Nog even en hij is een paar minuten zendtijd op een videoband,
zendtijd uit het verleden. Meer niet.
 
Hij geeft de hoop niet op, hij weet niet hoe dat moet.

 

Arnon Grunberg,
De asielzoeker, 2003,p 339 en 7

Sinds ik van eredienstvaardigheid ontslagen ben, zijn er programma's als Boeken, Buitenhofen Het vermoeden, en ook dáár is het zondagmorgen: mensen mogen uitpraten. Bij de IKON gaat het over geloof of wat daar nog van over is. Door haar terughoudende manier van vragen, geeft Annemiek Schrijver mensen de ruimte waarin zij zich veilig weten, en natuurlijk loop je dan het risico op oeverloos geneuzel, maar het is ook vaak hoogst boeiend.

Toen werd het programma ineens gepresenteerd vanuit het oude kerkje van K, mijn eerste en enige gemeente [1976-2003]. Na mijn abrupte vertrek ben ik er nooit meer terug geweest, integendeel: ik sjouwde een paar jaar zoveel stenen voor ons Franse huis dat ik 's avonds te moe was om na te denken. En dat hielp, langzaam ebde de pijn weg. Tot de vertrouwde plek als een tableau vivant op de muur in Frankrijk verscheen: de ophaalbrug, het tot vervelens toe geschilderde silhouet, het interieur, zoveel hoeken en gaten waaruit herinneringen opduiken, zich mengen in het vraaggesprek of ondergronds gaan om 's nachts in je rond te spoken. Daarmee schoot wellicht ook een prop los.

Als student restaureerde ik tussen tentamens door antieke klokken, die ik bij mijn buurman in Zeist ruilde tegen meubels. Ik bewonderde zijn ambachtelijke manier van werken, ook de bewoners van Drakesteyn wisten hem in die tijd te vinden. Een gesloopt brugdek werd tafel, belandde uiteindelijk in de gerfkamer van het oude kerkje en wordt nu op al deze vermoedens onthaald. De geur van au bain-marie verwarmde beenderenlijm en die van hout dat onder oude beitels en schaven vandaan krult, gaan iets aan met het lijnenspel van Marlies Dekkers. Als praatstoelen herken ik de twee foeilelijke armstoelen, old finish dat ik al die jaren buiten beeld probeerde te houden, maar het was een ongelijke strijd, want tante Betje had ze aan de kerk vermáákt en in de rugleuning prijkt het gemeentewapen van K.

Prominent in beeld ook het knutselwerk waar protestante kerken patent op hebben. Een plomp eiken onderstel dat een 'koperen scheerbakje' draagt en is opgeleukt met de 17e eeuwse koperen boog, die ooit een doophek sierde. Het doet pijn aan je ogen, reden waarom ik nooit dienst deed zonder het geval eerst terzijde te schuiven, liefst met een lap erover zoals je een papagaai het spreken belet. Vaste bezoekers gunden mij dit gesleep als een persoonlijke afwijking of zoals ze in Frankrijk dit gedrag zo mooi betitelen: enculer des mouches, liefst: en plein vol. Zó lastig is het om duidelijk te maken wat glashelder is: vormeloosheid maakt elk symbool sprakeloos, taal en teken van de liturgie verpieteren. Bij de IKON is het bekken tot de rand met water gevuld. Ik begrijp natuurlijk wel, dat de spiegeling van het water een filmisch effect oplevert, maar toch: stilstaand water past in het rijtje van verschaald bier en verzuurde wijn. De spaarzame keren dat er gedoopt werd, droegen kinderen het water aan om het klaterend uit te gieten, want er is nu eenmaal verschil tussen doopwater en h2o. Is dat boter aan de galg? De hang naar een zinsverband dat allang niet meer bestaat? In de buitenmuur op het noorden zijn sporen zichtbaar van een laag, nu dichtgemetseld deurtje uit de middeleeuwen. Bij elke doop ging het op een kier om satan gelegenheid te geven het pand te verlaten. Als je de spelregels moderniseert, is de lol er af.

