‘HET WONDER VAN HET PESSIMISME’ [1]

 

godvergeten dovenetels laat es
aan uw zwarte vlekken merken dat het niet te laat is
[VG 45] [2]

 

Toen leeftijdgenoten het Maagdenhuis bezetten, zat mijn klas braaf in de schoolbanken en zochten zwartgeklede mannen tussen ons ondergoed naar clandestiene radiootjes en andere conform de SGP-beginselen verboden waar. Toch hadden ook wij op de naoorlogse geboortegolf de jaren zestig bereikt. In de schoolkrant figureerden de humorloze ouderlingen als Raad van Beroerte. Een opstel waarin Heiman Dullaert met Lucebert werd vergeleken, oogstte gefronste wenkbrauwen maar was uiteindelijk goed voor een negen: ‘Hoger komt alleen den Heere toe’. Een kleine cel van verzet werd gevoed door elkaar voor te lezen uit bundels van Lucebert; hardop, want al begrepen we er weinig van: het klonk als muziek en de profetische toon had iets vertrouwds. Pas veel later ontdekte ik dat Lucebert in een interview op de literaire kwaliteit van Ezechiël gewezen heeft. Om het vernieuwende karakter van de experimentele poëzie te relativeren citeert hij deze profeet: ‘Hun knieën zullen wegvloeien als water’ en zegt hij: ‘Met de aard van deze dichtkunst voel ik mij verwant. [3]

lucebert-1Ex libris Lucebert. Bij het eerste doorbladeren van de lijst met Luceberts boeken op het gebied van levensbeschouwing en filosofie bleef mijn oog even haken aan Georg Groddeck, Das Buch vom Es. Lucebert las het in Parijs en dat leverde hem een ontstoken oog op. Er bestaat echter ook een stadje Grodek in Galicië dat in 1914 aan het front lag. De Oostenrijkse dichter Georg Trakl verzorgde er de zwaar gewonden, schreef zijn laatste gedicht en nam een overdosis. Lucebert verstopte Groddeck en Grodek in een alles behalve spontane, nogal cryptische bijdrage aan een onderzoek naar het associatievermogen van dichters dat hij kennelijk wilde ontregelen, want hij had het niet op psychiaters: ‘Dichters, weten waar ze de mosterd niet vandaan moeten halen.’ [4] Lucebert is niet alleen een dichter met een hoge roeping maar daarmee ook verlegen, een pestkop soms, schrijver van nonsens en ‘treitertrends’. Nadat ik had gezien welke boeken Lucebert bezat, droomde ik ’s nachts van omgevallen boekenkasten: alles in kaart gebracht, een surrealistisch vergroot schijfje fonkelend op een open praalwagen, gevolgd door een eindeloze stoet van mensen in toga achter kruiwagens vol tussenwerpsel en geknor, meningen als bijwerk / overbodig gesnap [VG 746].

Ex libris, verzameling waarin de lezer zich aftekent. In de mooie biografie van Peter Hofman over de jonge Lucebert, [5] vinden we de dichter al heel jong met de neus in de boeken of daarover enthousiast en gedreven in gesprek met vrienden. Toen het nog niets mocht kosten, schreef hij in schriftjes gedichten af en in het mythisch verdichte verhaal van de zwerver met een broodkorst als corsage [VG 730] weet de dakloze zich eerst recht thuis bij goed gevulde boekenkasten. Zelfs in het werkkamp nabij Wittenberg [1943-1944] weet hij aan boeken te komen. Al deze gangen zijn door onderzoekers nagetrokken tot in de Amsterdamse universiteitsbibliotheek toe,  tegenover de Krijtberg-kerk waar Lucebert zich kort voor kerst 1947 liet dopen. In Bergen omringde hij zich met ruim zesduizend boeken in allerlei tong en taal: oosterse religie, esoterie, witchcraft, spookverhalen en sprookjes, theosofie, reïncarnatie, dromen en hekserij, zoals het boek Het ijzige zaad van de duivel. Lucebert bezat ook de dissertatie van Johan Brouwer over de Spaanse mystiek. Deze opmerkelijke hispanist werkte bij de GZB-zending, overviel een bank, bracht zijn afperser om het leven, vocht tegen Franco om uiteindelijk door de nazi’s vermoord te worden, nadat hij bij de overval op het Amsterdams bevolkingsregister de explosieven geplaatst had. Naast Het wilde denken van Levi Strauss vinden we ook The savage God van A. Alvarez, het boek over suïcide dat mede bekend werd, omdat de auteur bevriend was met Sylvia Plath. Theologische boeken zijn er in deze verzameling nauwelijks, ook geen joodse. Er is één uitzondering: An existentialist theology van John Macquarrie, die zich onderscheidde als vertaler en kenner van Heidegger. Op de joodse mystiek en kabbala heeft Lucebert zich kunnen oriënteren tijdens logeerpartijen bij Bert Schierbeek, mogelijk ook al eerder in de openbare bibliotheek. [6]

