Wiki-leaks en afluisterpraktijken in de vorige eeuw

Een simpele rekensom: de lengte van de boekenplanken gedeeld door de jaren waarin ik aan boeken verslingerd ben, leert dat het er gemiddeld twee per week zijn aangeschaft. Heel vroeger mocht je die bedragen van de belasting aftrekken. Bovendien koos ik uitsluitend boekhandels die tien procent korting boden: niet aan mij maar als gift aan de kerk: ook weer aftrekbaar. Niks mooier dan de polder vroeger, hoewel: wat in de jaren van Mark Rutte met een wat dik woord kunstbeleid genoemd wordt, komt weer aardig in de buurt. Wat de kunst ten goede komt: kunstmest, art in de directiekamers en de shit aftrekbaar.

Ook in Frankrijk koop ik natuurlijk boeken: Boekwinkeltjes.nl, Bol.com of rechtstreeks bij de uitgever en dan met een p/a adres. Lastig want iedereen werkt en brievenbussen zijn te nauw geschapen voor penetratie van alles wat dikker is dan 3.2 cm. Het gedoe daarmee vertaalt zich onmiddellijk in porto die niet in verhouding staat tot de prijs van het boek. Lange tijd koos ik voor een rusthuis. Daar is altijd iemand thuis. Koos! Ja, sinds de dementie toesloeg, kwam het moment waarop ik dan eerst maar eens moest bewijzen dat het mijn boeken waren. Sindsdien kan ik boekhandel Comenius in Naarden aanraden, ze denken mee, voorkomen dat je iets ontgaat en leveren als het even kan met een handtekening van de auteur. Soms krijg je meer dan besteld was. De reden vleit en dat mag wat kosten: 'Het past zo goed bij je verdere keus.'

Van het boek dat me laatst werd toegevoegd gingen er in Naarden maar liefst vijftienhonderd over de toonbank: Roger Martin du Gard [1881-1958], Het oude Frankrijk [de uitgever in 1933 niemand minder dan Gaston Gallimard, een jeugdvriend van de auteur; de vertaling is van Jan Keppler, L.J. Veen, 2009-3]. Wat heet te laat? Ik herinner me nu dat Ted van Gennep [1926-1990] deze winnaar van de Nobelprijs graag las en citeerde. De novelle past precies in een vlucht Amsterdam - Toulouse: een juweel!

Thuis zie ik dat het lemma Roger Martin du Gard bij Wikipedia, waarschijnlijk onbedoeld, maar daarom wel zo grappig, in één vileine zin de alles opleukende babbelbox van Hilversum neersabelt: ‘Dat Martin du Gard bij het Nederlandse publiek niet erg bekend is geworden, komt doordat hij geen voorwoorden of artikelen schreef, niet in jury's wilde zitten, geen manifesten tekende, geen mening gaf over actuele vraagstukken, medailles en zelfs een zetel in de Académie Française weigerde.’

Nadat ik deze tekst aan Comenius Naarden had toegestuurd, schreef hij terug dat het schilderij op de omslag van hem is en dat hij de tekst beschouwt als een mooie afsluiting omdat de uitgever hem zojuist berichtte dat er na de derde druk geen vierde wordt opgelegd: Roger Martin du Gard wacht in NL opnieuw vergetelheid. Zelf zal ik zijn naam blijven intikken bij elk digitaal boekwinkeltje dat ik binnenloop.

De novelle beschrijft één dag uit het leven van de postbode Joigneau, die zijn ronde doet in het dorpje Maupeyrou. Ons kent ons daar maar Joigneau is zo goed als alwetend. Zo dikwijls hij iets vermoedt of niet begrijpt, stoomt hij de brieven open. Voor het geval hij onverwacht ergens zijn oor te luisteren wil leggen, houdt hij altijd wat drukwerkjes achter de hand. Lastige missies worden Joigneau toevertrouwd en dankzij het vertrouwelijke karakter daarvan bedient hij ook de tegenpartij en snijdt het mes naar twee kanten. Zijn invloed reikt verder dan die van pastoor, burgemeester, onderwijzer-secretaris en veldwachter bij elkaar, want ook de gevestigde orde speelt hij suf.

De post komt met de trein van 5 over 5. In twaalf jaar is Joigneau maar een keer te laat geweest, dat was toen iedereen meende dat de bakkerij van de gebroeders Merlavigne in brand stond. Het is nooit opgehelderd wat de vrijgezelle broers en hun kleine dienstbode die morgen gestookt hebben maar zeker geen hout of oud brood.

Als Joigneau het huis verlaat ligt in het opkamertje Joseph, de leerling van de wagenmaker, nog op een oor. Voor La Mélie, de vrouw van de postbode is dat het sein om met verve de rol van Potifars vrouw te spelen. Haar man geniet dan al van het ontbijt bij Flamart, een oud-onderofficier, die via zijn vrouw - een caféhoudende ex-garnizoenshoer – een baantje bij het spoor kreeg. In dat café gebeurt van alles. Flamart heeft geen trek, hij wordt verteerd door vermoedens maar is de gevangene van zijn dienstrooster. De hoogst onschuldige briefkaarten die Joigneau hem in ruil voor het ontbijt laat lezen, stellen hem nauwelijks gerust. Later op de dag zal de postbode mevrouw Flamart een brief aan haar man laten lezen. ‘Anoniem?’ veinst de postbode als zij hem op haar beurt het [natuurlijk al gelezen] epistel overhandigt. De roddel laat zich raden, evenals de jaloerse afzender: veldwachter Cuffin. Mevrouw Flamart bekent de postbode dat zij in haar, ’t leven, vele mannen gehad heeft, dat is haar natuur, maar ‘Flamart, dat is helemaal geen kerel, Flamart heeft nog nooit iets met een vrouw gedaan’ [] Misschien ben ik daarom wel zo op hem gesteld.’ Joigneau zou eens wat meer van het leven moeten proberen te begrijpen in plaats altijd maar te oordelen. Hij kijkt naar de ‘witte blote armen, ’t lijken wel dijen, drie vaccinatietekens erop, die hebben wel iets.’ Kort daarop is er het zoetst van de overwinning als hij Cuffin toeroept of hij nog niet gehoord heeft dat Flamart zijn vrouw heeft vermoord. Grapje.

