Voor altijd gegrift in het geheugen van het zijn
kanttekeningen bij

Renée van Riessen, Vier sonnetten over Pater Damiaan [1]

Pater Damiaan werd in 1840 in Tremelo geboren als Jozef de Veuster, het zevende kind in een boerengezin. In 1864 komt hij als missionaris in Honolulu, Hawaï. Negen jaar later gaat hij op het eiland Molokai wonen tussen de melaatsen, waarvan er tot 1969 zo'n tienduizend op het strand gedumpt worden. In 1884 wordt ook bij Damiaan lepra vastgesteld. Vijf jaar later overlijdt hij aan deze ziekte.
In 1995 heeft Johannes Paulus II Damiaan zalig verklaard. Bij die gelegenheid wordt de rechterhand als relikwie naar Molokai verscheept. Nadat hij in 2005 is uitgeroepen tot de grootste Belg aller tijden, volgt op 11 oktober 2009 de heiligverklaring en gaat nog een been terug naar het eiland.
De Nederlandse evenknie van Damiaan is Peerke Donders [1809-1887, heiligverklaring 1982], hij werkte in Suriname onder de leprozen. Heiligen die beide paters voorgingen zijn: Cosmos en Damianus, ‘pro deo’ artsen aan het eind van de 2e eeuw in Syrië, die de eerste beenmergtransplantatie verrichtten.

damiaan-1damiaan-2

I
Hij woonde in den vreemde bij leprozen,
verbond hun wonden, nam hun zorgen af,
kuste ze op hun wangen en hun ogen
en sprak de zegen uit over hun graf.

Hij kon de sneeuw niet van hun lichaam scheppen
zoals de Heer, die hen terloops genas,
maar bracht de naam van Christus op hun lippen
als hij hen aanzag en het Evangelie las.

Ik zocht de crypte waar zijn resten liggen.
Wat is het wonder van die kleine man?
‘Niemand heeft groter liefde’ zegt de Heiland,

‘dan wie zijn leven zomaar geven kan
voor vrienden, voor de naaste in de verte.
Hij sterft én leeft. Zijn naam staat op het strand.’

Nam hun zorgen af, sprak de zegen uit over hun graf,- hij timmerde de doodskisten en groef hun graven. Hij nam de ziekte [sneeuw] niet weg, maar bewerkte wel een keerpunt: wetten en regels werden nageleefd, er komen woningen; Christus op hun lippen: de naam als balsem; iemand, die naar hen omziet; de crypte: in 1936 is het overschot opgegraven, met hulp van Roosevelt ingescheept naar Antwerpen, ingehaald door koning Leopold en bijgezet in Leuven. Het wonder van die kleine man is zijn liefde. Niemand heeft groter liefde, vgl. Johannes 15,13: Wie zo doet, is niet langer slaaf maar vriend, want hij weet wat de Heer doet, kent zijn liefde; r14 wordt Jezus toegeschreven: Hij sterft èn leeft,- leven, door de dood niet ongedaan; Zijn naam staat op het strand vgl Johannes 21,1-14: de Opgestane verschijnt aan de oever van de zee en houdt maaltijd met de discipelen: vis en brood op een vuurtje van kolen, vgl. het gedicht ΙΧϴΥΣ / Ichthus van Ida Gerhardt:

De vis, getrokken door mijn hand
en even vrij nog van de golven,
zal straks gewist zijn van het strand
en door de grote vloed bedolven.
Maar in het water dat hem nam
zwemt levende het Monogram.
Geheime trek van tij en maan:
Hij zal op alle kusten staan.

