Kuitert anders: in de stem van de ontheemde en vernederde creatuur komt het onderste boven, uit het ongerijmde bewijst zich de transcendentie. Twee regels uit De vis van Ed Hoornik:
    Wat is God? De onderste steen.
    Wat is God? Het mes op de keel.

De getalenteerde student, die met aanbevelingsbrieven van de hogepriester naar Damascus trok om 'de mensen van de Weg' het leven onmogelijk te maken, strompelt tastend als een blinde de stad binnen: al zijn onwrikbare zekerheden en daardoor het onvermogen om te luisteren, - alles in een klap gewist:
    U heeft een harde hand van ronselen.
    Verbazingwekkend, want uw rekruut
    bleek Saulus, een voetknecht die ontwapend,
    blind en timide, een wrak van zichzelf,
    werd achtergelaten in het niemandsland,
    binnen handbereik van zijn vijand.
    Daar in Damascus, had hij af te wachten,
    de eens zo intimiderende zaaier van haat. [1] 

Voorafgaand aan een expositie voor visueel gehandicapten [waar ook heel veel zienden toe gerekend moeten worden] liepen kunstenaars soms dagenlang met een blinddoek om: alle vroegere houvast onbruikbaar, een reset van je besturingssysteem, oude data gewist en nieuwe geladen. De winst van dit verlies lijkt Saul bij uitstek geschikt te maken voor zijn nieuwe taak.

9,8b-31 Saul in Damascus
Het gevolg van Saul, meelopers in de haat en verderf zaaiende missie, brengen hun tot inkeer gekomen en met blindheid geslagen voorman de stad. Hij vindt  onderdak bij ene Judas, die in de Rechte Straat woont. Zonder eten of drinken zit hij drie dagen in het donker. De straat - uit het stadsplan van Hippodamus van Milete, 5e eeuw - is er nog altijd, evenals vijf meter onder het huidige straatniveau het huis van de man die nu bij Saul op bezoek komt: Ananias.
De ontmoeting is zorgvuldig gearrangeerd. Saul heeft het bezoek letterlijk zien aankomen, terwijl Ananias op zijn beurt eveneens in een visioen te horen krijgt wat hij moet doen: handen opleggen zodat de man weer kan zien, zijn doopvader worden en maaltijd houden. Het wordt verteld met de eenvoud van de Zeeuwse boer die gewend was om op de zolder van zijn boerderij te bidden omdat hij dan dichter bij 'denGeeren' was of van mijn ouders die de antwoorden op prangende vragen keer op keer op het juiste moment aflazen aan de scheurkalender.  Een zo intense omgang met de Eeuwige: vraag me niet hoe dat kan maar profiteer ervan door het verhaal goed te lezen. Ik had dit nog niet geschreven of ik werd wakker met twee regels uit de laatste bundel van Wislawa Szymborska [2], het gedicht heet: Wederkerigheid, de regels gaan als volgt:
    Geziene blikken
    […]
    Dromen die ons plotseling wakker maken.

Het gerucht is de gevaarlijke gek vooruitgesneld. Hij is het gesprek van de dag: alarmfase oranje, ouders instrueren hun kinderen over een enge man. In die situatie weet Ananias zich geroepen. In een droom wakker geschud. Hij zegt: hier ben ik. Abraham, Mozes en Samuël zeiden het eerder in het hebreeuws: hinneni [Gen 22,1; Ex 3,4; 1 Sam 3: 4, 6,8], Chouraqui vertaalt het met: me voici, vierde naamval, accusatief.
Levinas verwijst naar deze grammaticale vorm om uit te leggen hoe verantwoordelijkheid wordt gewekt, aan identiteit en vrijheid vooraf gaat en die twee nader definieert. Niet het autonome zelfontwerp van een ego in de eerste persoon, maar de accusatief: me voici, de beschikbaarheid van iemand op wie een appel is gedaan, waardoor hij tot zichzelf komt en voldoet, precies dáár waar zijn naamgenoot [5,1-1] tekort schoot en het leven liet.
Ananias is beschikbaar, maar niet als een robot. Hij vraagt of er geen misverstand in het spel is. Weet de Eeuwige wel hoe erg Saul is? Ja wel, maar na alles wat er bij Damascus gebeurd is, past hij met zijn cv en karakter precies in het profiel om te getuigen van de Naam onder de gojim en hun machthebbers. Ananias waagt het hierop. En dan gaat het snel: Saul ziet, wordt gedoopt, bevlogen door de Geest en verkwikt door de maaltijd.
En waar het hart vol van is... In alle synagogen vertelt Saul niet wat hem is overkomen maar hoe zijn ogen geopend zijn voor de Naam Jezus, die reikt van de schepping tot in het nieuwe Jeruzalem. Het resultaat is averechts: 'Zijn wij nu gek of is hij het? Dit is toch die man, die…?' Tussen deze vragen en een moordaanslag zit nauwelijks ruimte. Doodseskaders staan dag en nacht bij de stadspoorten van Damascus.
Maakt religie mensen ziek? Het valt niet te ontkennen: het afzweren van fanatisme en geweld lijkt een onmogelijke opgave, geloof en verdraagzaamheid een utopie. Nadat ik een kwart eeuw predikant geweest was, stelde de kerk voor mijn traktement om niet te geven als ik verder mijn mond wilde houden. Niemand knipperde met de ogen bij de formulering van het excuus: 'De kerk heeft geen verweer tegen intolerantie.' Soms kun je kerkverlating misschien ook begrijpen als een kwestie van goede smaak. 
Vroeger gingen mensen naar de kerk om bekeerd te worden. Tegenwoordig staat het hele begrip in een kwade reuk. Jonge mensen bekeren zich tot de islam en reizen korte tijd later af naar een brandhaard van geweld.
Paulus is van zijn blinde fanatisme, de ziekte van het boze oog nog niet genezen of hetzelfde pestvirus verspreidt zich als een epidemie onder zijn vroegere Joodse geloofsgenoten. In drie donkere dagen heeft Saul geleerd dat de Naam lijden betekent [9,16], verzet en geweld oproept [Mt 11,12]. Hij vlucht in een biezen mandje langs de stadsmuur omlaag. Er is geen andere remedie dan de breekbare pogingen om [de oorzaken van] haat uit te bannen. Daarmee eindigt het hierboven geciteerde gedicht van Szymborska:
    En desnoods van tijd tot tijd
    het haten van de haat.
    Want ten langen leste
    wordt niet-weten niet-geweten
    en zijn handen betrokken bij het wassen van handen. [uit: Zo is het genoeg, 2013]