In de boekenkasten weinig reguliere filosofen, voor Lucebert zijn dat immers spijsgeren [VG 278]: op een walm van woorden / veel zwartgalgen zijn opgericht / door deze blaasbalgen, die hun zware kost verpakken in een buikig duits boek als / kleines handbuch [VG 106]. Een dichter is daarvan niet gediend: alle / zwarte zware folianten vermalen de vlinder van de poëzie [VG 330]; dichters denken achter hun gedichten aan. In reactie op een duistere passage in een brief van Andreus over het gescheiden zijn van anderen schrijft hij: ‘Je weet, in theoretische vakken ben ik nooit sterk geweest.’ Descartes was dat wel maar het bracht hem in opperste verwarring toen hij aan zijn raam op de Westermarkt mantels en hoeden voorbij zag komen. Hoe kon hij zeker weten dat het levende mensen waren en geen poppen met een sleuteltje in de rug? [7] Kant noemde dit nooit opgehelderde probleem het schandaal van de filosofie. Kennis van de werkelijkheid bestaat volgens hem uit voorstellingen die met behulp van de zintuigen gemaakt zijn, hersenspinsels dus. Pas bij Heidegger kantelt de vraagstelling: niet de onbewezen buitenwereld is een schandaal, maar het feit dat de filosofie aan zo’n bewijs behoefte heeft. Aan de splitsing van object en subject gaat het beter weten van  voortheoretische ervaring vooraf. [8] Om die ervaring ging het bij de reeks exposities die ik onder het motto Aanraken geboden jarenlang in Kortenhoef organiseerde voor blinden. Ook zienden leerden er beter door kijken, immers: wie zijn ogen niet kan geloven, gebruikt zijn handen. Na de ontdekking van het historisch bewustzijn en de breuk met de metafysica spreken we van levensfilosofie: geen wereld achter de verschijnselen, maar interpretatie van contingente ervaringen. Lucebert noemde dat honger naar wijsheid, heelhuids weten [VG 439].

Het wekt dan ook geen verwondering dat in de boekenkast van Lucebert ‘marginale’ filosofen in de meerderheid zijn. Het zijn de meestal literair begaafde grensgangers tussen literatuur en filosofie. In goede herinnering aan zijn leraar Duits heeft Lucebert naar één van hen vaak verwezen: ‘Zo zat ik al rond mijn dertiende, veertiende gebogen over Schopenhauer,’ en: ‘Je kunt dus zeggen dat mijn pessimisme zit in het zaad dat Schopenhauer al vroeg heeft gezaaid.’ Niemand heeft de pretenties van het moderne humanisme, het Duits idealisme en de Verlichting radicaler onderuit gehaald dan Schopenhauer. Niet verwondering, maar verbijstering is het begin van de filosofie, want er is niets dan de blinde wil om te leven, strijd en agressie. Hij moet een ongemakkelijke spelbreker geweest zijn voor collega’s die het geweld van de Franse revolutie en Napoleon interpreteerden als de weeën van de verrukkelijke nieuwe tijd van de Geest.

Als Schopenhauer slechts een zwartgallige pessimist uit de 19e eeuw was, zou hij niet vooral onder kunstenaars zo populair geweest zijn. Het artistieke genie verzet zich immers tegen onderwerping aan de wil, maakt zich daarvan los, neemt het lot in eigen hand en verwerft zich daadwerkelijk een meer objectieve blik. Ook de weg naar het Oosten, de Indische filosofie is door Schopenhauer ontdekt. Darwin las Schopenhauer en vond via hem de wet van natuurlijke selectie, waardoor de beter aangepasten overleven. 