Ichthus: Grieks voor vis, als monogram: Ιἠσουϛ Χριστοϛ / ϴϵου Υωϛ / Σωτηρ, - Jezus Christus / zoon van God / verlosser. Maar is als een scharnier: qua vorm: kruisrijm versus gepaard rijm, maar ook inhoudelijk: de vis, getrokken: niet met een net maar als tekening in het grensgebied van land en water. De vis wordt gewist. Het teken, monogram blijft. Water dat hem nam: in zijn element, ook een erotische connotatie. De bedolven vis, verzonken aanwezig, - de vloeiend geworden lijnen gaan zwemmen: een moment dat iedereen die ooit aan het strand speelde herkent. De getijdenwerking bewerkt de laatste transformatie: de vis ‘van eigen hand’. In de geheime trek hebben mensen niet de hand en dan volgt de regel waaraan het slot van het eerste sonnet me deed denken: Hij zal op alle kusten staan.

II
Een onbegrijpelijk vuur. Alles verlaten:
huis, land, je vrienden, moeder, en het gras
waar je als jongen speelde, en de daken
van het stille dorp waar je vertrouwd mee was.

Liefde, kind van de waanzin, witte liefde
die transparant is als een schoon stuk glas
en pijnlijk voor de ogen, die het einde
van alle dingen zoekt. De vlam. De as.

Hij kuste alle zieken, maar wat dreef hem?
Was het de dood die in ons lichaam slaapt?
Heeft hij demonen met zijn mond verdreven,

joeg hij de wolf weg bij het bange schaap?
Of was hij het zelf, die vluchtte voor het leven,
voor de verveling die om onze dorpen gaapt?

Gaat het eerste sonnet over het wonder van de liefde, in het tweede wordt vuur aangewezen als de kern daarin. Vuur, - vgl. de brandende braamstruik, Ik heb terdege gezien de ellende, Exodus 3,7; begin ook van de beroemde tekst die Pascal in de voering van zijn jas meedroeg. Alles verlaten, vader, moeder Gen 2,24; schip, netten, alles. Mt 4,20 Lk 5,11; 14,33; 18,28. Liefde, kind van de waanzin: in 1982 werd Maximiliaan Kolbe heilig verklaard; deze priester stierf in Auschwitz als plaatsvervanger van een man en vader. Operatie Kolbe [2006] was een initiatief ten behoeve van gijzelaars in Colombia. Witte liefde,- overgave; transparant als glas, pijnlijk voor de ogen: wijst vooruit naar en expliciteert IV r 9-10.
Hij kuste alle zieken, maar wat dreef hem? / de dood die in ons slaapt? In zijn roman A Burnt-Out Case [1960, de term lijkt hier voor het eerste gebruikt] linkt Graham Greene de mentale toestand van Querry, die z’n carrière de rug toekeert en de Congolose leprozerie waarin hij zich terugtrekt [de verminkingen worden benoemd als burnt-out]. Damiaan komt in de roman ter sprake als leprofiel. Anderzijds geldt: lepra is zeer besmettelijk, maar slechts 5% krijgt de ziekte. Demonen met zijn mond verdreven? In de film Damien, the leper priest met Ken Howard en Mike Farrell wordt Damiaan in de kolonie pas geaccepteerd nadat hij de melaatsen heeft gekust en aangeraakt.

III
Hij teerde weg. Zijn handen en zijn voeten,
wang, hals en rug met zweren overdekt,
bleef hij vertellen van wat hem ontroerde:
het dode kind dat weer werd opgewekt

en Lazarus, in Abrahams schoot geborgen,
als een belofte voor de ellendigen hier
die hun kwetsuren tellen, elke morgen,
en ’s avonds samen staan bij de rivier.

Daar bidden ze de hemel om ontferming,
maar twee uur verder zijn de hekken dicht.
Er is geen oor voor dit ontluisterd kermen,

men zoekt naar schoonheid, een volmaakt gezicht,
naar sieraden die passen, en bescherming
van de politie en elektrisch licht.