Bij het nalezen van het bovenstaande viel me op hoe lichamelijk er gekeken wordt. Echte liturgie staat of valt daarmee, is een feest voor de zintuigen. Ik heb me dat in K mede eigen gemaakt dankzij tien exposities voor blinden en slechtzienden. Bij laatstgenoemden dachten we niet aan oogproblemen maar aan mensen die van blinden beter kunnen leren kijken. Handing on culture, of zoals een blinde volgens Gerrit Kouwenaar:
'..niet ziet
   wat men zegt dat er is
   maar zegt wat hij tast en betwijfelt.'
Kijken met je handen. De titels van exposities getuigden daarvan: Aanraken geboden, Nocturnen, Bambuso Sonoro, Zin, zin, zinnebeeld, en de laatste: Verdwenen geuren en geluiden als associatieve dragers van herinnering. Bij protestanten gaat het meestal alleen om de preek, de rest is voor- en naspoelen. Ze bewonen alleen de bovenkamer; een verknipt mensbeeld zoals dat van de couturier Frank Govers, die over zijn one-night-stands ooit zei: 'ik gebruik alleen de onderkant'.

Jules de Corte opende in 1987 de eerste expositie die haaks stond op de museumetiquette: Aanraken geboden. Vincent Bijlo hield één van z'n eerste conferences. De blinde dominee Lex Grandia gidste van jaar tot jaar honderden bezoekers langs de kunstwerken. Er waren symposia met Oost-Europese kunstenaars, die al veel eerder in blinden hun bondgenoten hadden herkent. We ontdekten de sensuele kunstwerken van de blinde fotograaf Eugen Bavcar. De Engelse theoloog John Hull opende de tentoonstelling die geïnspireerd was door Touching the rock, het boek waarin hij zijn onomkeerbare weg in het duister beschrijft [Londen, 1991; met een voorwoord van Oliver Sacks; bij die gelegenheid ook vertaald: De dagen worden wel kouder maar niet korter 1992].
De dag waarop een decorbouwer van het Shaffy-theater over de hele breedte van de kerk Rideau d'Os van Marina Abramovic had opgehangen: Grey, grey is the sky! Are you riding a jade dragon in the void? Een rinkelend gordijn van honderden koeienbotten uit een Argentijns slachthuis. Toen ik 's avonds nog even ging kijken, was dat net op tijd om de stalen buis die het geheel torste, langzaam te zien doorbuigen terwijl de botten ruisend omlaag kwamen. Dit wonderschone geluid heeft Ezechiël gehoord toen hij in een visioen het samenkomen van de dorre doodsbeenderen schouwde.
De zijdeur in het koor wordt omlijst door eiken restanten van een koorhek, die tijdens de in 1974 voltooide restauratie werden teruggevonden in de klokkentoren. Omrankt door motieven uit de Italiaanse renaissance is er het jaartal 1534, en het meest bijzonder: forse bijlen hebben er tijdens de beeldenstorm stevig op in gehakt. Daar bleef het niet bij, - ook onze exposities kregen geweld te verduren. Ik denk aan de anonieme man die het beeld van de Poolse kunstenaar Marek Sulek aan flarden sneed, wegvluchtte over de ophaalbrug en landelijk bekend werd als 'de kale vandaal op klompen'. Eerder werden beelden van Adri de Fluiter in brand gestoken, terwijl de kunststofbloemen van Tineke van Veen 's nachts van hun sokkels werden gelicht om in de tuin van het gemeentehuis te worden aangeplant, waarna het Brabants Dagblad op de voorpagina kopte: dominee en burgemeester op de vuist. Leo Vroegindewei poetste als Nijhoffs werkvrouw de 17e eeuwse koperen kroonluchters smetteloos en legde ze op de vloer: ditmaal zouden de lichtdragers niet buiten het bereik van blinden blijven. Tijdens een kort geding werd het conceptuele idee weggehoond als het treiteren van de onvermijdelijk diep gekwetste dorpelingen. Later muntte de kunstenaar in een tekst over kunst in de openbare ruimte het woord hufterproof.                                                                   