Wie terugkijkt op de verschrikkingen van de 20e eeuw kan op het cliché van Schopenhauer als extreme somberman ook het nodige afdingen. De Tweede Wereldoorlog is de kern en horizon van het wereldbeeld bij Lucebert. ‘Wij hebben geen duistere fragmenten van Heraclitus nodig om aan te tonen dat het zijn zich aan het wijsgerig denken openbaart als oorlog,’ schreef Levinas, en op de eerste bladzijden van Anders dan zijn formuleert hij bits: ‘Esse is interesse' [9] eigenbelang, wingewest. Lucebert was er als kind getuige van tijdens de Jordaanoproer in 1932; later als de Joden uit het straatbeeld verdwijnen, tijdens de politionele acties in Indonesië en nog later als onze bevrijders Vietnam bestoken met napalm. ‘De mens is een sekreet, dat ben ik met de zwartekousenkerken eens’, zei hij tegen Max Pam. [10]

Onder de andere filosofen die bij Lucebert royaal vertegenwoordigd zijn: het driemanschap dat Ricoeur spreekwoordelijk maakte als ‘de meesters van de argwaan’, Nietzsche, Marx en Freud. Ieder voor zich verwerkten zij de erfenis van Schopenhauer; gedrieën liepen zij storm tegen de levensvijandigheid van het christendom. Als ontsnapping aan het pessimisme koos Freud de analyse om het ongeluk te leren hanteren, Marx sprak van een revolutionaire impuls en Nietzsche smeedde de Wille zur Macht om tot de Vrolijke wetenschap van de Dionysische mens, waarbij hij zijn hoop vestigde op kunstenaars: de aarde trouw zonder de valse troost van de hemel. Lucebert beschaamde die hoop niet. In een reactie op C.J. Kelk, die ondanks alle absurditeit en zinloosheid zijn kaarten onveranderd op het gezonde levensinstinct zet, schrijft hij: ’Als ”de gewone man” door “de Rede” gevraagd wordt zijn volk, vrijheid en cultuur te verdedigen tegen de boze machten in de wereld, dan zal hij ‘‘in bommenwerpers stappen of knielen achter mortieren om hier of daar zijn levensdrift te vieren.’” Vrije, creatieve mensen daarentegen ‘verdedigen zich tegen de tyrannie van de samen eendrachtige rede en levensinstinct, een tyrannie die, en dat stel ik voorop, een deel is van henzelf. [11]

Ook over de nog niet genoemde filosofen in de boekenkast van Lucebert valt de slagschaduw van Schopenhauer: Kierkegaard, Ludwig en Herbert Marcuse, Mc Luhan [12], Cioran, Unamuno, Ortega y Gasset, Spengler en hors categorie de alwetende George Steiner. Bij alle verschillen, zijn het allemaal zwartkijkers. Een van hen wil ik niet onbesproken laten: Cioran (1911-1995), want hoewel het verzamelde werk pas na het overlijden van Lucebert verscheen, zijn vroegere edities vrijwel allemaal in de bibliotheek aanwezig.

Cioran werd in Roemenië geboren. Reeds als kind werd hij gekweld door slapeloosheid en depressies. De extreme effecten daarvan raken elkaar: steenachtige verlatenheid en extatische verrukking. Hij wist zich daarmee in het gezelschap van middeleeuwse mystici; de door hen ontwikkelde negatieve theologie zou hij levenslang trouw blijven. Hij verdiepte zich grondig in Schopenhauer en Nietzsche; Spengler’s Ondergang van het avondland behoorde tot zijn favorieten en deed hem uitzien naar de Opstand der horden. In Boekarest leert hij Ionesco kennen; in Berlijn verliest hij zijn geloof in de reguliere filosofie en ontwikkelt hij zijn messcherpe, aforistische stijl, die de lezer treft als een Provençaalse hagelbui. In 1937 vestigt hij zich voorgoed in Parijs waar hij bevriend raakt met Samuel Beckett tot ook hij dit  inktzwarte pessimisme niet langer kan verdragen. Bij zijn dood schreef een cartoonist in een Spaanse krant: ‘Hij nam zich voor te mislukken en ook dat lukte hem niet.’
Wie met iemand die aan depressiviteit lijdt praat, moet oppassen om zelf niet in de put te vallen; wie Cioran leest, kan zich aan die zuigkracht nauwelijks onttrekken. De voortdurende wisselingen van ik, hij en wij gijzelen de lezer in een ware begoocheling van zinnen: ‘Aan deze geperverteerde optiek besteden ze [de mystici] al hun zorg. Geen spoor van de werkelijkheid blijft bestaan als de helderziende er met verwoestende kracht overheen is geraasd. Niets bestaat, dat is hun uitgangspunt […] om uit te komen bij de stelling: alles bestaat. [13] 
In het voorwoord op zijn trefzekere vertaling van Het bestaan als verleiding - het boek dat Cioran zelf koesterde als een parel - maakt Maarten van Buuren de lezer attent op het feit dat de meeste paradoxen gebouwd zijn op de omslag van depressie naar extase: ondoorzichtige helderheid, juichende droefenis, klimmen naar de afgrond, ziekte als remedie, luisterrijke vernietiging, oprichten door te breken, de nederlaag als overwinning, gezegende vervloeking.

