Fred Vermeulen
1928 – 2009

Rien, nést jamais fini pour toujours

Een kleine halve eeuw geleden smeet Fred Vermeulen zijn kap over de haag. Er was hem een warmere gave geworden dan die der onthouding. Het is al zó lang geleden dat zijn priesterschap inmiddels zoiets als een jeugdzonde lijkt. En toch, helemaal schoon wordt de lei nooit. Het is ook alsof de taal tegenspartelt, immers: pastoor op non actief… ik zie de hand van Fred nog naar zijn zere buik schuiven om het schudden tegen te gaan. Want wat hij ook moest incasseren, zijn lachspieren lieten hem tot het laatst toe niet in de steek.

Wat bezielde hem enkele jaren geleden om mij ‘mocht het zover komen’ met enige klem op te dragen iets te zeggen bij zijn crematie? Mij, een protestante confrater, die de kerk eveneens voor gezien hield toen prelaten voorstelden mij door te betalen als ik verder mijn mond wilde houden? Wat u ook denkt: geen gedeeld cynisme, geen omzien in wrok, integendeel: onze weigering van God als een sigaar uit eigen doos deed geen afbreuk aan de vervoering door liturgische muziek, de verleiding van poëzie en het visioen van een wereld waarin niet rechts maar recht de dienst zou uitmaken. Halverwege de mislukte overwintering een paar jaar geleden ergens onder Maastricht kregen we een lange brief waarin verklaard werd dat alles in de Franse Gers beter was: zelfs de regen minder nat, en als enig lichtpuntje dat je niet elke avond Sarkozy op de televisie zag.

Vandaag nemen we afscheid: niet alleen van Fred, maar ook van een bijzonder koppel: samen meer dan 1 + 1. Rie nooit voor misverstand vatbaar, wars van compromissen, radicaal en daarmee de ideale aangeefster voor het bezonken oordeel van Fred, de rust en vooral de wijsheid zelve. Beiden gingen al vroeg in de leer bij de synagoge om te ontdekken, dat wij hier niet zijn om in de hemel te komen maar om de aarde trouw te zijn, en ‘het lof’ te zingen van de lichamelijkheid, de toekomst zoals Jesaja die schildert: een maaltijd met uitgelezen wijnen [25,6-8]. Want zoveel is zeker: wij vierden we de oecumene van de smulpaap. Dus als je kwam eten was het helemaal niet raar dat zij voor de vis even heen en weer vlogen naar Bordeaux, voor de kaas naar Tarbes en voor een echt Vlaams biertje naar Lavardac. En wijn natuurlijk: ze kenden hun chateaux tot in de wijde omtrek. Dat de medicijnen z’n smaak bedierven, zat Fred niet lekker. Bij ons laatste bezoek vorige week zondag zei hij nog: ‘het is niet de alcohol die je mist maar de smaak.’ Leo Vroman – de evenknie van Fred als het om lieve oude mannen gaat – schreef: ‘Zuip niet die melk maar zoen de tepel, het gaat alleen maar om de smaak.’

Afscheid van de kerk zonder je zintuig voor spiritualiteit te verliezen. Ook dat kan ik het beste illustreren aan de hand van Jesaja [6.3], een tekst, die doorgaans als volgt vertaald is: de ganse aarde is vol van Zijn heerlijkheid. Op die manier zuigt de Eeuwige zonder enige ruimte te laten alle leven naar zich toe, zó verstikkend dat de Dominicaan Jacques Pohier zijn orde moest verlaten en pas weer opademde nadat hij in een dik boek [Quand je dis Dieu] had uitgelegd waarom zelfs God niet alles is. Het Jodendom daarentegen schrijft de Eeuwige contractie toe: het samentrekken van de baarmoeder om ruimte te maken voor het leven. Nauwkeuriger vertaald luidt die regel bij Jesaja dan ook: de volheid van de ganse aarde – het feest van de humaniteit – is Zijn heerlijkheid [vgl. la plénitude de toute la terre, sa gloire! Chouraqui]. Toen Fred tachtig werd, was er een etentje in Les deux gourmands in Ste Maure. Met het oog op die gelegenheid maakte Tineke het schilderijtje waarop Fred vanaf zijn chaise longue de laatste maanden uitkeek: ‘zuiver als water, oogwenkend licht.’ Druppels - tranen zo u wilt - als spiegel en samenvatting van het leven.