Terug naar Het Vermoeden, waarin ik Cees den Heijer, een gereformeerde professor in detraditie van Kuitert en Wiersinga, hoorde pleiten voor een kerk waarin het kruis minder centraal zou staan. Op dat moment ontrolde zich opnieuw de brede loper van ruim negenduizend eieren, waarmee ik in 1996 zelf 'even beslist als bescheiden onder pseudoniem' bijdroeg aan de verdwenen geuren en geluiden. Al die eieren: elke zaterdagavond terug in de rekjes om zodra de confessionele nevendienst was afgelopen weer te worden uitgelegd. Het strakke ritme van oneindige kwetsbaarheid op de grijze, hardstenen zerken oogde subliem. Mors et vita duello conflixere mirando, - regel uit een middeleeuws paaslied over een conflict op leven en dood. Wie links langs de eieren liep, hoorde de kinderstem waarmee Connie Palmen herinneringen aan haar eerste communie ophaalt; rechts, die van dominee Gremdaat over de samenhang van doop en belijdenis. Ruimte waarin je eigenlijk altijd op eieren loopt. En helemaal achterin: op het altaar, een crucifix; een in zink afgegoten Jezus die precies blijkt te passen op zo'n kurkentrekker met zwaaiarmen, waarna het handvat een aureool lijkt. In braille een regel van Rutger Kopland: je kon wel zien dat het zo niet meer ging.

Op de grens van koor en schip: de preekstoel, een echte houten broek uit het laatste kwart van de 17e eeuw. Ik heb er zo'n duizend keer, een uitleg verzorgd. Bij een gemiddelde van twintig minuten kom ik op 333 uur, halverwege het getal van het beest. Schakel in een keten van 31 namen sinds de reformatie, verdeeld over de vijf predikantenborden. Eén van hen kreeg zoveel beroepen dat hij een half bord in beslag neemt: C.C. Callenbach. Bij zijn komst werden hem de handen opgelegd door de dichter Bilderdijk. Kort na zijn intrede huwde hij met Catharina Hendrica Meerburg, zus van George Frans Gezelle Meerburg. Uit dit huwelijk werden zeventien kinderen geboren. Uit de wijde omtrek kwamen mensen deze stem van Het Reveil beluisteren, niettemin zagen de regenten hem graag overgeplaatst naar een omgeving waar hij minder kwaad kon, omdat hij er in het gebed op had aangedrongen dat ook 'de Koning zich mogt bekeren'. In 1928 vertrok hij naar Nijkerk, waar zijn kinderen later de uitgeverij begonnen.

In 1981 stond Geert van Oorschot met zijn flambard op de preekstoel om een van de eerste exposities van Kunst aan de Dijk te openen: Nescio uit de doeken. Ansichten, aantekeningen uit het natuurdagboek, handschriften, drukgeschiedenis en schilderijen uit de nabloei van de Haagse School: plekken zoals Nescio ze gezien en beschreven had: 'Dit jaar kom ik nog al weer eens in Kortenhoef en sta dan op 't kerkhofje, opzij van de kerk en kijk over 't land naar den rand van het Gooi en den toren van Hilversum. Een laatste klaproosje ging verleden week heen en weer op een zuchtje wind. In 't kromme perenboompje kregen de peertjes al wat kleur. Het is dan weer het begin van de eeuw. Het Leven heeft mij Goddank, bijna niets geleerd. 'Het leven heeft me veel geleerd', zegt de oue sok'. In de uitspanning Het Rechthuis tegenover het kerkje schreef hij aan het onvoltooid gebleven vervolg op Titaantjes: Kortenhoef.

Sinds 1987 is er eenmaal per maand op zondagmorgen geen kerkdienst maar een nesciolezing annex koffieconcert: een hommage aan de schrijver, maar ook een zekere voorliefde voor de werkwoordsvorm, afstand van een al te leerstellige traditie. Het begin ook van een hoogstaand programma van kamermuziek, cantates en polyfone kerkmuziek. Het geheim? Achter de pastorie staat een tuinhuis. Musici uit de grote omroeporkesten met huwelijksproblemen vonden hier een tijdelijk onderdak waar ze zonder overlast voor buren konden repeteren. Het huisje stond nooit leeg, - we verhuurden, ook voor CD-opnamen, conform de papoea-economie: altijd met gesloten beurs: zij de ruimte, wij de muziek.
Ook P.C. Kuiper, de gevierde hoogleraar psychiatrie die zelf in een inrichting belandde en er een boekje over schreef dat een bestseller werd: Ver heen, beklom deze preekstoel om de expositie te openen van schilderijen die hij in deze periode gemaakt had. Kuiper was een schoonzoon van de bekende theoloog K.H. Miskotte. Hij was opgegroeid in Baarn, waar hij catechisatie kreeg van de al even vermaarde gereformeerde bondsdominee I. Kievit. Ergens in een la met curiositeiten vond ik een brochure met een even vermakelijke als nu onmogelijkecombinatie van referaten voor predikanten op de titelpagina: ds I. Kievit, Over het krijgen van texten en P.C. Kuiper, kand. psych. Over hallucinaties.
Een jaar eerder stond Dimitri Frenkel Frank op de preekstoel om te vertellen hoe hij zich tijdens het schilderen kon ontspannen: 'hoe vreemd het op deze plaats ook klinkt, wat de regels van perspectief en kleurstelling betreft, trek ik me van God noch gebod iets aan'. Precies op dat moment zakte hij in elkaar. Reanimatie mocht niet meer baten. Even snel als de eerste hulp arriveerden de paparazzi om de tragische gebeurtenis vast te leggen. Maar zo gewonnen, zo geronnen, want de eveneens in allerijl opgetrommelde mannetjesputters rukten de filmpjes stuk voor stuk uit de camera's. Sindsdien werd het lastig om in het winkelcentrumaffiches op te hangen'. Neen, ik heb niks met de kerk, maar zoveel is wel duidelijk: in dat oude kerkje, daar deugt iets niet. 'Onkerkelijkheid doet aan het geloof geen afbreuk, integendeel.

