Levend in het werk des Heren


indachtig mijn vader Hette Gerrit Abma
Wouterswoude 23 januari 1917 - Putten 2 januari 1992

Eind augustus, vlak voor huwelijk en ambt in goud gelijst werden, vroeg mijn vader of ik als oudste iets wilde zeggen. En weer proefde ik de speciale kleur van het woord oudste. Taal en biografie als getwijnde draad. Gertie, ons allen ver vooruit gestorven: hij is de oudste. Door zijn dood ontdekten we al vroeg het blijvende in wat nooit terug komt. Met het oog op vandaag kon pappa niets meer vragen. We proberen in zijn geest te handelen zo dikwijls we hem tegen kwamen:
    niet echt, maar heviger […]
    als wilde hij nog eenmaal door zijn huis
    voor hij het afsloot tegen
    de naderende nacht.  [Rutger Kopland]
Als de laatste noten gespeeld zijn, gaat de muziek nog door. Zo lieten de teerste snaren die over de klankkast van dit leven gespannen werden zich in de stilte van de afgelopen dagen horen: de kleinste dingen een ontroerende glans en meerwaarde, ons eerst nu bewust.

Zo heeft niemand van ons geweten, dat hij de redactie van het Gereformeerd Weekblad had voorgesteld om uit te zien naar een vervanger. En tijdens het laatste bezoek aan Kortenhoef kwam de eeuwenoude rode beuk voor ons huis ter sprake. Hij leek ten dode opgeschreven, moest ruimte laten 'aan het grotere dat in hem drong':
    Het water kon de spiegeling
    niet binden, hij trok zijn blad steeds
    meer in takken terug. [Tom van Deel]
Bij het vertrek is hij struikelend in het donker naar die boom gelopen om hem aan te raken. Nadering van dood, kun je dat voelen? Hij was nog maar net gestorven toen mijn moeder vroeg of
ik zijn nieuwste jas wilde passen:
    Daar stond ik dan en voelde
    aan de mouwen en bij het sluiten
    van de knopen hoe dood hij was [Rutger Kopland]
Het onzichtbare rakelings nabij. Daaraan danken we dat stralende laatste woord: 'Als er iets gebeurt, dan is het vrede.' Toen de vijand zich nog opmaakte, was de vrede al getekend. Gods tijdenleer zet de grammatica op z'n kop.

Ook deze nacht moest eenmaal komen. Ik ben me dat jarenlang intens bewust geweest om alles wat afbreuk zou kunnen doen aan de stijl en oprechtheid van zijn leven. Om de stukken in de krant ook: symbool van de geheven vinger; roepende in de woestijn; zijn spreektrant letterlijk met het oog naar boven. Voor zover het al niet geschreven was, stond dat beeld vast: even waar als eenzijdig.
Na zorgvuldige afweging waaraan ons hele gezin bijdroeg, vielen de woorden ineens op hun plaats: levend in het werk des Heren. Toen hij er in de jubileumdienst zelf bij stil stond, ging hij terug naar Driesum, zijn eerste gemeente: op de getaande gezichten verscheen soms even de glans waarin de Naam aanwezig komt. Wie mijn vader zag preken, weet dat het wederkerig was: de glans waarmee de Eeuwige zijn aangezicht lichten doet op de preekstoel als een berg der verheerlijking. Ook Mozes kwam door die glans geleid de berg af. Ik noem hem, omdat ook deze grootste onder de getuigen van nature geen gemakkelijke prater was: Gods stem komt niet dan stamelend op aarde. In het gewone leven ging het schrijven mijn vader gemakkelijker af dan spreken: de tong van een die vaardig schrijft. Maar hier in de houten broek als 'Gods eigenlijke werk z'n hart en ziel vervulde en hij zich nestelde, viel dat allemaal van hem af en leken de jaren geen vat op hem te hebben. En nòg was alleen de stem genoeg om beelden uit mijn vroegste kindertijd omhoog te halen. Plantingen in 's Heren huis: ook in de grijze ouderdom dragen ze vrucht.

Als kinderen hebben wij de door grootouders en ouders getrokken lijnen doorgezet: dominees en ander onderwijs. Hoe moeilijk dat is, realiseer je pas achteraf. En al vinden we er niet altijd woorden voor, toch was er een hechte verbondenheid. Nog maar kort geleden spraken we over de omslag om en nabij je veertigste. De verandering en het vergelijkend heen en weer gaan tussen de generaties. Ik ben nu even oud als mijn vader toen hij de zijne verloor en de overstap maakte naar de politiek. Zoals opa hem bemoedigde, heeft hij het mij gedaan. In dat laatste gesprek over midlife time zei hij: 'in de jaren daarvoor ben je vooral bezig om verschillen ze scherp mogelijk in kaart te brengen, later gaat het meer om de ondergrondse verbindingen: niet de kaart maar het landschap.'
Wij zullen zijn trouw en wijsheid missen. Niet licht rgeet ik de verbaasde vraag aan het eind van de preek bij mijn bevestiging: 'Maar waar bleef in dit alles nu de nieuwe dominee? Onzichtbaar, want hij gaat op in zijn werk.' In die zin heeft hij het zelf gezegd: levend in de grote werken, de magnalia Dei. 
Leven in een geschiedenis die ver voor je geboorte begint en bij de dood niet eindigt. In dat besef hebben de apostelen getuigd van opstanding en zich in het gemis niet verlaten geweten. De karikatuur van mijn vader begint waar de grote werken niet als centrum gezien worden. Zeker, hij nam het nauw. Maar binnen de ruimte en misschien vooral het geduld: de Eeuwige uit het hart gegrepen.

In die werken God regeert de volstrekte eenheid van woord en daad. Die eenheid maakte het mijn vader onmogelijk om te sjoemelen. En ook dat is in de kerk zeldzaam. Daarom was hij zo echt, ook voor wie het volstrekt niet met hem eens was. In zijn boek over de tien woorden gaat het vooral om de samenhang tussen kennen en doen van God, woorden die vlees worden, biddend opzien, ethiek als optiek. En juist toen hij zich stapsgewijs aan de zijlijn terug trok, was het alsof in de toeschouwer de ziener opstond in wie zich de verwachting verdiepte. In die ruimte heeft hij de betrekkelijkheid en de omkering van woorden als ver en nabij ervaren; de samenhang geweten van vele gaven en eenzaamheid, de smaad die rijkelijk zijn deel was gedragen. Bij dat laatste greep hij vaak terug op teksten van gevangenschap: gesloten deuren die open sprongen; ruimte en vrijheid als lofzang in de nacht. 'De goedheid Gods, te groot voor het geluk alleen.' In een van zijn brieven spreekt Kafka over gevangenschap: van de ene engte in de andere. Tijdens zo'n overbrenging in de gang - schrijft hij - kunnen we iemand ontmoeten die zegt: 'Deze niet weer. Hij komt bij mij.' Na vijftig jaar dienstwerk aan de dood voorbij slapen, de vrede van de sabbat, het jubeljaar binnen. In wat blijft zijn wij voorgoed met hem verweven en doet God het geheim van zijn Naam aanwezig komen.

Oude Kerk Putten, 6 januari 1992