Er gaat een dominee voorbij

over de pastorie aan de Kortenhoefsedijk: 1840 - 1990

Op 24 augustus 1840 legt Mr Johannes Sanderson, burgemeester [sinds 1817] en kerkvoogd de eerste steen voor de nieuwe pastorie. Steenhouwerij Texeira de Mattos levert de gedenksteen. Inclusief 'het inhakken der letters, aan boord bezorgen, enz' bedraagt de rekening vijftien gulden. Ter gelegenheid van de 150e verjaardag hing boven de voordeur een crêpepapieren toga met bef, die er 's avonds door burgemeester Wim Kozijn [1987-2002] en mij werd afgetrokken, zodat een door de Kortenhoefse schilder Pieter Schouten gekalligrafeerd bordje zichtbaar werd: Er gaat een dominee voorbij.
De uitdrukking stamt uit vissersdorpen. Als dominee langs liep viel het gesprek stil: komt hij aanzeggen dat deze of gene op zee gebleven is? Als naambord op een pastorie, alias het glazen huis, valt te denken aan een verlangen naar stilte en rust waarin de wekelijkse concentratie op de woorden vanouds gedijt. Licht ironisch kun je ook lezen: dominees - ook de ergste- gaan voorbij, maar het huis blijft, zoals het dagblad Trouw het beroepingsnieuws brengt in de rubriek: voorbijgangers.

Zestien dominees bewoorden tot het begin van de 21e eeuw dit huis. De bouw werd vanuit de oude pastorie begeleid door ds Gerardus Gimberg. Dat huis moet een flink eind achter de huidige gestaan hebben, schuin voor de plaats waar [volgens Joop van den Broeck, die er knikkerde…] ooit een schooltje stond. In Bestek en voorwaarden voor de bouw van de pastorie wordt de aannemer 'verpligt om dit werk voor of uiterlijk op den 1sten November 1840 geheel voltooid op te leveren, op verbeurte van eene boete van f 5,- voor iedere dag nawerkens.' Nauwelijks twee maanden na de eerste steen!
In dat geval heeft bouwpastor Gimberg zijn kisten en kratten niet uit hoeven pakken want hij vertrok 6 december 1848 naar Charlois-Katendrecht. Vermoedelijk heeft hij er nooit gewoond, want op 10 mei 1841 declareert Willem Pasie,  herbergier van Het Rechthuis f 38,28 'voor geleverd zant onder de pastorie', '12 flessen wijn' en 'een tientje pannenbier, vertering voor het werkvolk bij het opzette van de kap.' Antoon Piper is dan de eerste bewoner geweest [1841-1845], die op zijn beurt de eerste steen legde voor de Spinnerij wat verder op de Kortenhoefsedijk.
Over de bouw van de nieuwe pastorie is in de notulen van de kerkenraad niets te vinden. Je leest daarin alleen over mensen, diakonaal: de bijstandswet was er nog niet en geld dwong mensen in het gareel; pastoraal: censura morem, opzicht en tucht rond het avondmaal, af en toe moest er een nieuwe dominee beroepen worden. Pas na de invoering van de kerkorde in 1951 worden ook de stoffelijke zaken als geestelijk gezien en worden de kerkvoogden en notabelen lid van de kerkenraad! Onder 'de oude bedeling' van de zgn Reglementenkerk kon er alleen met koninklijke goedkeuring gebouwd worden. Dit toezicht was tussen 1824 en 1875 gedelegeerd aan het ministerie van waterstaat, en jawel, daaraan danken we de beroemde regel uit Awater van Martinus Nijhoff: Lees maar, er staat niet wat er staat.
Op 18 oktober 1839 krijgt een hoofdingenieur van waterstaat opdracht om bestek, bouwtekening en begroting op te stellen. In een brief van 28 januari 1840 meldt de heer Van Stralen namens het Provinciaal College van Toezicht dat rijk, synode en provincie f 4500,- hebben toegezegd, zowel voor de te bouwen pastorie als voor noodzakelijk onderhoud aan de kerk. De pastorie zo meent van Stralen zou tenminste f 4000,- moeten  kosten 'omdat den Heer predikant Uwer gemeente ene pastorie als te Ankeveen gebouwd zal worden voor zich te klein acht.' De burgerlijke gemeente betaalt de kosten van het onderhoud aan de toren, de kerkelijke gemeente het ontbrekende bedrag, waar dan de geschatte sloopwaarde van de oude pastorie nog af gaat: negen honderd gulden. Negentien aannemers schrijven in, onder wie uit 's Graveland: Nicolaas de Wilde f 6425,-; J. Sjoenis f 6840,-; en A. ten Broek f 6900,-. Rutger van Santen uit Breukelen heeft de scherpste prijs, hem wordt het karwei gegund voor f 6000,-.



