Zonen van hetzelfde huis in Abrahams tent
Eerder dit jaar zag ik in de Hermitage in Amsterdam een expositie van de grote Antwerpse schilders sinds de 16e eeuw. Vrijwel onmiddellijk werd ik een schilderij van Rubens binnengezogen: heibel in Abrahams tent, Hagar die wegloopt of weggestuurd wordt door de jaloerse Sara. Er ontstak een wervelwind waarin een heel leven van Bijbelstudie meekwam. Deze tekst is een poging om die overrompelende totaalervaring om te zetten in normale communicatie. En er was nog iets. Toen ik al in het schilderij was, het normale horen en zien vergaan, voelde ik dat er iemand naast me stond. Maar zoals je in een droom tevergeefs probeert te schreeuwen zo kon ik niet opzij kijken. Toen de storm was gaan liggen, stond zij er nog: jong met een hoofddoekje, en wat meer is: ze wist van de hoed en de rand anders had ze daar niet zolang uitgehouden. De fractie van een seconde waarin wij elkaar in de ogen keken, was tekort om iets te vragen. Later voelde ik dat als een verzuim: ‘Hebben we nu hetzelfde gezien?’ Een gemiste kans, want zo’n gesprek is urgent, kansrijker ook sinds de spraakverlammende retoriek van Mozart uit Venlo afzwakte tot de rituele gebaren van een stewardess die nog maar eens de werking van het zwemvest uitlegt. 

Terug naar het schilderij en het verhaal, beter: beide verhalen daarachter [G16,1-16; 9-10e eeuw; 21,8-21; 8e eeuw]. Eerst vlucht de zwangere en zelfbewuste Hagar weg van de pesterijen van Sara, later wordt zij samen met de dan al zeventienjarige Ismaël de woestijn in gestuurd. Eerst doet Abraham niets, later verzet hij zich en lijkt de redacteur daarmee uit op rehabilitatie. De vroegste mondelinge versie gaat over een bron en cultusplek, een etiologie om ’s avonds bij het kampvuur uit te leggen hoe de stamverwante Ismaëlieten als bedoeïenen zo diep in de woestijn terecht gekomen zijn. Verdere vermoedens over de oertekst lopen vast in het zand van diezelfde woestijn. Anders gezegd: het kader van onze interpretatie is de huidige context, de compositie van het boek Genesis die ontstaan is toen de historische herinnering aan de Ismaëlieten lang en breed vervaagd was. [1]
Het is duidelijk dat Rubens beide verhalen door elkaar gehaald heeft. Hij schildert de zwangere Hagar uit het eerste verhaal in de situatie van het tweede, geen vluchteling maar een slavin die haar biezen moest pakken. Abraham lijkt net wakker geschrokken uit een dutje en staat in de deuropening: trekpop van Sara, afgezien van zijn zaad geen enkele inbreng. Tussen Hagar en Sara is oogcontact. De blik van Sara houdt het midden tussen venijn en jawel: onzekerheid. Hagar gebaart afwerend naar het vileine keffertje dat haar een dubbel paspoort verwijt. Haar gezicht lijkt te zeggen: “Maar het was toch jouw idee Sara om mij draagmoeder te maken? Je kunt nu wel boos worden als Abraham weer eens te lang bij mij in de tent bleef hangen maar je bent toch niet vergeten hoe je mij schaars gekleed zelf naar Abrahams bed gebracht hebt? Hoeveel schilders van naam heb je daarmee duizenden jaren later in de Zuidelijke Nederlanden het hoofd niet op hol gebracht, dolgelukkig dat ze zich met de Bijbel als alibi mochten uitleven op mijn borsten. Trouwens zo’n feest was het nu ook weer niet met Abraham. Dat staat trouwens heel goed in de Statenvertaling: ‘hij ging tot haar in, en zij ontving’.’’

