De ouverture van de filosofie, over Denken en Dichten [1]
een persoonlijk leesverslag

De eerste ontmoeting met Theo de Boer schiep direct een band. Kort na mijn bevestiging als dominee begon de hete zomer van 1976. Na de vakantie vond ik op de deurmat stellingen van een collega, geschreven met het oog op een gesprek bij de Raad voor kerk en theologie. Zonder overleg had hij geregeld dat wij zijn stellingen daar samen zouden gaan verdedigen. Spaans benauwd kreeg ik het. De man had een charisma om een muizenval te verkopen als buitenkans. Jaren later tijdens een zoveelste poging om de lucht te zuiveren was hij voor ik begreep wat er gebeurde in gebed verzonken om de Eeuwige uit te leggen waarom de samenwerking met mij hem moeilijk viel. En toen, even abrupt als het begonnen was: ‘en lieve God, nu gaat Henk verder…’ Wat nu? Zeker geen amen, en zo werd het vanzelf een gebed zonder eind.

Het onderwerp bij de Raad laat zich inmiddels raden: theocratie! In de korte tijd die restte, had ik wat eigen stellingen geformuleerd, zoals: ‘Als de aarde onvervreemdbaar des Heren is, ondergraaft dat het verschil tussen allochtoon en autochtoon.’ Van Theo de Boer kende ik toen alleen zijn boek Tussen filosofie en profetie (1976), wel al zo vaak herlezen dat vrijwel elke zin onderstreept was. [2] Na de vergadering zei hij dat we over theocratie in PPR-termen nog wel eens door konden praten. Begin van een vriendschap die vrucht droeg in een aantal Kortenhoefse projecten als Awater, Celan, iets bij de Van der Leeuwstichting, de exposities Overkant, Inkeer en nog later de poëzieweken in ons Franse huis onder andere rond Fredy Neptune van Les Murray en Omeros van Derek Walcott.

Denken over dichten
Na een paar mislukte pogingen om iets te schrijven over Denken over Dichten moest het roer om: alleen als persoonlijk leesverslag zou het lukken. Immers: dankzij de boeken van Theo de Boer bleef ik bij de kerk, preken en meer nog: geloven. Denken over Dichten bestaat uit vierentwintig gesprekken van Theo de Boer en Peter Henk Steenhuis, meestal over de interpretatie van één gedicht. De redactie van Trouw had het lef om deze niet alledaagse kost jarenlang paginagroot in de krant te zetten. Inmiddels heeft het boek een meerwaarde op de krantenstukken. Allereerst omdat de uitgever niet beknibbelde op vormgeving en illustraties. We kunnen daaraan aflezen hoe internet bij het doorgronden van lastige regels soms te hulp schiet.  Een voorbeeld: Kees Ouwens heeft het ergens over Venus’ laden. Wie beide woorden googlet vindt het kunstwerk [1936] waarmee Salvador Dali de psychoanalyse op de hak nam.
dichten-2

Een ander pluspunt is de nieuwe indeling: liefde, levenskunst, natuur, leven en dood, het niets, religie, tijd, taal en werkelijkheid met als toegift: een in- en uitleiding, die zich verhouden als verwachting en wat daarvan terecht kwam, samen zoiets als de poëtica van de Boer. Opvallend is de multiculturele keus van gedichten: de helft is niet van eigen bodem, alleen Azië ontbreekt. Alles bij elkaar is het boek een originele inleiding tot de filosofie, waar scholen en andere leerhuizen hoog mee kunnen scoren.

Winstgevend verlies
Een sleutelbegrip is het woord postmodern, waarbij De Boer liever spreekt van postklassieke of levensfilosofie. Het modernisme van de 17e eeuw liet de klassieke metafysica intact. Bovendien: hoeveel vooruitgang het model van de natuurwetenschap ook gebracht heeft, zodra Descartes zich afvraagt hoe hij er zeker van kan zijn dat er mensen en geen mechanische poppen langs zijn raam lopen, is dat het begin van een doodlopende weg: het verlies van de naaste, zoals ook geuren, kleuren en geluiden het als hersenspinsels moeten afleggen tegen de werkelijkheid van elektrische golven, neutronen en protonen. Pas halverwege de 19e eeuw bewerkt het historisch denken een breuk met de platonische metafysica waaraan ook het christendom zich te buiten ging. Hoe lastig het was om van dit  paradigma los te komen, bewijst Brentano (leermeester van Husserl op wie De Boer promoveerde) die de waarneming bestempelde als een Falschnehmung. Toen in De God van de filosofen en de God van Pascal (1989) deze verbanden en de omtrekken van een christendom zonder metafysica in kaart kwamen, inspireerde dat mij tot een tienjarige reeks exposities voor blinden. Beeldende kunst als een laboratorium waarin vooral zienden ontdekt werden aan hun visuele handicap. Wie zijn ogen niet gelooft, moet zijn handen gebruiken en leren vertrouwen op de andere zintuigen. De blinde Engelse theoloog John Hull [3] noemde zichzelf een ‘whole body seer’ en vertelde hoe hij als het regende kon horen hoe zijn eigenhandig aangelegde tuin er uit moest zien. Het jaar daarop waren er  Verdwenen geuren en geluiden als associatieve dragers van herinnering. Experimenten die indirect uitgelokt waren door eyeopeners in teksten van Theo de Boer.

