indachtig mijn moeder
Johanna Hendrina Leenmans
17 mei 1918 – 07 maart 2005

moeder
in sprakeloos verdriet
kreeg jij zoals altijd je zin

‘de herder sloeg het lam
om het schaap te trekken’

en ik zodoende al vroeg
een broertje dood
aan god

die niet loslaat
jawel maar wie vecht zich
hier en nu met wie

in een andere taal
terug

De eerste psalm is wat mij betreft ook meteen de mooiste: ‘welzalig de mens die als een boom geplant is aan water’. Het water zullen we toch wel mogen verstaan als de levende stroom van de overlevering, de verhalen van tenach en evangelie: daarin wortelen, daarmee vergroeien, daaraan je blad en je vrucht vernieuwen. Wie zich buigt over dat water is geen Narcissus maar weet zich in die bladspiegel gekend, doordrenkt van de geest van Jezus.    
Zo gedenken we onze doden. Jouw biografie, geen verhaal apart maar gaandeweg met deze teksten verweven. Mijn moeder had iets met het verhaal van de bloedvloeiende vrouw. Hoe vaak heb ik er afbeeldingen van gestuurd: gebeiteld in steen, geschilderd of als verlucht handschrift? En je kon haar geen groter plezier doen: zij wàs die vrouw.
Het verhaal is overgeleverd in drie versies: elk met een eigen accent, zoals vandaag drie kinderen zich hun moeder verschillend herinneren in samenhang met hun karakter, geslacht en plaats in het gezin. Drie verhalen, niet gelijkluidend, wel allemaal op hun eigen manier waar. Ik lees de vertelling nu naar Lukas [8,40-48, vgl Mc 5,21-34 en Mt 9,18-22].

Een vrouw niet in de hoofdrol, maar terzijde in de marge van de geschiedenis van het dochtertje van Jaïrus. Joop den Uyl moet goed naar mijn vader gekeken hebben, want hij heeft hem meer dan eens gezegd, dat hij benieuwd was welke vrouw bij hem zou horen. Ooit werd de wens op een Prinsjesdag ook vervuld: mijn  moeder als de vrouw van, verhaal in de marge, schaduwkind.
Er is trouwens wel iets dat het meisje en de vrouw in het Bijbelverhaal verbindt: de één: twaalf jaar, op de drempel van het vrouw-zijn, de eerste ongesteldheid; de ander lijdt al  twaalf jaar aan die vloeiing en betaalde zich blauw aan doktersrekeningen, zonder daar baat bij te vinden; sterker, pikant detail bij Marcus: het werd alleen maar erger.
Om het verhaal te begrijpen, hoeven we niet in de leer bij een gynaecoloog. Bloedvloeiing betekent: verlies van vitaliteit, gefnuikte vruchtbaarheid, sociale handicap, onrein, - iets waarmee een mens moeilijk in het reine komt (Lev 15,24). Op 9 november 1946 de dag waarop ons broertje Gertie stierf, is die wond geslagen. 
Het sterven van een kind is het ergste wat een gezin kan treffen, en die wetenschap maakt de beelden van oorlog, geweld, stervende kinderen – alles wat mensen nog meer niet laten kunnen - alleen maar gruwelijker. Kinderen begraven hun ouders maar dit was de omgekeerde weg: van de dood proberen terug te krabbelen naar het leven. ‘De woorden moesten stuk voor stuk, lettergreep voor lettergreep, heel secuur opnieuw in het zwijgen worden aangebracht.’ (Thomèse). 