Elie Wiesel, Nobelprijswinnaar voor de vrede, die als kind Auschwitz overleefde, ziet in het huishouden van Abraham de wortel van de Palestijnse kwestie: de scheiding van broers die gewoon samen hadden kunnen opgroeien. De schending van de ‘joodse triniteit’: recht doen aan wees, weduwe en vreemdeling [Ex 22,21-22]. Een kanttekening daarbij. Dit najaar was mijn Indian Summer, dat wil zeggen: ik las veel over de genocide op de indianen aan het eind van de 19e eeuw. Als de situatie volstrekt uitzichtloos is, ontstaan dromen en gezichten: de door de blanken gedode Messias komt opnieuw en zal de indianen hun land en de verdwenen bizons terug geven, terwijl de blanken worden terug gedreven in de zee waaruit ze aan land kwamen. Onafhankelijk van elkaar en een eeuw uit elkaar in Amerika en in het Midden-Oosten dezelfde metafoor. Het geweld dat er in meekomt, werkte bij mij jarenlang in het nadeel van de Palestijnen. Dit jaar kantelde de vraag: hoe diep moet een volk getraumatiseerd worden, wil het deze beeldtaal ontwikkelen?
Precies op dat punt kiest dit verhaal positie, en dat terwijl er zonder vooroordelen wordt verteld, de schuldvraag binnen de driehoeksrelatie is geen centraal thema. Des te meer in de latere uitleg. Zo is Sara: mooi, rijk en daarom kinderloos want dan is er nog iets om voor te bidden. Calvijn telt via een U-bocht de zegeningen van het monogame huwelijk. Er is harde kritiek op Sara’s ongeloof en ongeduld, en het andere uiterste: mensen die initiatief nemen, meedenken om de belofte te realiseren of zoals het in de jaren tachtig heette:  God handen en voeten geven. Het draagmoederschap was door Hammurabi keurig bij wet geregeld maar niet de bijwerkingen: een moeder die zich toch aan het kind gaat hechten, zelfrespect herwint en zich daarnaar gedraagt: de verdrukten van gisteren de onderdrukkers van morgen. Als Rembrandt Hagar tekent, scharrelt er altijd wel ergens een pauw rond. Volgens Rashi – een joodse commentator uit de middeleeuwen - is Hagar de trotse dochter van farao; een geschenk aan Sara na de ontdekking van het bedrog van Abraham als gevolg van zijn vooroordelen tegen buitenlanders [G12,1-20, G20,1-12]. [2]
Als Abraham Hagar aan Sara teruggeeft is dat een schoffering [3]: een degradatie, het begin ook van zuigende pesterij waar vrouwen patent op lijken te hebben, uitlopend op Hagars ‘vlucht naar Egypte.’ De gebezigde werkwoorden [G16:4,6, 11b] verwijzen naar de latere slavernij van Israël in Egypte maar dan met Sara in de rol van Farao. Nog voor er van Israël sprake klinkt tot Hagar het bevrijdende woord van de Eeuwige waarmee straks de exodus, de kern van het joodse geloof, begint: ‘Ik heb je gehóórd’ [G 16,11; Ex 3,7-8]. Ik denk aan de woorden waarmee Gerard Reve De avonden besluit: 'Ik leef, ik adem, ik beweeg, dus ik leef. Wat kan er nog gebeuren? Er kunnen rampen komen, pijnen, verschrikkingen. Maar ik leef. [] Het is gezien, het is niet onopgemerkt gebleven.‘ [4]
  
'Ik heb het gehoord?' Maar wat dan? Een stem? Tranen? Gebed? Neen, er staat: Ik heb je vernedering, je ellende gehoord, dit hele leven dat geen leven is. Adonai is Israëls God, het tegendeel van 'eigen volk eerst': hij trekt zich het lot van verontrechten aan en draagt ze in de schoot van Abraham [Lk16,19-31].