In Denken en Dichten worden vroegere vergezichten hernomen met de vrijheid van een emeritus: vanuit zijn eerste liefde, de poëzie. Het (postklassieke) verlies van de eeuwig ware wereld van geometrie en ideeën betekent winst: er valt een wereld te winnen, en wel de ruimte van het volledig leven. Met een daverende klap zetten de Vijftigers daarmee de poëzie op de kaart, weg uit de duffe sfeer van de met strikken en linten (rijm en beeld) versierde morele boodschappen. Op Het gewone leven noemde, wordt de verbeelding losgelaten, en vervolgens geven de resultaten de filosoof te denken. [4]  Als Nijhoff de geur van hoger honing weerstaat, blijven zijn bijen de aarde trouw en vertaalt hij pure hartstocht terug in een sonnet van Petrarca.[5]  Maar het klassieke wereldbeeld is taai: Vestdijk schokte met zijn De toekomst der religie domineesland maar bleef zelf in een esthetische metafysica gevangen: met de beroemde stofzuiger [6]  hield hij zich vlees en bloed van het lijf om als een echte troubadour de eeuwig onbereikbare, ideale vrouw te kunnen bezingen.
dichten-1

Het verschil tussen geloof met en zonder metafysica wordt zichtbaar door de gedichten van de katholieke bekeerlingen Vondel en Willem Jan Otten aan elkaar te spiegelen: niet eeuwig gaat voor ogenblik maar omgekeerd: de soms even van eeuwigheid vervulde tijd, geen andere wereld maar deze wereld anders. Het boek is ook een verademing omdat de lyriek zich keer op keer bewijst als de moeder der politiek (Lucebert). Funeste effecten van ‘eeuwige waarheid’ en ‘gestolde tijd’ die zich als in een draaiorgel afwikkelen, worden doorlopend aangewezen, van de politionele acties in Indonesië tot het middel dat erger was dan de kwaal in Bagdad. Als politici vaker een gedicht lazen, zou de aarde wellicht een minder gevaarlijke verblijfplaats zijn dan nu het geval is.

Kortsluiting
Het boek is ook een gesprek tussen twee generaties domineeskinderen, waarbij de jongste niet [meer] gelovig is. Deze didactische opzet herinnert aan de Heidelberger Catechismus. Zoals de vragen daarin soms op de lachspieren werken: ‘Kan ergens een bloot schepsel gevonden worden dat voor ons betaalt’ of: ‘Maakt deze leer geen zorgeloze mensen?’ – zo ook hier. Als De Boer bij de interpretatie van een gedicht van de Argentijn Roberto Juarroz verwijst naar 1 Korinthiërs 13, Pinksteren en de doop van Jezus in de Jordaan, vraagt Steenhuis geschrokken: ‘Krijgt dit gedicht nu ineens een christelijk slot?’ Zulke kortsluitingen zijn er nogal eens en vaak gaat er juist dan een wissel om. Zo schrikt Steenhuis als in een gedicht van Ouwens het woord cultisch valt en dreigt de humoristische afrekening met de jaren zeventig hem daardoor te ontgaan. Als Antjie Krog knielt, denkt Steenhuis aan spijt betuigen terwijl zijn gespreksgenoot aan inspiratie denkt: luisteren, bidden om gehoor te geven. Het wemelt in het werk van De Boer zonder enige gêne van de aanhalingen uit de preklassieke verhalen uit de bijbel.  Als Steenhuis het begrip appèl te slap vindt, verwijst De Boer niet naar hardhandige begrippen als gijzeling, obsessie of achtervolging bij Levinas, maar prikt hij zijn gesprekspartner met de aan Paulus ontleende ossenstok tussen de ribben. Het belang van dit pendelen tussen poëzie en bijbel voor de hermeneutiek is nauwelijks te overschatten. Een sterk voorbeeld is het gesprek Ik bid, dus Hij bestaat over Czeslaw Milosz, waarin alles draait om het [ook letterlijk] centrale woord Ommekeer waarna het woord ‘is’ een betekenis onthult die wij nauwelijks voorvoelen. Immers: dáár wordt ons de bij Descartes verdwenen ander op het hart gebonden en begint de orde van het Hebreeuwse werkwoord: hij, jij, ik. Mooie voorbeelden zijn ook de interpretaties van gedichten over bloemen [7]   van Sylva Fischerová en Louise Glück. Bij de eerste leeft de bloem per gratie van andere wezens die hun leven offeren, bij de ander laat de Wilde Iris zich uithoren over wat zij zich herinnert van de dood: begin van een ander verstaan van Pasen.