Het verhaal speelt eind jaren twintig, het dorp kent dan ook oorlogsweduwen met hun trotse kuisheid ‘die langzaam gek maakt van steeds dat verlangen’ en er zijn de drie ‘grote luiwammesen van het dorp', de oorlogsinvaliden met hun pensioen. We ontmoeten mijnheer des Navières. Hij waakt over een kleine collectie prullaria, die hij voor uiteenvallen wil behoeden door alles voor zijn dood in een museum onder te brengen. Hij droomt van het wonder van het communisme: de wonderbaarlijke afschaffing van het geld, terwijl de staat dagelijkse je kannetje melk en wellicht ook een passend gebit bezorgt. Mevrouw Xavier drijft de kruidenierswinkel. Vroeger zou zij voor heks zijn uitgemaakt, dat kan niet meer maar zwangere vrouwen zetten geen voet over de drempel. De oude Pâgueux is seniel, zijn incestueuze zoon en dochter houden hem in een smerig hok gevangen. Als de zoon het kleinkind aangeeft, laat hij noteren: vader onbekend. Mevrouw Massot en haar dochter hebben geld maar het lijkt alsof zij ‘de enigen zijn die dat niet weten.’ Al vijfentwintig jaar zweten kinderen en soldaten in de kousen en broekjes die haar vrome handen gebreid hebben. Het huis ligt bezaaid met dode vliegen: ‘gestorven van verveling’. De dochter fokt sijsjes, ze heeft er al dertig. Zodra de eitjes uitkomen is het ‘haar geheimzinnigste plezier om zo’n jonkie lekker warm in haar corsage te stoppen. Eén keer is zij er zelfs mee naar de kerk gegaan! ‘                          

Bij het hoogbejaarde echtpaar dat in augustus 1914 uit België vluchtte, concludeert Joigneau dat het zo niet langer gaat maar ze zijn te gierig om geld uit te geven aan hulp. Het is nu ook te laat. Ze hadden eerder iemand moeten nemen: gratis, in ruil voor de centjes, het huisje en de wijngaard. De hersens van Joigneau gaan in een hogere versnelling. Het krot van Mariceau, bewoond door twee kinderen van het armenbestuur. Zij op haar zeventiende al zwanger van een stroper; hij een bruut die desondanks met haar getrouwd is. Hij misbruikt beide vrouwen maar is nu op sterven na dood door de alcohol. Als het kind nu eens bij de Belgen gaat wonen, en dan straks: haar moeder het huisje en Joigneau de wijngaard… Zo gezegd, zo gedaan. Het is te mooi om waar te zijn. Als toch nog een kink in de kabel dreigt omdat het meisje zwanger is van haar stiefvader, zegt de moeder ‘dan zit er niets anders op dan je door die twee van Merlavigne te laten naaien. En als dat dan gebeurd is, zal ik wel zorgen dat ze voor de draad komen en betalen.’ Met afkeer denkt het meisje aan de twee baardige mannen en voor je ’t weet wordt de wijngaard te duur betaald want het meisje denkt zelf ‘aan Joigneau, die postbode…‘                                                                                    

Als we iedereen ontmoet hebben, wordt de balans opgemaakt. De jongeren willen coûte que coûte weg: ‘Je bent toch jong, en je wilt toch leven.’ Joigneau kan het niet begrijpen: ‘Hier alles oud en achterlijk? Hier waar we nota bene op elke honderd stemmen wel negentig linkse hebben?’
Mijnheer pastoor en zijn alles bedisselende zuster, ‘een maagd op leeftijd’ zien het pensioen naderen. Soms durft de pastoor zichzelf te bekennen geven dat niemand, ook niet onder de laatste kerkgangers, zich ook maar iets van hem heeft aangetrokken. Afgunst, wantrouwen en hebzucht maken de dienst uit. Zou het altijd zo geweest zijn? Waren de mensen vroeger alleen maar bang? Bang voor de Heer, de clerus, de gevestigde orde?
Als de zus van meester Ennberg vraagt: ‘Geloof je dat in alle dorpen in Frankrijk ditzelfde gebeurt?’ laat haar broer als enig antwoord zijn tong een paar maal tegen zijn tanden klakken, zoals hij dat ‘ook altijd doet als hij de orde in de klas moet herstellen.’

Een juweel. Het oude Frankrijk is nog springlevend maar Maupeyrou heet nu Global Village, geheimen hoeven niet meer te worden open gestoomd, ze staan gewoon op WikiLeaks, we worden wereldwijd afgeluisterd bij het leven, het is de lezer geraden om de verschillen te zoeken want me dunkt dat die er zijn ook al lijkt de postbode weer wel als twee druppels water op Julian Assange met zijn lekkende condoom.