Inkeer in triplo,
het adres en de boodschap [9,10-19; 21,40-22, 21; 26,1-32]
Vanaf de moederschoot weet Paulus zich apart gezet: een Jood, van de farizese bloedgroep. Aanvankelijk slaat hij wild om zich heen. Hij bereikt pas zijn bestemming nadat zijn innerlijke kompas georiënteerd wordt op het leven van Messias Jezus [Gal.1,15-16].
In Handelingen wordt die hardhandige omkeer bij Damascus driemaal verteld. Eerst is er Ananias, een man van de weg waarop joodse en gojse [3] mensen samen optrekken. Hij legt hem de handen op zodat de schellen van zijn ogen vallen en hij wordt zijn doopvader [9,10-19]. Variant twee speelt in Jeruzalem, de stad waar Paulus studeerde bij de beroemde rabbi Gamaliël. Paulus vertelt het verhaal zelf. In het Hebreeuws. Ananias heet nu een godvruchtig man die leefde aan de hand van Mozes en bij de Joden in hoog aanzien stond. En dan moet de Opgestane zelf er in een tempelvisioen nog aan te pas komen om Paulus letterlijk over de grens, richting gojim  te bewegen [21,40-22,21]. Variant drie [26,1-32] richt zich tot de overheid: Festus, de Romeinse procurator en koning Agrippa II. Ananias wordt niet meer genoemd, laat staan een visioen in de tempel. Alle bemiddeling is verdwenen. Het was zoals Gabriël Smit Mozart toedichtte:
    Hij zag misschien een verte waarin licht
    volkomen klank werd en deed zijn ogen dicht
    om het nooit meer te kunnen vergeten.  [Evenbeeld, 1981]
Marketing is de bijbel niet vreemd: de boodschap wordt mede bepaald door het adres en daarbij is tolerant niet synoniem aan onverschillig en leiden alle wegen zeker niet naar Rome.
Tenslotte. Saul hoort de stem van Tenach, het verhaal van Saul die David achtervolgt, de stem van het bloed ook, de mede door Paulus vervolgde, uit hun huizen verjaagde en met de dood bedreigde christenen. De eerste keer lezen we dat de meelopers van Saul de stem horen maar niemand zien, anders gezegd: zij hebben geen idee wat er gebeurt. De tweede keer staat er dat zij wel het grote licht zien maar anders dan Paulus geen stem horen. Een ook de laatste keer wordt iedereen overrompeld door het licht maar hoort alleen Saul een stem: in het Hebreeuws zelfs.  

__________________________

[1] Willem Jan Otten, Gerichte gedichten, 2011
[2] Wislawa Szymborska, Zo is het genoeg, de laatste gedichten en nagelaten kladjes van Wislawa Szymborska, 2013
[3] Excusez le mot: goj, Hebreeuws voor een niet-Jood, iemand uit de volkeren [dat is ook zo wat] of een heiden [maar dan denk je aan kralen en spiegeltjes, en niet aan ons geseculariseerde Europeanen].