Ni Dieu, ni maître. Toen ik die slogan, en toch ook wel het slagwapen van de Franse revolutie, deze opperste wijsheid van de Verlichting, op de rouwkaart zag staan, was dat even slikken. Geen misverstand: de God van de filosofen, deze onbewogen beweger van het zijn, is natuurlijk al heel lang dood, maar we zijn inmiddels wel een paar eeuwen vérder, ook in de filosofie is na Heidegger het nodige gebeurd… Ik dacht aan Pessoa: ‘Van de fantomen van het geloof overstappen op de spookbeelden van de rede is slechts veranderen van cel’ [Boek der rusteloosheid, AP, 2005, p32]. Ni Dieu, ni Maître, ik begreep dat die woorden op het allerlaatste nippertje gekozen zijn om misverstanden rond een eerdere keus geen kans te geven. En toch: daarmee doet Fred zoals ik hem gekend heb zichzelf tekort. Hij was geen atheïst maar agnost, net als ik: een niet overtuigde atheïst. Er is een wak in het kroos, hij roerde met een stok in zijn ziel om dat open te houden: niet meer maar ook niet minder. De eerste keus was een liedregel: Rien n'est jamais fini pour toujours. Jammer dat die woorden sneuvelden, en heel treurig hoe het zover kon komen: iemand zei: 'zie je wel, je bent er nog altijd niet los van.' God straffe de man, liefst wat hardhandig.

Fred las graag over de eerste eeuw. Kort voor zijn dood arriveerden nog boeken van de Joodse Nieuw Testamenticus ! rabbijn Flusser. Tussen oorsprong en schisma, dáár aan het begin, toen het christendom nog een subversieve stroming binnen het Jodendom was, moest iets zijn misgegaan, iets zoekgeraakt, iets gemist. Fred hield dat open, want waarom zou je jezelf wapenen tegen verrassingen? De mogelijkheid van een Naam die zich bewijst uit het ongerijmde, een Naam die niet hoeft uitgesproken, een leeg midden, vrij van projecties en andere hersenspinsels. Wat op het spel staat is de [ontologische] meerwaarde van het bestaan boven wat gedacht en denkbaar is, niet het credo maar krediet voor de aarde, het voordeel van de twijfel, niet belief maar faith, foi.

De vreugde die daagt bij Jesaja heeft in late boeken als het Hooglied, Esther en Qohèlèt zelfs de Naam niet meer nodig. De auteur, - neen, ik weet het: God heeft de bijbel niet geschreven, maar u begrijpt wat ik bedoel - aan het eind wandelt de auteur weg uit zijn eigen boek, wat rest zijn de verhalen, de profetie en de lelietjes van dalen voor ons lief.

En in het Nieuwe Testament keert hij terug: niet incognito, niet als een verklede prins maar als een doodgewoon mens. Het laatste wat Fred gemaakt heeft, is een ingelijste crucifix met als onderschrift: mijn Joodse broeder Yechoua, en daaronder: wat hebben ze met jou en jouw boodschap gedaan?

