De koe en de boerin zullen tesamen weiden
Trijntje Krull [1859-1914] ~ Ymte Jentjes Bootsma [1851-1927]

 

Trijntje, de oudste dochter van Johannes Krull, is nog geen negentien als zij in 1878 trouwt met de acht jaar oudere Utrechtse kandidaat Ymte Jentjes Bootsma, geboren in Goënga, een gehucht bij Sneek waar echter ook de latere minister-president Gerbrandy geboren is.
Onmiddellijk na de trouwdag vestigt het stel zich in de pastorie van Lunteren waar zij ruim negen jaar blijven. Er worden twee dochters geboren, die vernoemd worden naar beide oma’s: Hesseltje [1883] en Sybregje [1886].
In 1887 verhuist het gezin naar Zoetermeer, waar Ymte op 11 december door zijn schoonvader uit Spannum wordt bevestigd. Nu worden er twee jongens geboren, zodat ook beide opa’s vernoemd kunnen worden: Johannes [1888] en Jentje [1891].
Ging er rond Jentjes geboorte iets grondig mis? Op 18 november 1892 wordt echtscheiding uitgesproken, daags na kerst wordt de akte bezorgd. Een ongehoord schandaal in die tijd, zeker als de verwikkelingen zich afspelen in het glazen huis van een domineesgezin.
Tot 1938 waren er naast overspel slechts drie mogelijkheden: verkwisting, gevangenis of mishandeling, - geen mens wil daarmee verder, met als gevolg: de grote leugen, een van de partners bekent of wendt overspel voor.
Dat Bootsma in Zoetermeer veertig jaar dominee kon blijven en er op 10 mei 1927 in het harnas stierf, is even opmerkelijk als het feit dat de naar opa Krull vernoemde Johannes op zijn beurt maar liefst drie scheidingen zal laten noteren: 1912, 1917 en 1921. De laatste keer van Froukje Zomer, dochter van een der gebroeders-oprichter van uitgeverij Zomer & Keuning die met bladen als De Spiegel, Op den uitkijk, de NCRV-gids, Prinses en Moeder de hele protestante zuil voorzag [zie: www.hetvolkshuis.nl/geschiedenis-arbeidersbeweging/typografen ].

In 2003 worden in ’t Seghen Waert, het orgaan van Genootschap Oudsoetermeer twee brieven afgedrukt met jeugdherinneringen van een dochter van Ymte Bootsma. Ronald Grootveld schreef er een inleiding bij, die hieronder in vier punten is samengevat.

1 Tachtig jaar werd de oude pastorie aan Dorpsstraat 10 in Zoetermeer bewoond door vader en later zoon Johannes Jacobus van Sittert [1806-1886]. Vanaf 1854 zijn er allerlei afscheidingen die uitlopen op de Gereformeerde Kerk. Na 1866 beleggen ‘Vrienden der Waarheid’ evangelisatiediensten omdat Van Sittart jr teveel over zou hellen naar de ‘Groninger richting’. Moe van het gekibbel legt hij in 1886 zijn ambt neer, waarna hij tot zijn dood in 1905 in het dorp blijft wonen.

2 Anderhalf jaar heeft de kerkenraad nodig om een opvolger te vinden: Ymte Bootsma. Ook na zijn komst gaat het wroeten en aderlaten waar protestanten het patent op hebben door: vrijzinnigen organiseren zich, er ontstaat een Gereformeerde Gemeente, ook de evangelisatie Ezra weet niet van ophouden, er ontstaat een gezangenkwestie.