Hagar krijgt dat allemaal te horen tijdens een ontmoeting met een andere woestijnganger, geen engel maar een mens van vlees en bloed. Engelen als grensgangers zijn de joodse voorstellingswereld vreemd. Pas veel later, als de afstand tussen God en mens nauwelijks meer te overbruggen is, worden ze vanuit andere religies aangevlogen. In het tweede en later geredigeerde verhaal is dan ook wel sprake van een hemelse engel [21,17]. Maar die oudste vorm van ‚Godtalk‘ is misschien de enige die in ons tijdsgewricht nog een kans maakt: het geheim van de Naam, niet los verkrijgbaar maar ‚soms even‘ in mensen aanwezig. Mensen als ‚stand in‘ voor de Eeuwige, zoals en zo dikwijls mensen in staan voor elkaar: zo goed als God. In oude taalresten klinkt dit besef nog door: Grüßt Gott, Adieu, de lichte aarzeling om de ander soms met een hoofdletter te schrijven of de tekst van een geboortekaartje: een kind is ons geboren, een zoon ons gegeven [Jes 9,6]. Ervaring van gene zijde, de technische term in het Hebreeuws voor de bode is malak Adonai, geen engelenhaar in de kerstboom maar iemand uit de boom van Jesse. Als de Eeuwige zegt: Ik heb je ellende gehoord en daarom daal ik neer om te bevrijden, gaat het om deze ervaring van transcendentie, die in mensen aanwezig… kòmt [vgl Lk 24,31b SV]. Voor de oudkerkelijke formule aangaande Jezus: even waarachtig God als waarachtig mens, hoef je niet eerst Griekse filosofie te studeren maar je kunt ervoor terecht in tenach. [5]  Wie de zoon ontmoet, ziet de vader [Jo 14,9], want ‚Een van also hooghe, van also veer‘ – mens naar Gods hart, die niet met andermans veren pronkte, geen gestolen titel voerde maar dat alles liet voor wat het is en zich ontledigde, kortom: deze 'uit het pantheon boos weggelopen verloren zoon‘ [Van der Graft] in de gestalte en met de statuur van een slaaf en zo Hagar [hebr. ha ger, de vreemdeling] in alles nabij. [6] 
Uit zulke verhalen en ervaringen kennen we God en je kunt daarmee uitleggen dat geloven misschien zo gek nog niet is. [7] Het is klein en kwetsbaar begonnen met Abraham. Dat spoor noemen we thora, geen heerbaan maar een zanderig karrenspoor, vaak lijkt de weg onvindbaar of dood te lopen. Verhalen over gesjochten types, geen wijze of invloedrijke mensen, geen hoge adel [1 Korinthe 1,26], vaker vallen dan opstaan, moeizame bevallingen, en natuurlijk zegt dat iets over de Naam die daarin aanwezig kómt, over zijn keuze voor de marge, lijden en onmacht als middelen om de wereld te veranderen: dwazen brengen wijzen tot inkeer, zwakken nemen sterken op sleeptouw [1Kor 1,27, en ook Teilhard de Chardin].
Dit is de rode draad in de verhalen over Kaïn en Abel, Abraham en Lot, Izak en Ismael, Jacob en Ezau, Juda en Jozef, de mens en zijn broer, Israël en de volkeren. Verkiezing wil zeggen: de last van het geheim dragen met het oog op de anderen. Wat simpeler gezegd: als kleine groepjes stug volhouden om de verhalen te lezen, een keertje extra willen oefenen in de cantorij, niet de neus optrekken voor een baantje in de organisatie en bereid zijn om jaarlijks ook een fiks bedrag neer te tellen dan, ja dan kan de rest naar Zandvoort [vgl Hand. 15, 19-20].
En van Zandvoort gesproken: Ismaël is duidelijk geen gesjochten type, eerder een gele trui drager. Rembrandt heeft Abraham getekend terwijl de Heer incognito maaltijd met hem houdt. Ismaël hang bij die gelegenheid over een muurtje om een hert of konijn te schieten. Ook in bed staat hij zijn mannetje, in een ommezien heeft hij meer dan een elftal verwekt: ‘twaalf stamvorsten, elk met hun eigen nederzetting en tentenkamp‘ [Gn 25,16]. Vergelijk dat maar eens met het armoedige geknoei van Jacob met vier vrouwen om datzelfde aantal te halen. Izak wordt een wilde ezel genoemd, symbool van de woestijn [8]:  vrij als vogel maar ook vogelvrij, 'zijn hand tegen allen en allen tegen hem'. [9] Een samenleving die je misschien nog het beste kunt vergelijken met die van de krijgsheren in Afghanistan. [10]