Fred hield het wak open, hij timmerde de horizon niet dicht omdat hij zich graag liet verrassen. Zo dikwijls Rie op de trap al nieuw bezoek aankondigde, riep Fred: ‘Het is niet waar!’ De verrassing van het geheim en de meerwaarde van echte ontmoetingen. En bij het weggaan keek ik altijd bij de deur nog even om te zien hoe een zachte glans de sporen van de ziekte op zijn gezicht had uitgewist. Een lichtend aangezicht zoals het van Mozes geschreven staat nadat hij de heerlijkheid van de Eeuwige achterwaarts voorbij had zien trekken. Mensen als Fred, en wij allemaal: elkaar zo goed als God. Zijn gedachtenis zij ons tot zegen.
www.youtube.com/watch?v=9kZ2onf6uXU

 

au revoir à Fred Vermeulen
1928 – 2009
                                                                                                                                                                                        

[tous genres préexistants] n'obtinrent pas la réalisation de la promesse.
Elohîm a prévu mieux pour nous,
afin que, non sans nous, ils soient rendus parfaits.
Hébreux, 11,39b-40
[trad. Chouraqui, 1985]

Il y a maintenant presque un demi siècle, Fred Vermeulen jeta son froc aux orties. Il lui avait été donné un don plus chaleureux que celui de la chasteté. C’était il y a maintenant tellement longtemps que la prêtrise semble une erreur de jeunesse. Mais tout de même, cela ne s’efface jamais entièrement. Même la langue se débat, n’est ce pas, prêtre sur ‘non actif’[1]. Je vois encore la main de Fred se glisser vers son ventre afin de retenir les secousses. Car, peu importe ce qu’il a du encaisser, ses zygomatiques ne l’ont jamais lâché.

Qu’est ce qu’il lui a pris il y a quelques années de me missionner « le jour venu » de dire quelque chose ? Moi, un confrère protestant, qui a également renoncé à l’église quand des prélats proposaient de continuer à me payer à condition que je me taise ? Peu importe ce que vous pensez : pas de cynisme partagé, ni rancune, au contraire : trop content de notre refus de Dieu sans pour autant renier au sentiment d’extase que produit le chant liturgique, la séduction de la poésie et une vision du monde dans laquelle non la droite mais le droit ferait l’ office. Il y a quelques années, en pleine tentative ratée d’hivernage quelque part en dessous de Maastricht nous recevions une longue lettre déclarant que tout est mieux dans le Gers : même la pluie est moins mouillée et comme seule lueur : pas Sarkozy à la télé tous les soirs.

Aujourd’hui nous disons au revoir : non seulement à Fred, mais aussi à un couple extraordinaire : ensemble plus que 1+1. Rie jamais sensible aux malentendus, ayant horreur des compromis et radicale, ainsi la parfaite interlocutrice pour le jugement réfléchi de Fred, la tranquillité et la sagesse même. Tous deux partirent très tôt en apprentissage à la synagogue et y découvrirent que nous ne sommes pas ici pour aller aux cieux mais pour rester fidèle à la terre et pour faire l’éloge du plaisir de la chair, le futur comme dépeint par Isaïe : un festin de vins vieux [Isaïe 25, 6-8]. Car il est certain que nous fêtions l’œcuménisme d’un gourmand. Donc lorsque vous étiez invité, un aller retour à Bordeaux pour le poisson, à Tarbes pour le fromage et à Lavardac pour une véritable bière flamande étaient monnaie courante. Sans oublier le vin : ils connaissaient leurs châteaux dans toute la région. Que les médicaments gâchaient le goût ne lui convenait pas. Lors de notre dernière visite dimanche dernier il a dit : « Ce n’est pas l’alcool qui nous manque, mais le goût’. Le poète, Leo Vroman – son égal quand il s’agit de vieux hommes gentils – a écrit : ‘Ne picolez pas ce lait mais embrassez le mamelon, il ne s’agit que du goût.’