Een gewonde moeder. Een kind gestorven door een menselijke fout, maar op de rouwkaart stond: heden nam de Heere weg. Wat je daarover ook kunt zeggen, vandaag alleen dit: het wringt, en daarom wilde die wond niet genezen. Er was altijd wel iets: de rug, de arm, de voeten, de ogen, - het hele lijf werd ingezet om aandacht, symptomen van die open wond.
Enige dochter van alweer een dominee, familieportretten stonden er tot diep in de voorvorige eeuw stijf en zwart van. Dochters werd het ambt ontzegd, niet het domineesvlees [Van Dale: geschikt om de vrouw van een dominee te zijn]. Dochter, schaduwkind tussen twee broers, die ’t moesten gaan maken. Op de valreep mocht zij toch ook iets leren: de kweekschool, opa zou er een hele scheurkalendermaand voor hebben vol geschreven om het te kunnen betalen, zo groeide mijn moeder groot tussen twee wereldoorlogen. 
Angstvallig, onzeker,- en van de weeromstuit nogal dwingerig. Pa vaak van huis of ook al van die stukjes aan het schrijven. Thuis werd dus haar domein met ons als kroonjuwelen. Het betekende bijvoorbeeld dat mijn schoolagenda altijd één dag achter liep: het net nagekeken spul was mijn huiswerk anders kwam ik nooit aan het voetballen en de meisjes toe.
En al die jaren of je haar nu te lang was, het pak fout of een aanhanger achter de auto had, ma’s reactie was altijd dezelfde en werd dus spreekwoordelijk: de búren, denk om de búren. Toen kwamen de kleinkinderen. Ook zij nemen vandaag afscheid. Ze gingen maar wat graag, want opa en oma, dat is buiten het zestienmetergebied. Geen strafschoppen, hoewel: de oudste ging ooit horizontaal gestrekt met het hoofd onder de kraan om met een flink stuk zeep de mond te spoelen. Dat was oma, en onbevangen ogen zagen haarscherp de verschillen: opa die met ze wandelde en griezelverhalen vertelde over het Solsche gat; opa die zelfs onder het bidden als oma het wel heel lang stil hield een knipoogje gaf. 'Veilig onveilig, zo / leven zij bitterzoet,' - zekerheid wortelend in onzekerheid. Bij thuiskomst vroeg de jongste ooit: ‘waarom vraagt  oma toch zo vaak of ze iets niet heel goed gedaan heeft?’
Wondkoorts. De Australische dichter Les Murray schreef een hele roman in verzen over de eeuw van mijn moeder [Fredy Neptune]. Een boek over pijn met als kern: zware klappen maken een mens onkwetsbaar. Om te kunnen overleven, trekt alle gevoel uit je weg; ‘een binnenste vol dode plekken’- gevoelsarm. 


Als kind geloofde ik dat meisjes van een pepermunt al zwanger konden worden. En er was veel bij ons thuis, dat we niet hadden, maar King… En mocht ik het ooit in ’t hoofd halen om met een meisje thuis te komen: al mijn ribben zou ze eigenhandig stuk slaan, - een zó krasse uitleg van het verhaal over Adam die een rib moet missen om Eva langszij te zien komen, laat zich moeilijk overtreffen. Dode, ongevoelige plekken in je lijf. Precies dertig jaar geleden deed ik zoals dat toen nog gebruikelijk was m’n voorstel, een proefpreek,- het had natuurlijk ook iets programmatisch: hier sta ik voor, dit heb ik er toe nu toe van begrepen… en achteraf ontroert die eerste tekstkeus mij ook zelf: En de Here, Here zal alle tranen van hun ogen afwissen (Jes. 25,8, Op.7,14). Maar er kwam geen hand, boos gingen ze door een zijdeur af. Er was iets mis, een te moderne liturgie. 
Het overgrote deel van mijn jeugd verdicht zich in één beeld: een vriend van mijn vader – bakker van vuurvaste stenen! - tijdens een dienst sjorrend aan mijn moeder, terwijl hij zich met zijn voet om kracht te zetten, afzette tegen de domineesbank. Hij wilde haar meesleuren naar het avondmaal. Opnieuw die getwijnde draad: aandacht, want opvallen deed het als je niet om brood en wijn ging, maar het was natuurlijk ook de wondkoorts: niet met zichzelf in het reine. Ergens in de vroege jaren zestig kwam de omkeer en de woorden laten zich raden: als ik alleen maar zijn kleed vastpak, zal ik worden gered.
Maar toen begon het pas echt. Ma ontdekte in het zinloze een zin: De Herder heeft het lam geslagen om het schaap te trekken. Mijn broertje dood, om mijn moeder iets duidelijk te maken? Durfde Hij wel? Deze God zou nooit onze God worden. Hij kon me wat, - en hetgeen ik als naoorlogs kind, een nageboorte van het christendom nog geloof, dat van die tranen, is op dat broertje dood bevochten.