Bij oppervlakkige lezing lijkt de Eeuwige precies te doen wat Sara wil. Toch is het een heel ander verhaal. God onderscheidt, Sara brengt scheiding; God mikt op alle mensen, Sara gaat voor huis en haard. [11] Als Izak van melk op vaste spijs overgaat, is het feest, immers: de meeste kinderziekten heb je dan met succes doorstaan, je levenskansen zijn aanzienlijk gestegen. Uitgerekend bij die gelegenheid is Ismaël Sara teveel, zij wil dat Abraham hem als ongewenste vreemdeling uitwijst. [12] In de Septuaginta [13] staat dat Ismaël [met Izak] en aan het spelen was, en juist dat vredige tafereel zet kwaad bloed. Om het gedrag van Sara goed te praten, staat al in de Hebreeuwse tekst dat Ismaël lachte of spotte, een joodse traditie beweert zelfs dat Ismaël zijn halfbroer met pijl en boog bedreigde, in die lijn schrijft Paulus later dat Ismaël Izak vervolgde, naar het leven stond [Gal 4,29].
Het is duidelijk: tijden en gelegenheden kleuren de teksten, die binnen de horizon van elke tijd worden gelezen en uitgelegd. De verwikkelingen in Abrahams tent zijn tot op vandaag tastbaar, maar ze vormen geen barrière voor vrede in het Midden-Oosten. Ook in de Koran voedt het verhaal nergens haat, de lastigste passages krijgen niet eens aandacht. [14] Anders gezegd: als zonen van hetzelfde huis [Ps 133,1] zouden Israël en de Palestijnen samen hun winst kunnen doen met zoiets als een Benelux. Na alle ellende begraven Ismaël en Izak samen hun vader [Gn 25,7]. En als Ezau later ontdekt dat zijn vader Izak not amused is als hij Kanaänitische meisjes het hof maakt, gaat hij naar Ismaël en kiest diens dochter Machalat als vrouw [Gn 28,8-9], en ze leefden nog lang en gelukkig. Moge vrede de giftige planten van haat die hele generaties na elkaar over en weer dreigen te overwoekeren, genezen.  