Dire adieu à l’église sans pour autant perdre son sens de la spiritualité. Le meilleur exemple est de la main d’Isaïe [6.3], un texte traduit généralement par: toute la terre est pleine de sa gloire. Ainsi l’Eternel aspire toute la vie sans laisser d’espace, si suffocant que le Dominicain Jacques Pohier a du quitter les ordres et repris son souffle qu’après avoir expliqué dans un livre très épais [Quand je Dis Dieu] pourquoi même Dieu ne constitue pas tout. Le Judaïsme par contre évoque le resserrement perpétuel : la contraction de l’utérus pour faire place à la vie. Une traduction plus précise de ce vers d’Isaïe est ‘la plénitude de toute la terre, la gloire !’ Pour les 80 ans de Fred a eu lieu un diner aux Les Deux Gourmands à Sainte Maur. A cette occasion, Tineke a peint un petit tableau que Fred contemplait depuis sa chaise longue : ‘pure comme l’eau, un clin d’œil de lumière’. Les gouttes comme le miroir et le résumé de la vie.

Ni dieu, ni maître. En voyant cette devise, mais aussi l’arme de la Révolution Française, cette sagesse suprême du Siècle des Lumières, sur le faire part, je suis resté bouche bée. Pas de malentendu : le Dieu des philosophes, le moteur immuable de l’être, est mort depuis bien longtemps bien sûr, mais nous voilà des siècles plus tard et les choses ont bougé dans la philosophie après Heidegger… Je pensais à Pessoa : ‘Echanger les fantômes de la croyance pour les spectres de la raison, n’est que changer de cellule’. [Le livre de l’intranquilité]. Ni dieu, ni maître, j’ai appris que ces mots ont été choisi à la dernière minute afin d’éviter un malentendu suite à un choix antérieur. Mais quand même, le Fred que j'ai connu, se fait tort. Il n'était pas athéiste, mais agnostique : un athéiste non convaincu. Cela veut dire que il y a un trou dans la glace et qu’il remuait dans son âme afin de le garder ouvert : rien de plus ni de moins.

Fred aimait lire sur le premier siècle. Peu avant sa mort, sont arrivés des livres de l’érudit juif du Nouveau Testament ! , rabbin Flusser. [Entre Origine et Schisme] là, au début, quand le chréti(a)nisme n’était qu’un courant subversif du Judaïsme, à ce moment précis quelque chose s’est mal passé, quelque chose a été perdu, manqué. Fred a gardé cela ouvert, pourquoi s’armer contre les surprises ? La possibilité d’un Nom qui se prouve de part l’absurde, un Nom dont nul a besoin de le nommer, un centre vide, libre de projections et autres chimères.

Ce qui est en jeu est la plus value ontologique de l’existant sur la pensée et le pensable, non pas le credo, mais le crédit de la vérité, le bénéfice du doute, il ne s’agit pas de belief mais de faith, foi.

La joie qui paraît chez Isaïe dans les livres tardifs tels que Cantique, Esther et Qohèlèt se passe d’un Nom. L’auteur, - non je sais : Dieu n’a pas écrit la bible, mais vous me comprendrez ; à la fin l’auteur quitte son propre livre, ce qui reste sont les histoires, la prophétie et le muguet, les larmes de Sainte Marie pour notre chéri(e). Et il y retourne dans le Nouveau Testament : non pas incognito, ni déguisé en prince mais en être humain pur et simple. La dernière fabrication de Fred était un crucifix encadré avec le sous titre suivant : mon frère Juif Yechoua, et dessous, qu’ont-ils fait de toi et de ton message ?

Fred gardait ouvert le trou, il ne clouait pas l’horizon car il aimait se laisser surprendre.

Maintes fois, quand Rie annonça la visite du haut des escaliers, Fred écria : ‘Ce n’est pas vrai !’ La surprise de l’inconnu, la plus value des vraies rencontres. Et en partant, je me retournais à chaque fois juste un instant pour voir comment un doux éclat avait effacé de son visage les traces de la maladie. Un visage lumineux comme celui de Moïse après avoir vu la gloire du Nom. Les gens comme Fred, et nous tous : les uns les autres aussi bien que Dieu. Que sa mémoire nous bénisse.  

 

traduction Sara Herreman
www.youtube.com/watch?v=9kZ2onf6uXUhttp://www.youtube.com/watch?v=MyKwBdWSb5I



[1] en Néerlandais : religieuse = non; sur ‘non actief’ signifie faire l’amour