Omslag die begint bij het verhaal van de bloedvloeiende vrouw. Bij u is genezing. Ook zij had het van horen zeggen. Het verlangen gewekt. Zou het dan toch? Een steels gebaar, een gebed zonder woorden. ‘Neen, het gaat wel, dank u.’’Let u maar niet op mij.’ Vrouw van, schaduwkind. En terstond werd het bloeden gestelpt, de bron van het lijden droogde op. Is dat een mirakel? Nou, er is héél veel in de bijbel dat uitleg behoeft, maar dit niet. Als preken mensen al zo kunnen raken, dat ze je kunnen maken en vaker helaas ook breken [Rudolf Otto], wat vermag dan aanraken of zoals een elektricien het zegt: aarde maken? Niemand kan erbuiten, wie niet gestreeld is, wil geslagen worden. Jezus voelt het dan ook. Er is kracht van hem uitgegaan. En de hele opzet van die schuchter- steelse aanraking, niemand die het zou zien of merken, mislukt. Het verhaal mag niet verzwegen worden, voor de draad ermee opdat de genezing voltooid wordt in een zegening.
    Dat duren zal, zolang er leven is,
    de hang naar kwaad, de zuigkracht van de zonde
    de diepe trechter van de duisternis
    dat aan dit noodlot geen ontkomen is,
    wie heeft die droom ons op het hart gebonden?
Zegenen wil zeggen de vrede begroeten: 'Vrede voor jou, wees maar niet bang. Laat de mensen maar praten, je bent niet onrein. Jouw fouten worden niet verhaald op een kind, en op jouw bestaan rust geen taboe.’
Naarmate haar geest de laatste jaren steeds meer verduisterde, raakte zij aan het licht. Zij was weduwe sinds 1992, maar mijn vader heeft al van het naderend duister geweten, het zien aankomen. En uitgerekend in dit laatste jaar werd het voor mij allemaal wat minder treurig en verdrietig: mijn demente moeder was veruit de leukste. Het duister is meer barmhartig dan het helse licht, zoals het aangenaam is om voor de nacht valt nog een poosje te schemeren. Weg van de buren, die hele burgermansmoraal en hoe het allemaal hoort, weg ermee, het zijn vreemde goden en boze stemmen.
    Maar dan scheurt Gij het handvest van de doem
    aan flarden. En uw geest begint te waaien,
    zijt Gij al bezig om de witte bloem
    van uw genade in ons uit te zaaien.
Zegen die de aanraking voltooit. Op 27 februari waren er ineens een paar heldere momenten, het opflakkeren van de geest zoals je dat vaker ziet kort voor het einde. Ze heeft die zondag iets gezegd, dat u niet aangaat, maar waaruit ik heel persoonlijk begreep dat de geest in die jaren van duisternis,- en wat weten we daar eigenlijk van? - dat die geest kennelijk toch niet als een nachtkaars aan het uitgaan was, maar langs ongekende wegen tot voltooiing kwam. Op die 27e februari, mijn verjaardag, heeft ze iets gezegd: zachter dan ik haar ooit gekend heb, die dag op de valreep ontving mij mijn moeder. 
Sterven, dat is: met al het duister dat in je rondspookt, met alle deuken en butsen die je hebt opgelopen, ráken aan De zomen van het licht. Het is de titel van de voorlaatste bundel van Ida Gerhardt, en natuurlijk is er ook een gedicht over het dochtertje van Jaïrus, het slot gaat zo:
    - Dat wat een wonder is van taal
    ik las als kind het honderdmaal
    en wist: ‘en ’s avonds was er feest,
    er zijn vriendinnetjes geweest.’
    Daar waar de dood zich had verschanst
    werd bij de zilveren fluit gedanst.
Iemand heeft mij aangeraakt: voor de draad ermee. Lukas noemt de zoom van het kleed een kwast, een tsietsiet. Elke joodse gebedsmantel heeft er vier, en ze zijn geweven van blauw-purperen draden. Als je zo’n kwast ziet, zo lezen we in de thora: zul je al de geboden van de Ene gedenken en die dóen (Numeri 15,39).

toespraak voorafgaand aan de begrafenis te Putten, op Schootmanshof, 12 maart 2005

rouwkaart