Esthetische kwesties heb ik zonder uitzondering verloren. De trouwstoelen kwamen reeds ter sprake, de gordijnen aan weerszijden van de gotische ramen in het koor mogen er ook zijn. Meer onherroepelijk: de ontsierende graven op het smalle strookje grond tussen kerk en dobber. Ze werden daar aangelegd, omdat de gemeente verzuimd had tijdig plannen te maken voor de uitbreiding van het 'vol gelopen' kerkhof. Ooit dreef een kist bijna letterlijk de dobber in. De doodgraver had niet gezien dat hij dwars door de afvoer van het hemelwater van het kerkdak gespit had. Tijdens de herstelwerkzaamheden 'in grond waarin natuurlijk nogal eens graven 'geruimd' waren' riep het zoontje van een ouderling stampvoetend: 'Nu hebben ze me altijd verteld, dat doden naar de hemel gaan, maar nu zie ik het'.
Eveneens kansloos: de kwestie kanselbijbel. Ook in K ligt een Statenbijbel (1851) op de preekstoel. Na de restauratie schonk de toenmalige predikant een witte kanselbijbel in de nieuwe vertaling. Als een soort tafeltje dekje werd de oude bijbel voorzien van een plastic zeiltje, daarop de witte bijbel en daarop dan meestal het zakbijbeltje en de preek van de dominee in toga, die met zijn brede armgebaren Gods woord aan steeds grotere ezelsoren hielp. Ook de eerbiediging van kaft tot kaft kent grenzen. Naar analogie van de synagoge, waar de thorarol in een feestelijke optocht uit de kast wordt gehaald om die na gebruik weer op te ruimen, heeft Hans Blankesteyn iets dergelijks geprobeerd door kinderen de met lange leeslinten versierde bijbel in optocht te laten halen en brengen. Op televisie zag ik dat een nis in het koor van glas is voorzien, en daarachter als in een schrijn: het zandstenen pinakeltje van een sacramentshuisje, de zwart gelakte voorzittershamer en de witte bijbel.

Televisie vraagt om steeds nieuwe beelden. Soms wordt in Het vermoeden het lezen van een tekst gefilmd door een glas in lood raam. Ook hier riepen de tv-beelden onmiddellijk allerlei andere op. De charme van glas in lood is, dat al die raampjes het licht onder een net iets andere hoek vangen en spiegelen. Eind jaren zeventig werd uit milieuoverwegingen, het sparen van brandstof, besloten om voorzetramen op de buitenmuur te plaatsen. Wind en tocht trokken zich van de maatregel nauwelijks iets aan, ik des te meer:
   hoekig huis
   hoog opgetrokken ogen
   zelfs in je rug

   gotische ramen
   zeven de glans
   van je innerlijk licht

    glas in lood
    voor elke nuance
    een fotografisch geheugen


    wat sta je daar
    glazig te kijken nu
    ze jou om energie te sparen
   
    met een stalen gezicht
    een ziekenfondsbril
    hebben aangemeten.