-----------
[1] De oorspronkelijke etiologie is onbelangrijk geworden, alleen al omdat Ismaël niet eens meer in het diepe zuiden geboren wordt. Tijdens de redactie in de Babylonische ballingschap was de historische samenhang met  stamverwante volkeren in Noord Arabië vervaagd. In 16, 8–11 neemt de bode driemaal het woord, hetgeen de indruk wekt dat er meerdere handen aan het werk waren. Het bevel om terug te keren, effent de weg voor het tweede verhaal maar de naad blijft zichtbaar: het kind wordt op de schouder van Hagar gelegd [21,14] maar Ismaël is op dat moment al 17 jaar oud [voor wie het na wil rekenen, zie: Gen 21,4; 16,6; 21,5]. De belofte van nageslacht [16.10] wordt gedaan voor er van een zwangerschap sprake is, anders gezegd: vers 8 sluit direct aan op vers 11. De belofte van een groot volk is geen thema voor Abraham maar past bij de gedunde rijen na de ballingschap, zoals het verbond eerst alleen een belofte is maar tijdens de ballingschap iets wederkerigs wordt: de sabbat als een tempel in de tijd en de Thora als land van belofte met de besnijdenis als bezegeling. Het verbond [met de landbelofte] geldt niet Ismaël maar Izak, daarom wringt het enigszins dat de besnijdenis als teken van het verbond het eerst aan Ismaël voltrokken wordt [Gen 17,23]. Zie: Ernst Axel Knauf, Ismael, Untersuchung zur Geschichte Palestinas und Nordarabiens im 1. Jahrtausend v. Chr. [Abhandlungen des Deutschen Palästinavereins Otto Harrassowitz], Wiesbaden, 1985. Thomas Römer, Isaac et Ismaël, concurrents ou cohéritiers de la promesse? in: Etudes Théologiques, l'Institut Protestant, Montpellier, Tome 74.
[2] Abraham is bang dat Farao [G13] en later Abimelech [G20] hem zullen vermoorden om de beeldschone Sara het hof te kunnen maken. Daarom 'geeft hij haar uit' voor zijn zuster. Zo wordt hij de pooier van Sara en loopt hij het risico dat de zoon van de belofte nota bene door Farao verwekt zal worden. Volgens een oude midrasj steekt de Eeuwige daar een stokje voor: op het moment suprême krijgt Farao steeds een verschrikkelijke jeuk aan zijn snikkel. Uiteindelijk zijn deze buitenlanders meer betrouwbaar dan Abraham: overladen met geschenken wordt hij uitgewezen, kortom: "Iets aan de joden blijft verbazingwekkend: de vernietigende belediging door de profeten. Een volk dat zulke beledigingen in zijn geloofscanon opneemt." [Elias Canetti]
[3] Vgl Claus Westermann, BK I,14, 1979, S288. Abraham geeft Hagar terug in Sara’s hand  [[G16,6a]. Hand staat voor geweld, weglopen is het begin van emancipatie: e manu capere. Zo werd Hagar een rolmodel voor slaven. Vergelijk Gen 16,8: vanwaar kom je en waar ga je heen? Op de eerste vraag volgt een antwoord, het tweede is altijd het probleem: 'Alsof zijn blik haar op de rug had getikt / om naar haar papieren te vragen, draaide zij zich om met / die nerveuze glimlach van emigranten die dicht bij tranen ligt.' [Derek Walcott, Omeros, 1992, p222].
[4] Gerard Kornelis van het Reve, De Avonden, een Winterverhaal [1947] Amsterdam 1971, 21e dr p.196
[5] Er ist Gott selbst in menschlicher Gestalt. Dieses merkwürdige Schillern zwischen einem göttlichen und einem menschlichen Subjekt – die Alten haben geradezu von einer Zweinaturenlehre gesprochen. Gerhard von Rad, Das erste Buch Mose, ATD, Göttingen 1972, S150. Idem Claus Westermannn BKAT, I,14, 1979, S300:  ‚Es wäre dann möglich, das Bekenntnis  ‚wahrer Gott und wahrer Mensch‘ nicht primär aus griechischen Denkformen, zonder vom AT her zu verstehen. Dem wäre weiter nachzudenken.‘ Wat de tekst betreft handhaaft het ‚geboortekaartje‘ zich over een tijdspanne van meer dan duizend jaar: groet, aankondiging, zwangerschap, geboorte, naam en profielschets, zie: G16: 8; 25,22, Ri13,5, Jes7,14, Lk1,32.