De aanbesteding is op 15 juli 1840 bij het Provinciaal Gouvernement te Haarlem. Bestek en voorwaarden beslaan twaalf ! A-4tjes, vol poëzie:

'De aannemer zal op het aantewijzen terrein, de noodige ontgravingen moeten verrigten voor de fundering, alsmede voor de kelder, de welwaterput, secreetkuil en riool ter vereischte diepte en genoegzame ruimte, en alle hinderlijke voorwerpen welke daar mogten gevonden worden, uit de weg doen ruimen.'
'Alvorens de heijing te doen, zal een proefpaal ingeslagen worden in het bijzijn van de directie, ten einde nader de lengte der te heijen palen te kunnen bepalen [ ] voor ieder el meerder lengte zal betaald worden 30 centen.'
'De buitenmuren, ter zwaarte van een mopsteen uit beste boerengraauwe, de binnemuren zwaar een halve keurroode mopsteen; waarin te menageren de natemelden licht- en deurkozijnen met streksche bogen, zwaar 1 en 1½ steen; de stootvoegen goed te lood boven elkander, de lagen waterpas, en van de buitenmuren een weinig naar buiten druipende, vol en zat in de specie, dewelke voor de buitenmuren zijn moet slappe basterd…'
'Aen het einde der gang te maken een sekreet, lang en breed 1 el en 15 duim, met een ½ steen opmetselen tot onder de zolder [] voorts daarin te werken een vaste bril van 5 duims grenenhout, twee losse brillen met deksels van 22 streeps dennenhout, alsmede een loden trechter, lang 1 el en 20 duim, gemiddeld wijd 20 duim, het lood zwaar 36 pond per strekkende el [ ] de pompbak van 4 duims eikenhout [ ] daarin te werken een groote koperen kraan en wekker.'
'Alle de lichtramen te digten met fransch half wit glas, zuiver gestopt en langs den dag bestreken  [ ] Geen tweede verwlaag te leggen voor dat de eerste is goedgekeurd, op verbeurte der verwlaag. Het ijzer en de spijkers van de beste merken; de verwstoffen uit de beste spetien zamengesteld zonder schadelijke inmengselen.' [Ja, dat laatste toen ook al!]

traceerbare veranderingen
Oorspronkelijk waren er links en rechts van de voordeur een zomer- en winter-, dan wel huis- en pronkkamer, daarachter: keuken en studeer en in de tussenruimte aan beide kanten: kasten, bedstee en trap. De woonkamers 'met best doek te behangen, hetzelve sterk aan tengels te spijkeren, voorts met grondpapier te beplakken en over te plakken met behangsel van f 1,- de rol.
Deze oorspronkelijke indeling bleef ongewijzigd tot het emeritaat van Johannes van Bruggen [1901 - 1934]. Er is een foto van deze Gremdaat in toga voor een boekenkast en schouw tegen de achtermuur. Volgens Joop van den Broeck heeft ds Hakkesteegt [1931-1934] 'die geld van zichzelf had' in de blinde muur aan de kerkzijde een raam en openslaande deuren laten maken zodat een kamer en suite met schuifdeuren ontstond, waarbij de trap verplaatst werd naar de gang en de toegang naar de kelder gewijzigd werd. De bedsteden verdwenen en de linker voorkamer werd het studeervertrek.
In onze tijd [1976-2001] verdwenen de schuifdeuren en kwamen de eiken balken onder het stucwerk vandaan. Bij die operatie gaf het huis veel geschiedenis prijs: op drie plaatsen de zwart geblakerde muur waar ooit een haardvuur brandde. In het bestek daarover: 'De schoorstenen en nissen gelijk in verband mede optewerken, de schoorsteen in de voorkamer aanteleggen ter breedte van 1 el en 46 duim, en verder zoodanig interigten, dat de marmersteenen mantel, welke in de oude pastorij voorhanden is, met staande en leggende platen, brandstroken enz weder kan worden gebruikt.'
Voor de eerste verdieping schrijft het bestek voor: 'Volgens teekening op den zolder afteschieten 3 slaapkamertjes met 22 streeps vuren staande schotwerk. Op elk kamertje een kast en bedstede.' De poppenhuiskamertjes lieten een grote zolder vrij. Toen de trap naar de gang verplaatst werd, ontstond een kleine overloop met vijf deuren naar vier grotere kamers en een badkamer. Ook deze veranderingen lieten zich in onze tijd reconstrueren: aan hoekige verfsporen kon je zien dat het sloophout van trap en bedsteden gebruikt werd om de nieuwe kamers te timmeren: altijd de eindjes aan elkaar. 