3 Echtbreuk in de pastorie: het gesprek van het jaar, en toch: geen woord erover in de notulen van de kerkenraad. Maar in het Centraal Bureau voor Genealogie in Den Haag wordt het zgn. Handschrift Regt bewaard, de omvangrijke Predikantenlijst van Nederland, waarin de onderwijzer en chroniqueur van de Rijnstreek W.M.C. Regt [1867-1938] noteerde: ‘Trijntje verliet haar man en ging er met een ouderling aldaar vandoor.’
In mei 1891 vermelden de notulen van de kerkenraad dat Pieter Korevaar zonder opgaaf van redenen bedankt als ouderling. Op 16 november 1892, twee dagen voor de scheiding, vertrekken zowel Trijntje Bootsma als de tweeëntwintig jaar oudere Pieter Korevaar naar Borgerhout bij Antwerpen. Ymte Bootsma blijft achter met vier jonge kinderen. In de wagenmakerij op Vlamingstraat 65 woont Cornelia Korevaar-van Dijk. Haar kinderen zijn de deur al uit. Dochter Helena is eveneens getrouwd met een wagenmaker: Jacobus Ziere. Haar gezin trekt eind oktober 1892 vanuit Vianen weer bij moeder in om het bedrijf voort te zetten. Cornelia overlijdt in 1905. Vier jaar later woont Pieter nog enkele maanden bij zijn schoonzoon in. Hij komt dan van Vught en keert daar ook weer naar terug. Trijntje Krull is nooit meer in Zoetermeer terug geweest.

4 Ymte Bootsma is vierenveertig als hij in mei 1895 hertrouwt met de zeventien jaar jongere boerendochter Anna Sebilla Elizabeth van Sittert, een achternichtje van de jongste hierboven genoemde dominee met die naam. Op 16 maart 1896 wordt Hendrika Johanna Jacoba geboren [Rie]. Daarna volgen nog drie zoons, in 1902 een vroeg overleden tweeling, vijf jaar later Ymte en in 1908 nog Sibbeltje. In 1908 is Rie twaalf en verlaat haar oudste, dan twintigjarige halfbroer Johannes het huis, zoals gezegd: drie echtscheidingen tegemoet: 1912, 1917 en 1921.
Rie Bootsma werkt als secretaresse in Den Haag bij Buitenlandse Zaken. Op 21 januari 1925 trouwt zij met de in Schiedam geboren huisarts Frans van Deursen. Samen vestigen zij zich in Vinkeveen: Frans overlijdt daar in 1979, Rie in 1994, - herinneringen aan een reünie in 1966 heeft zij in 1972 beschreven in twee brieven waaruit de opvallendste passages hieronder zijn overgenomen.

pastorie
‘De oude pastorie bleek al jaren geleden [1928] afgebroken te zijn en vervangen door een modernere. Ook van de tuin die zo precies aansloot bij dat oude huis was niet veel meer over dan een semi-modern, aangelegd, koud geval. Waarom dat huis uit de 17e eeuw niet op de lijst van monumentenzorg is geplaatst, begrijp ik niet. Van de grote, met wit-zwarte marmeren tegels bevloerde vestibule, de lange gang met dwarsgang, de drie grote zolders met schoorstenen waarin hammen gerookt konden worden en waar de wind door huilde en zong als verhalen uit een ver verleden, de balken waarop de namen en datums van vorige bewoners geschilderd waren, tot de kelders met oude tegels, de stenen binnenplaats met de regenput, was dat huis één stuk geschiedenis. De twee poorten aan weerszijden, één gemetseld in een gaaf oud muurtje, - weg; de grote eeuwenoude kaarsrechte rode beuk, de enorme treurwilg die er bijna even hoog tegenaan leunde en zijn takken wijd over de sloot uitspreidde, de prieeltjes, de donkere hoekjes, de artistieke bruggetjes, - weg. In het bos (!) een eilandje, achter de tuin, onder andere de enorme sneeuwballenboom, waarvan de takken zwaar van prachtige grote witte bloemen over de bossloot hingen, alsof ze niet genoeg konden krijgen van hun eigen weerspiegeling in het water. Ik heb een heel moeilijke jeugd gehad, maar als ik aan die tijd terugdenk, staat er altijd als een rustpunt het huis, zie ik weer de tuin als iets dierbaars, verdwenen alsof het nooit bestaan heeft, een fata morgana.’