[6] Parafrase van Filippenzen 2,6-7, in de fraaie vertaling van André Chouraqui: Qui subsistant en forme d’Elohîm, n’a pas estimé un butin le fait d’être égal à Elohîm, mais il s’est vidé lui-même, pour prendre forme d’esclave, devenant à la réprique des hommes, et, par l’aspect, trouvé comme un homme.
[7] Atheïsten spreken altijd met twee woorden: overtuigd atheïst. Zijn wij dan misschien de niet overtuigde atheïsten en luisteren we ons daarom deze verhalen te binnen?
[8] Jes 32:14 Want de burcht ligt verlaten, het rumoer verstomd [] een vreugde voor de wilde ezels. Jer. 2:24 Gij wilde ezelin, gewend aan de woestijn, die in haar felle lust de wind opsnuift; haar bronst, wie zal die keren? Jer. 14:6 En de wilde ezels staan op de kale heuvels te happen naar lucht gelijk de jakhalzen, hun ogen smachten, omdat er geen kruid groeit. Hos. 8:9 Een woudezel zoekt zich nog eenzaamheid, maar die van Efraïm zoeken liefde voor geld. Ps 104:11 Wilde ezels lessen hun dorst. Job 6,5 Balkt de wilde ezel bij het groene gras? Job 11,12 Als een leeghoofd tot inzicht gebracht kan worden, kan het veulen van een wilde ezel als mens geboren worden. Job 24,5 Ziet, zij zijn woudezels in de woestijn; zij gaan uit tot hun werk, makende zich vroeg op ten roof. Job 39,5 Wie heeft de wilde ezel zijn vrijheid gegeven?
[9] Het gedicht Wie zijt gij Mahomed [in de bundel Aya Sofia, Utrecht 1886] van de priester-politicus Schaepman [1844-1903], eindigt als volgt: Ismaël herrezen,/ Niet om op Sarahs zoon te smalen, als voordezen/ Door Hagars stem geleerd, maar om door eeuw op eeuw/ Geoefend, eindelijk den ijdelen Hebreeuw/ Te werpen in het stof en juichend te zien vallen/ Vernederd en verlaagd; uw hand is tegen allen,/ Geen hand is met u, maar aan uw zijde gaat/ Naast fel gezweepte woede uw nooit gebluschte haat!
[10] De tekst spiegelt niet zonder respect de schermutselingen tussen vreedzame stedelingen en de [karavanen] plunderende tribale cultuur van de bedoeïenen, nadat de door Jesaja [44,28-45,1] messias genoemde Perzische Cyrus II [Kores] de ballingen ca 538 met hun tempelschatten uit Babel liet terugkeren. Opvallend positief over Ismaël is Von Rad: 'ein würdiger Sohn seiner aufsässigen und stolzen Mutter [] der seinem Nacken keinem Joche beugt' [ATD 2/4, 1972, S151].  De joodse schrijver  Abarbananel [16e eeuw] leest G16,12 als twee zinnen: Zal hij een wilde woestijnezel zijn? Neen, want zijn hand is op ieder en ieders hand is op hem dwz hij drijft handel met vele volken en culturen. Ook Malbiem [19e eeuw] onderscheidt zich in die geest gunstig van de meer negatieve commentaren.
[11] Als de beloofde zoon niet komt, overweegt Abraham om zijn nalatenschap aan zijn knecht Eliëzer te vermaken [G15,2], onmiddellijk daarna komt Sara met het plan rond Hagar [G16,2].
[12] Hetzelfde werkwoord wordt gebruikt als Adam en Eva het paradijs verspeeld hebben [G3,24] en als de oorspronkelijke bewoners het beloofde land worden uitgebezemd [Ri 2,3 en 6,9].
[13] Septuaginta de vertaling van Tenach in het Grieks [250–50 v Chr], vlgs de legende door 70 rabbijnen [alle toen bekende landen van de wereld].
[14] Ibraham brengt Hajar en Ismaïl naar een vallei in Arabië en laat ze daar nadat God beloofd heeft voor hen te zullen zorgen. Later restaureren Ibrahim en Ismaïl samen de door Adam gebouwde Ka'aba. En zoals pelgrims in Mekka beginnen met de tawaaf: een processie tegen de klok in rond de heilige kubus, zo rennen zij in de woestijn zeven maal heen en weer tussen de heuvels Saf en Marwah waar Hajar de ogen geopend werden voor de Zamzambron.

