Over klein en groot kapitaal

Wat ons van de vroegere Europeanen […] scheidt, is de bijbel.
Zij waren ervan doordrenkt en wij zijn er vrij van gebleven.
De bijbel was steeds in hun gedachten aanwezig en heeft de onze verlaten. [...]
Het Boek dat het fundament van onze cultuur was, is haar bijna geheel vreemd geworden:
zijn gelijkenissen zeggen niets meer, zijn helden zijn ervandoor gegaan,
zijn verhalen houden geen enkele droom meer in stand,
en de schilderijen die erdoor zijn geïnspireerd, zijn even ontoegankelijk als abstracte schilderijen.
Van wat eens het Grote wetboek van de Kunst was, is niets meer over, behalve een paar zegswijzen.
Want de taal, die niet alleen structuur maar ook een bezinksel is, draagt nog sporen van die verdwenen geschriften.

Alain Finkelkraut (1949)
Het onvoltooid verleden, 2003, 155

De dag na het overlijden van mijn moeder lees ik in het vliegtuig een verse Volkskrant. Een berichtje over een nieuwe vertaling van de koran. Geen broddelwerk, maar een vertaling waaraan geleerden meer dan tien jaar gewerkt hebben. Kanttekeningen zouden een link leggen tussen deze en gene cultuur. Voorbeeldig, en toch: een doodgeboren kindje, want het initiatief komt uit de periferie van de islam, de meerderheid zal zich hierin niet herkennen, laat staat ermee geholpen zijn, zo had het hoofdkwartier onmiddellijk laten weten. Sterker nog: elke poging om de koran te vertalen is tot mislukken gedoemd. Alleen de Arabische tekst waarin het boek is overgeleverd, heeft gezag en dan komt het: ‘al het andere is slechts interpretatie, parafrase.’ 

In de joodse traditie was ooit hetzelfde probleem aan de orde, zij het met een volstrekt andere uitkomst, eentje waarin je kunt opademen. Lang en vruchtbaar hebben de rabbijnen geruzied over de vraag of Tenach in het spraa­kwater van de gojim vertaald mag worden. Aanvankelijk meent men dat zelfs een andere typografie dan die van het oud Hebreeuwse kwadraatschrift de zin van het origineel zou kunnen verduisteren. De uitkomst is even genuanceerd als diepzinnig. De taal van gebeden en liturgie verdraagt geen vertaling: het raakt je diepste wortels, het is je 'allerjijst' (Leo Vroman). Verder mag alleen het boek Esther niet vertaald wor­den: de taal van de vervolgde en geschoffeerde creatuur is zo persoonlijk met het geheim van de Naam verweven dat vertolking alleen maar verraad betekent.

Van al het andere geldt echter: 'Moge de Eeuwige Jafet (lees: de Grieken, Europa of het westen) groot maken en moge hij wonen in de tenten van Sem' (Gen. 9,27). Een tekstregel die gelezen moet worden met het oog op de taal van Jafet: tenach moet in de talen van alle volken vertaald worden opdat de rijkdom aan betekenis zich daardoor vollediger zal ontvouwen.

De betekenis van een tekst ligt dus niet erachter (zoals de historische bijbelkritiek meent) maar wordt in elke tijd of mettertijd duidelijk: er is niet alleen op lezers en hun ervaringen gere­kend, zelfs de vragen van een komende generatie dragen bij aan de openbaring. Niets staat vast, tora moet steeds opnieuw worden uitgelegd; alles is vatbaar voor correctie, zelfs het beeld van God anders zou het afgoderij zijn [vgl A.J. Heschel, God in Search of Man]. Het ene woord concurreert niet met de evenzeer van God gewilde menselijke verschillen. Daarom hoef je tittel noch jota te veranderen om toch iets anders te lezen dan er stond en vooral: waarom we er soms meer van weten dan de auteur zelf voor mogelijk hield. Zo wordt Bijbellezen een feest dat de blik verruimd.

Goed en wel in Nederland lees ik een paar e-mailtjes over het concept voor de rouwkaart, dat ik in Frankrijk gemaakt had. De vragen gaan over de Bijbeltekst, gekozen uit het verhaal dat in mijn moeders leven een beslissende rol gespeeld heeft, dat van de bloedvloeiende vrouw: als ik alleen maar zijn kleed vastpak, zal ik worden gered! (Mt 9,21) Sleets geworden voorstellingen over het sterven en de vuurvast geroeste beelden van wat ons daarna wacht, wilde ik overstijgen met een binnenrijm op genoemde tekst: nadat haar geest al enkele jaren meer en meer verduisterde, raakte heden aan de zomen van het licht… Raken, geraken aan de zomen van het licht. De titel ook van de voorlaatste bundel van Ida Gerhardt.

Het concept bevat geen hoofdletters: ze beperken de mogelijkheden van interpretatie, in de dood zijn we allemaal gelijk, mijn moeder heeft genoeg opgezien. De familie wil toch hoofdletters: het vastpakken van Zijn kleed, en raken aan het Licht. Zodra je erover na gaat denken, maken hoofdletters zich pas echt onmogelijk. Immers: het Grieks kent ze niet. En Jezus is in het tweede testament God niet, laat staan dat hij zich thuis wist in de triniteit. En natuurlijk: licht is een metafoor voor de Ene. Maar gaan de doden op in God of is ook dat eerder omgekeerd: Hij alles in allen? In het scheppingsverhaal schrijven we daar zij licht niet met een kapitaal. Toch verwijst juist dat eerste licht naar de eerste dag en de paasmorgen. Kortom: hoofdletters, ik moet er niet aan denken, ze verknoeien alles. Ze kwamen er natuurlijk toch: ik de tekst, de rest van de familie de hoofdletters.

Later, diezelfde dag nog, ontstaat er enige opwinding omdat het Reformatorisch Dagblad – mijn ouders leefden in die kringen - zich er niet voor geneert de rouwadvertentie te weigeren, omdat er jawel: nog steeds hoofdletters ontbreken. Het jeukt wel de terreur van zo'n groepscode jeukt wel. Echte huivering trekt langs mijn ruggengraat als ik begrijp dat het grootste probleem de geciteerde bijbeltekst betreft. Er was van geen enkele opzet sprake, ik had simpel gekozen voor de meest grondtekstgetrouwe vertaling die ik voorhanden had, die van Pieter Oussoren. Bij het Reformatorisch Dagblad wordt echter alles wat geen Statenvertaling is, afgedaan als... parafrase. Schokkender kan de afgoderij met een vertaling niet verwoord worden, de ultra-orthodoxie meer verwant aan de moskee dan aan de synagoge.

Naschrift:
De uiteindelijk gedrukte kaart bekijk ik niet zonder ironie. Waar het oud vertrouwen gevoed moet worden staan nu hoofdletters, de oorspronkelijke opzet schemert er echter nog vrolijk doorheen: overal waar het er kennelijk minder op aan komt, staan nog vrolijk kleine letters, een wel heel slordig compromis.