'De geschiedenis heeft gewild dat de maand mei pas op de vijfde begint. De eerste dagen ervan duren minstens vijf jaar en horen in een ander tijdperk thuis, en dat komt elk jaar in twee minuten roerloosheid ten einde'. Woorden van A.L. Boom (pseud. Kees Fens) die aan ons besteed waren. Elk jaar was er in mei een expositie: Getekend in Westerbork; Vrijheid in Gevangenschap [Wim de Haan, 1913-1967], Hedendaagse visies op dood; In ruimte gezet,- over de veranderingen in grafmonumenten; Absalom, Absalom, - ik heb geen zoon om mijn gedachtenis levend te houden, en: 'alsof schaamte hem moest overleven'.
In zo'n kader schroefde Jenna Tas van drie ramen in het koor het in staal gevatte voorzetraam, om dat met een walmend kaarsje en engelengeduld te beroeten, waarna zij er hebreeuwse letters en kleine tekeningetjes in maakte en de ramen weer op hun plek bevestigde. Het werd de meest indrukwekkende installatie, die ooit in het kerkje te zien was, geïnspireerd door een dichtregel van Paul Celan: Al die namen, al die meeverbrande namen. Het heldere licht, nu gefilterd in sepia.
Kerken zijn gebouwd op het oosten, en het koor staat meestal scheef op het schip. Vanaf de toren kun je dat goed zien. Een Oost-Duitse kunsthistoricus vertelde me op die plek: 'es ist das geneigte Haupt Christi'. Kerken gebouwd op het oosten, zoals de hof van Eden en het kerkhof. Uit die richting komen de wijzen, en het licht: de morgen der opstanding. Dat perspectief verduisterde, ging letterlijk in rook op.
Bij dit licht werd het triokwintet van Youri Butzko voor het eerst uitgevoerd en op CD gezet. De componist, een jaargenoot van Schnittke, had Auschwitz bezocht en koos als thema voor zijn muziek de omkering van een bekend motief bij Beethoven. Dus niet: Es muss sein, maar: muss es sein? Verder op die cd: Tera de Marez Oyens met drie liederen van haar man, een overlevende van Auschwitz: Menachem Arnoni, en Charon's gift, een stuk voor tape en piano, dat zij schreef nadat haar man geprobeerd had om suïcide te plegen.

Wat kan er wel en niet in een kerk? Over die vraag valt in K de slagschaduw van een jarenlang en bitter gevecht. Voor de orthodoxie hield het na de preek letterlijk op. Deze tekst spiegelt andere inzichten, maar zeker geen ongevoeligheid. In het koor ligt, herkenbaar aan de vijf naar Jezus' wonden verwijzende wijdingskruisjes, de altaarsteen, die waarschijnlijk tijdens de reformatie verwijderd is. In de achttiende eeuw werd de steen gerecycled tot grafsteen van Johanna Wigmans. Bij de restauratie plaatste men op de fundamenten van het oude altaar een zware marmeren tafel. Na het delen van brood en wijn werden hier brieven getekend voor Amnesty, Charta '77, aan Brian Wilson, Vietnam veteraan, die een wapentransport naar Midden-Amerika wilde tegenhouden en daarvoor moest betalen met twee benen; aan Gorbatsjov: tegen de sceptici die in de lente kans zien om groene loten grijs te verven; aan de dominee die Erich Honecker tijdelijk in huis nam. Hier werden in 1983 de twee spandoeken geschilderd voor de grote demonstratie tegen kernwapens: waarom zouden wij een stier aanbidden / als het lam is in ons midden (Tom Naastepad). Aan deze plek vermaakte het Amsterdamse Februari collectief een modern heiligenbeeld: een soldaat die documenten in het vuur werpt, omgeven door de portretten van de vier vermoorde Ikon journalisten. Wat kan er wel en niet op deze plek? Over het bronzen beeld van een zwangere vrouw op deze plek werd stevig gediscussieerd. Verheerlijking van vruchtbaarheid of daaraan voorbij: verwachting, immers: welke mens wordt in deze kring verwekt? Wat kan er wel en niet? Geen wijnglazen, laat staan asbakken. Tafeltennis kon volgens Frits Mehrtens ook niet: 'Niet omdat de plek daarvoor te heilig is, maar omdat de maten niet geëigend zijn'. En Ferdinand Borger, tijdens de Ikon opnamen in kleermakerszit op het altaar? Ik voelde me ongemakkelijk. En de strenge christelijkheid van weleer? Nu het gevaar geweken is en zij zelf de huurpenningen innen, is het geweten kennelijk ruimer, mogelijk zelfs verlicht.

Lauraët, 10 XII 2006