Het lichaam valt uiteen, het evangelie houdt hem overeind: het kind uit Naïn en Lazarus. De laatste is prototype van leprozen met hun klepper en vuylbrief [bedelbrief]. Vergelijk de Vuilpoort; iemand het leplazarus wensen, belazeren, oplazeren. Het derde sonnet actualiseert de kloof uit de parabel [Lk 16,19-31]: leprozen likken hun wonden bij de rivier; de armen ‘geloven met hun zweren’ [Noordmans]. Niet ver van de leprozerie verrijzen de zware hekwerken van de rijken: botox en plastische chirurgie; het recht beschermt de rijken, felle lampen die bij de minste beweging opflitsen. De kloof betekent: rijk en arm ontmoeten elkaar niet, laat staan dat zij elkaar raken. De aanklacht gebruikt de hemel als projectiescherm: het godgeklaagde leed schiet omhoog. Job weet dat zijn gehavend vlees wordt recht gedaan [19,25], Ezechiël schouwt hoe het leven in de kuil met lijken terugkeert [37,1-14], kortom: zij zullen staan op alle kusten. De gelijkenis als spiegel verdiept de kloof: alles in de bovenbouw komt van beneden. Transcendentie wordt gevoed door immanentie, - de rijke wil Lazarus ook nu nog inzetten als loopjongen om verkoeling te brengen of familie te waarschuwen. De Hades bij Vergilius en Ovidius over Orpheus en Eurydice, - echter geen mirakel maar Tenach brengt gerechtigheid teweeg. De parabel is niet geïnteresseerd in een hierna[nog]maals, de aardse kloof beslist hier en nu over het leven in hemel of hel.

IV
Een sarcofaag? Zijn lichaam werd gegeten
voor het in de stenen doodskist werd gelegd.
Hij ging al jong op weg, naar niets, maar ieder
van ons komt daar nog eens terecht.

Noem ik het ‘niets’? Of meer een wijde zee, die
zich schuimend uitstrekt langs je levensweg,
die schittert, inspireert en je herinnert
aan wat de man van Patmos heeft gezegd:

dat er een zee is waar de heiligen wonen,
een zilveren vlakte die ontvangt en straalt.
God zal de tranen van de mensen drogen

als hij de doden uit hun kluisters haalt.
Dat woord vergeet ik niet, want voor mijn ogen
heeft Damiaan het lijfelijk vertaald.

Een sarkofaag? [lett. vleeseter, vgl 1 Cor. 15,54]; de mensheid op weg naar niets. [..] Noem ik het ‘niets’? In een befaamde passage vraagt de filosoof Levinas zich af of de dood een weggaan uit het zijn naar het niet-zijn of uit het zijn naar het niets is. Anders gezegd: ook er geweest zijn, is een vorm van zijn, ontologie. De dood maakt het leven niet ongedaan. Wat geweest is, blijft, zelfs als iedereen het is vergeten. Het is voor altijd gegrift in het geheugen van het Zijn. Niet het ‘niets’ dus maar: een wijde zee, schuimend langs je levensweg: een zee van informatie, inspiratie en herinnering. De man van Patmos ziet martelaren staande aan de glazen zee [Op. 4,6; 15,2]: een zilveren vlakte die ontvangt en straalt. In het Joodse en Babylonische wereldbeeld is de hemeloceaan het bovenste gewelf van het uitspansel. De zee is bevroren, van glas: de golven zijn gaan liggen, chaos en tegenkrachten zijn getemd, [door vuur] gereinigd, transparant geworden, vgl Ex.15,1-3: de wateren tot staan, doortocht en uittocht. Tranen die drogen / de doden uit hun kluisters, - geen toekomstbeeld, maar levenswijsheid hier en nu.

16 mei 2010, laatste dag van het Damiaanjaar

Naschrift: om aan geld te komen schreef de 24 jarige W.F. Hermans [ps. Fjodor Klondyke] vier detectives, een daarvan heette: De leproos van Molokaï. Jan Kuijper vond het boekje op het Waterlooplein en herkende onmiddellijk het in 1957 onder dezelfde titel herschreven verhaal [nu in Volledige Werken II].

damiaan-3damiaan-4damiaan-5


[i] uit: Poëziekrant, jrg 33,2 maart-april 2009