dorpelingen
‘Herinneringen komen en gaan, dorpsverhalen: Noppe de spiritistische veldwachter, een schat van een man, maar die ons als kinderen de stuipen op het lijf joeg als hij in het donker al gesticulerend zijn overleden zoon opriep. Schele Stien van der Eyk die in haar spionnetje alle paartjes afloerde en de ouders waarschuwde.
Piet Beek, kerkvoogd en legendarisch gierig. Piet Neus zeiden de jongens om zijn enorme voorgevel, wat zulke fatale gevolgen had dat ik hem, toen mijn vader eens jarig was, begroette met: ‘Dag, mijnheer Neus’. En mijn moeder, volkomen van de kaart, vroeg: ‘Mijnheer Beek, gebruikt u suiker in uw neus?’ Des te erger, omdat mijn ouders zich zo afhankelijk voelden van deze rijke kerkvoogd. [ ]
De oude Herwijnen met zijn sik, de voorlezer, die zich telkens vergiste. Ik zie hem nog staan. Bespottelijk eigenlijk die voorlezers, maar zo ging dat toen. Eens moest hij uit de Openbaringen het hoofdstuk lezen over het vredesrijk. Er staat zoiets als ‘de koe en de berin zullen tezamen weiden.’ Hij las: ‘de koe en de boerin’, kuchte een paar maal en las toen ‘de boer en de boerin zullen tezamen grazen’, toen gaf hij het op.’ ‘

velerlei armoe
‘Armoe thuis, een salaris teveel om te sterven enz., stand ophouden, klaar staan, want die prachtige pastorie was ook een glazen huis, paradox. Een groot huis met twaalf kamers, een grote tuin, tien kinderen, f 1800,- en niets extra’s voor het onderhoud van de pastorie of de tuin. O ja, met de slacht een bord met karbonaden waarvoor je moest knikken en bedanken. En dan die moordende orthodoxie, geen dominee zwaar genoeg. Als er een dominee kwam, die Heer zei in plaats van HEERE, was hij verdoemd. [ ] En in hun eigen leven? Zoals ds Gravemeyer eens zei: ‘God in de brandkast van Maandagsmorgens vóór de veemarkt en Zaterdag eruit.’
De pesterijen van mijn vader, de ellende thuis; de pesterijen van Jantje Poot, de boer de enige socialist, de fijne Chr. boerenzoons die zich niet ontzagen de tbc-dochters van Poot die in een tentje lagen te kuren uit te jouwen. De boerenarbeiders die als ze krom van de reuma niet meer konden, naar huis werden gestuurd met één pintje melk per week, f2,50 van de diaconie en een pakje met Kerstmis!
Zelf zou ik zo graag nog eens een dienst op zondag meemaken in de gerestaureerde Hervormde Kerk. Zijn bij die restauratie ook de armenbanken verdwenen aan weerszijden van de ingang van de kerk waar het eeuwig tochtte, maar ze zaten er ook voor niks (!), de afgewerkte boerenarbeiders en zo hoorde het en zo wilde God het. Als kind durfde ik nooit die kant uit te kijken, zo ‘rot’ vond ik het.
Nu is het een op hol geslagen tijd, maar aan die goeie oude tijd mankeerde ook wel een en ander. Neem de brief van A. Visser 10.3.1868 [in: Honderd jaar christelijk onderwijs in Zoetermeer, 1961] wat hij schrijft over de uitverkiezing. Wat een keihard Christendom en wat een arrogantie, alsof zij de sleutels van hemel en hel in handen hadden. Mijn hele jeugd heeft in dit teken gestaan, niet van mijn vader, maar de preken, het gezwijmel van bezwaarden die in de pastorie hun gemoed luchtten.’