Nieuw licht
Als ik iets van Theo de Boer geleerd heb en ook consequent in mijn eigen praktijk probeerde toe te passen is het dit: alle vormen van beeldende kunst als ars inventionis. Je iets aan laten reiken waardoor iets uit de bijbel ineens ongehoord tot je komt. Een uitleg, die zonder het kunstwerk nooit geschreven zou zijn, anders gezegd: zonder communicatie met de eigentijdse, godvergeten cultuur ontgaat ook de kerk haar geheim. En dan doet het er niet toe of Louise Glück ja dan nee christen is. Het gaat er om of haar beelden aanzetten op een andere manier paasmotieven te interpreteren. Een vaak  hardhandig  proces omdat het zonder afbraak en sloop niet lukt.
Anders gezegd: kunst niet als illustratie – waarbij de kerk, dominee of gemeente meer of minder bewust de waarheid in pacht heeft maar autonoom. En ineens is daar de klap met de hamer die Kafka ons gunde, een inzicht of paradigmashift die alles in ongekend licht zet. Het risico lopen dat je een ander mens wordt zoals Odysseus overkwam tijdens het gastvrij onthaal bij de Faiaken: als de blinde Demostenes zingt, houdt Odysseus het niet droog: het lied gaat over hem zoals hij zichzelf nooit eerder zag.

 Tekst verscheen in: In de Waagschaal, nwe jrg 41, nr 10, 13 oktober 2012



[1] Theo de Boer en Peter Henk Steenhuis, Denken over Dichten, hartstocht en rede komen in contact, Rotterdam, Lemniscaat, 2011.
[2]
Later begreep ik dat het proefschrift op mijn vaders leestafel van zijn vader was: De verzegeling met de Heilige Geest volgens de opvatting van de Nadere Reformatie, 1968. Ook die traditie is bij De Boer niet verdwenen: voor de passieve ervaring van een breuk in de autonomie, inbreuk van gene zijde, herinnert hij zich de zegswijze: het is geen vond maar een wond (p. 173); waar ik ook rondvroeg in hersteld of anderszins orthodoxe kring, niemand kende de uitdrukking (nog).
[3]
John M. Hull, Touching the Rock: An Experience of Blindness, New York: Pantheon books, 1990; vgl. Oliver Sacks, The ‘dark’, Paradoxical Gift, in The New York review of books, 11 April 1991.
[4] 
Eenmaal van metafysische rimram bevrijd, werd de filosofie eenvoudig en de poëzie moeilijker dan ooit om niet te zeggen: hermetisch. Het boek eindigt in stijl als de schrijvers zichzelf op de hak nemen met de ironische kruisstelling: Zwaar werd het gedicht / maar het denken licht.
[5]
Op een beslissende moment in de caféscène zingt Awater over het afscheid van zijn overleden moeder. Later heeft Nijhoff onthuld dat het lied een vertaling is van sonnet 250 uit Il Canzoniere van Petrarca. De verschillen zijn echter groot. Voor Petrarca is de onbereikbaarheid van de gehuwde en later  aan de pest overleden Laura zoiets als een voorwaarde om over de ideale geliefde te kunnen schrijven, bij Nijhoff gaat het om echte rouw.
[6] Om tijdens het schrijven niet afgeleid te worden deed Vestdijk oordopjes in en zette hij de stofzuiger aan. Het beroemde apparaat staat in het Letterkundig Museum in Den Haag.  
[7] Toen De Boer zich als filosoof met de natuur ging bezig houden, greep hij steeds vaker naar de poëzie. De moderne vervreemding van de natuur komt vaak ter sprake. In dit boek wordt een van de drukfouten (60, vgl 57, 255) een komische noot. Een vriendin van Goethe was dochter van een dominee, die meende dat muggen in het paradijs aangenaam zoemden maar niet konden steken. Er staat: niet staakten. Deze zomer vroeg een jonge moeder en communicatiedeskundige iets dat in de buurt kwam: ‘Welke insecten steken hier in Frankrijk?’ Antwoord ‘Ik spreek weinig insecten maar als ik me niet vergis houden de wespen in juli ramadan.’