bewerking van een toespraak
9 december 2012 in Kapel de Olijftak, Brasschaat; 30 december 2012 in de Grote Kerk Dordrecht.

liturgiesuggesties

ter inleiding op kyrie [en gloria]
woorden van Andrea Voigt
uit de bundel: Serveer de makrelen [2008]

Biecht
God die al dan niet bestaat
ik zit aan de voet van die ene toren
waar de stadsmuur afgebroken is
de klokken galmen door elkaar
daar dus en ik moet wat zeggen
ik heb geslagen en gevloekt
er staat een mandarijnenboom
er klinkt een vreemde roep die harder wordt
een van de vogels misschien
ik heb geschreeuwd om kinderen te verjagen
gedronken om alleen te kunnen zijn
te veel gedronken om het te onthouden
soms dacht ik dat ik iets belangrijks wist
liefde vond om door te geven aan het nageslacht
als dat weer een keer gebeurt
dan zal ik bidden

collectagebed
voorafgaand aan de lezingen: Gen 16,1-16; 21, 8-21

woorden van Van der Graft
uit de bundel: Praten tegen langzaam water [2007]

Mensentaalvormige die in een wolk van
sagen vooropgaat, jou kan ik haten,
tegen je praten, hallo zeggen, met wie

zwijg ik, zelfs gaandeweg van je houden, on-
wennig. Laat mij maar doen of je bij me bent,
een morgen die wakker wordt in de nacht,

een mens die zich tegen de traagheid
verzet van de ontwijkende tijd,
de dood die stilstaat. Jij, uit het pantheon

boos weggelopen verloren zoon! Jij, want
de rest is rigide alleen maar god.

luisterlied na de toespraak:
Leonard Cohen, Show me the place
http://www.youtube.com/watch?v=WCtoVoE5Mm4

Show me the place
Where you want your slave to go
Show me the place
I’ve forgotten, I don’t know
Show me the place
For my head is bending low
Show me the place
Where you want your slave to go
Show me the place
Help me roll away the stone
Show me the place
I can’t move this thing alone
Show me the place
Where the World became a man
Show me the place
Where the suffering began
The troubles came
I saved what I could save
A thread of light
A particle a wave
But there were chains
So I hastened to behave
There were chains
So I loved you like a slave
Show me the place
Where you want your slave to go
Show me the place
I’ve forgotten, I don’t know.

voorbeden
Naam ons te boven
woord ons altijd vooruit en te vlug af
woord waarmee wij geschapen zijn
geroepen naar jouw beeld

woord dat ons niet los laat
jij ons of wij jou ?
getwijnde draad
jij die
in ons aanwezig
kómt

verhalen over mensen
jouw naam op het spel,
in geding

en wij jouw
sprekend evenbeeld
tot vrijheid geroepen
geen willekeur, niet onverschillig
maar bevrijdend
weg uit het diensthuis
weg van onderdrukking en verslaving
weg van angst en zelfhaat

jij,
die je schepping uit handen gaf
geen rampen kan afwenden
niet kan vergeven wat wij elkaar aandoen
de holocaust niet kon voorkomen
geen ziekten op ons dak stuurt of wegneemt

er is alleen jouw stem
verhaal op onrecht
tegenstem
in mensen tot inkeer
ego's die zich hun kracht schamen
breken met het kwaad
en zo goed als God
jouw liefde doen:

niet te dragen schuldenlast vergeven
werken aan nieuwe medicijnen
tegen de kanker, aids en a.l.s
natuurrampen en epidemieën
niet afwentelen op de
allerarmsten
advent
komende wereld
jouw aanschijn
jouw komst
Jeruzalem nieuw
van alzo hoge
en zie…

het stratenplan,
vogels en bomen, rivieren en vissen
het is onmiskenbaar Babel
het werk van onze handen
de stad van onze ballingschap

nieuw
hemel en aarde
verzoend

wees dan
een vuur
aan onze schenen
laat niet af