laatste loodjes
Joh. Sanderson en G.B. van der Broek ondertekenen de rekening van het uitje op 17 september 1841 naar de bouwcommissie in Haarlem waar het bestek wordt vastgesteld f 29,40. De afbraak van de oude pastorie leverde f 402,37 op. Als ter leen aangenomen penningen wordt een bedrag van f 1600,- genoemd.
Kleine rekeningen betreffende de afwerking zijn het leukst om te lezen. Zo is er een kwitantie van 3 april 1841 'voor het graven van een sloot langs het Erf der Pastorie' [op de grens met het huidige kerkhof] die met een kruisje getekend is, daaronder staat: 'Dit merk is gesteld voor Willem Hoveling, w.g. Elbert Mooy.' In mei 1841 diende Jan voor den Hake een nota in waarop zinsneden te ontcijferen zijn als: 'aan de Dominee geleverd 5 ons beste donkergroene verf f 3,90; eenige ramen van de Bloemenbak afgeschraapt en weer aangestopt f 1,28; het hek van de pastorie ligt groen overgeschilderd; het hekwerk om het kippenhok tweemaal donkerblauw geschilderd… waarna de werktijden worden genoemd: 2¼ dag Janis f 1,80, een ½ dag Janis een kwartje, dezelfde tijd zijn baas driemaal zoveel. Op 29 april 1841 declareert Jan Pot ¾ dag voor het maken van latwerk bij dominees frambozen f 1,05. En passant repareert hij voor 43 cent een paar riggels in de bedstee die het zwaar te verduren hadden. En op 4 oktober is het alsof de herder en leraar bijgespijkerd moest worden: 'de dominee gehaald voor 12 krammen.' In maart 1841 krijgt Roelof Toppers acht werkdagen uitbetaald f 9,60 voor het aanleggen en aanplanten van de voortuin in Engelse stijl. Twee symmetrische bloemperken, een prieel onder de rode beuk en in het midden, recht voor de deur een hoog wit bruggetje: een idylle, die mettertijd sneuvelde. Eerst het hoge houten bruggetje, toen het prieel en nog later kwam er een muurtje om opzij van het huis in de garage te kunnen komen…



Behoudens een lang herderloos tijdperk [1887-1895] werd het huis na genoemde Antoon Piper bewoond door de families Klein, Meloen, van der Plassche, Van Bruggen, Hakkesteegt, de Loos, Visser, van Roon, Sterrenburg, van Hunnik, Bosma, de Groot, Fokkema en Abma. Gemiddeld woonden ze hier zes jaar. Klein [1846-1882], van Bruggen [1901-1929] en Abma [1976-2001] bleven hun hele ambtstermijn. Mensen gaan voorbij, het huis blijft: nog geen dag na mijn vertrek was het naambordje boven de voordeur verwijderd...

 
 

Boven het dak buigen de bomen zich
nog krom als grootmoeders
boven een bed.

Als wij door de kamers lopen mompelt
en zucht het vage gebeden en verhalen.

Langs de beslagen ramen druppelen
onze namen langzaam naar beneden.

Hier woonden wij en zullen wij
niet meer komen.

Rutger Kopland,

uit: Een lege plek om te blijven, XXVII, 1975 

tekst eerder verschenen in: In de Gloriosa, historische kring Ankeveen, 's Graveland, Kortenhoef, 7e jrg nr 4, november 1990

 

naschrift 1
Op 16 februari 2016 werd onder lotnummer 517 het hierboven afgebeelde schilderijtje geveild: herfstbomen op boerenerf, 27x36cm, gesign. Bernard Antoine van Beek [1875-1941], taxatie 150-200E.
Het is onmiskenbaar de pastorie met de rode beuk op Kortenhoefsedijk 163 [zie: biografie, komaf, indachtig mijn vader]. Het schilderijtje is op karton geschilderd, enigszins krom getrokken en behoeft restauratie. Ik ben bezet die avond maar het object is curieus genoeg om online een bod te doen: achteraf gezien een paar tientjes te laag…
De koper kan ik niet achterhalen, ook wil het veilinghuis geen brief van mij doorsturen. Privacy? Overheden en cookies reduceerden die tot nul maar pietluttigheden horen er kennelijk ook nog bij. Hoe dan ook: we doen het met bijgaande afbeelding.
Het schilderijtje toont iets meer dan het halve huis met rechts de grijze steen die verwijst naar de eerste steenlegging, ook zien we de helft van de 'in Engelse stijl' voor 9,60 aangelegde symmetrische voortuin. Het parkeerterrein naast de kerk is ten koste van de pastorietuin aangelegd tijdens de restauratie begin '70 van de vorige eeuw. Zien we op het schilderij rechts achter de rode beuk dan misschien de vage omtrekken van het 'tweemaal donkerblauw geschilderde hekwerk van het kippenhok' ?   

naschrift 2
Ayelt Folkert Krull, de broer van mijn overgrootmoeder Geertje Leenmans-Krull, werd in 1894 door zijn vader getrouwd in de tufstenen kerk van Muiden, in datzelfde jaar stelt hij zich beroepbaar.
Er komen vier beroepen waaronder Kortenhoef, let wel: het 41e beroep in een vacature die achttien jaar zal gaan duren. Folkert kiest voor Zeerijp waar orgel en interieur al eeuwen ruziën wie het mooiste is. Maar zoveel is zeker: Ayelt Folkert en Maria Anna Hendrike van de Klashorst hebben tijdens hun wittebroodsweken door dit huis gewandeld. [zie verder onder biografie, Leenmans-Krull2]