Bij Lucebert wemelt het van soortgelijke, vaak dezelfde paradoxen. Een andere overeenkomst is de belangstelling voor het dualisme van Marcion en Mani. [14] De manichese sekte van de Bogomilen werd vanuit Byzantium verdreven naar Bulgarije, waar het virus van de gnostiek in kloosters wist te overleven. De schepping is volgens deze sekte het werk en domein van de duivel, min of meer een synoniem van de joodse God. De mens is in dit kwaadaardige systeem gevangen, reden waarom ook de voortplanting wordt afgewezen. [15] Via Bosnië en Noord Italië trekt de sekte naar de Provence waar ze als Katharen of Albigenzen tot grote bloei komen, waarna de Inquisitie zich geroepen weet om te bewijzen dat de hel, althans op aarde, wel degelijk bestaat. Evenals bij Lucebert is het voor Cioran geen probleem het omgekeerde scenario te verdedigen: niet de demon of demiurg maar de mens bewerkt het kwaad. Een laatste opmerking ten aanzien van Cioran. Volgens Unamuno maken niet de ideeën iemand tot pessimist, maar redenen van fysiologische of pathologische aard. Anders gezegd: het oninvoelbaar pessimisme, waardoor hij zelfs in zijn geliefde niet zijn naaste herkende [16], is ook vrucht van een zieke geest. Daarvan is bij Lucebert geen sprake: ‘Echt ongelukkig ben ik nooit geweest. Het gedichten schrijven is bij mij juist altijd gepaard gegaan met het gevoel van een overdaad aan kracht, van vreugde en positieve gevoelens, niet van depressieve.’ [17]     

In de tweede helft van dit essay
wil ik hlucebert-2et cliché van de pessimistische Lucebert nuanceren vanuit wat hij  het wonder van het pessimisme noemde, een rand van licht, hartstocht voor waarheid. De planken mogen doorbuigen onder de pessimisten, maar Lucebert werd geen doemdenker: ‘mijn poëzie wil zo veel mogelijk zijn als ik zelf ben,’ vol humor en theatraal [18] maar onmiskenbaar  luce-bert, licht, en nog eens licht. Wars van religieuze en politieke annexatie zet hij alles naar zijn eigen hand en maakt hij er soms een potje van. Een zomerse vliegenplaag leidt tot De val van de vliegengod en Lilith, de boze furie uit de kabbala wordt zijn muze, koosnaam voor een geliefde: limonade-lilith of provocerend iemand achter een raam: kleinegichelversierdevitrinelilith [VG 43]. Lucebert is geen intellectueel, hij denkt zelf: als een lachende alchemist [VG860] doorzoekt hij de zo vaak vertoonde kasten en laden / die zo gehoond gelijk zij geloofd zijn.  [VG 164]. De gezagondermijnende ketterij van de gnostiek is bij hem geen geloof maar maatschappijkritiek, zoals zijn mystiek de motor is van politiek engagement: ik zing de aarde aarde [VG 81]. ‘Geen zwarte magie maar witte om de wereld beter te maken’ [19] [VG229]:
    de aarde komt tot zichzelf /  de hemel wordt weer haar huis

Hij verwijst naar Bijbelse noties en neemt ze ook even gemakkelijk weer op de hak om uit de buurt van dogmatische ladelichters te blijven. De gnostische voorstelling van de wereld als het machtsdomein van een boze demon is hem welkom. Honend kan hij de vileine vilder en inblinde grootvader het wereldleed in het aangezicht slingeren [VG389]. De almachtige potentaat verwijst hij naar de vaalt […] dit excrementenplein  [VG25] van de geschiedenis; as alles / melasse alles / van meethand melasse alles [VG433], maar het gezicht van een speler in het casino van Monte Carlo, die op Kloos lijkt, is voldoende om hem alsnog te vragen:
    waarom was je god zo diep in je gedachten /  en waarom liep hij niet gewoon op straat [VG 118].

Wie zich God niet kan denken, is nog geen atheïst, zoals een agnost religieus kan zijn, een antimetafysische inzet het spreken over transcendentie niet onmogelijk maakt en alle verbeelding niet louter op inbeelding berust. ‘God bestaat niet, maar Hij wordt gemist en in het gemis is Hij aanwezig,’ met deze zin vat Barber van de Pol een lange door Lucebert aangestreepte passage in The tragic sense of life van Unamuno samen. God is ‘existiéndonos’ (bestaat ons) [20] en mensen zijn goed als god [VG432]. [21] Hij wist ook hoeveel verwarring hij hiermee veroorzaakte [VG600]: 
    het is geen drijfijs /  dat bedreigt het is
    mijn eigen eigenwijze /  ijs waar de klandizie / kruipend op uitglijdt

Rudy Kousbroek, onverdacht, want geharnast bestrijder van het geloof, reserveerde voor Luceberts omgang met goddelijke substanties / waar geen mens nog raad mee weet [VG331] het woord mythologisch.  Het houdt in elk geval de erkenning open van iets dat buiten ons denken ligt: de verzinner van een verhaal heeft ook iets vernomen. Dichtung is geen fantasie maar uitbeelding, mimesis, mikt op waarheid. Dichters liegen die zelfs. En al komt ‘het eigenlijke’ er niet uit, je weet niet van wijken: ja je bent mislukt – het sneeuwt bij je in – maar je veegt /  jezelf niet terzijde VG576].   

De dissertatie van Jan Oegema, Lucebert, mysticus is een mijlpaal in het Lucebert-onderzoek. Niet alleen omdat hij zich rekenschap geeft van de afgelegde weg, maar vooral om het doorbreken van het taboe de rebelse vernieuwer in verband te brengen met religie. Hij durfde  (!) dit overigens pas toen hij begreep ‘dat er behalve een theologisch ook een godsdienstfenomenologisch kader bestaat waarbinnen de termen [mystiek en mysticus] gehanteerd worden. Dat maakt een groot verschil.’ [22]
Het laatste wordt niet toegelicht, daarom een paar kanttekeningen. Theologie staat in een traditie, interpreteert verhalen, denkt na over de neerslag daarvan in ethiek en levensleer, kortom: gaat uit van een vooroordeel en zou daarom volgens sommigen niet wetenschappelijk zijn. De godsdienstfenomenologie daarentegen is zoiets als methodisch atheïsme, zij beperkt zich tot  het vergelijken en beschrijven van de verschijnselen, de waarheidsvraag staat tussen haakjes, het gaat over ‘God’ die dezelfde status heeft als de mantels en hoeden bij Descartes. Anders gezegd: de winst van de godsdienstfenomenologie is ook verlies: de ruimte van het volledig leven [VG52] wordt beperkt, de ervaring van transcendentie doet niet mee, de onderzoeker zelf blijft op veilige afstand. Als het woord vlees wordt, zetten auteur en lezer ook hun bestaan op het spel: zij staan er voor in. [23] En daarom: wat is er onwetenschappelijk aan een zoekontwerp? [24] Binnen de hermeneutische cirkel verhouden werkelijkheid en interpretatie zich als de wal en het schip. [25] Culturele vooronderstellingen zijn een voorwaarde om een tekst te verstaan. De betekenis ligt niet achter de tekst, zoals de historische kritiek meent, maar wordt in elke tijd of mettertijd duidelijk: er is niet alleen op de lezers en hun ervaringen gerekend, in de joodse traditie dragen zelfs de vragen van een komende generatie bij aan het verstaan. Verhalen geven te denken, reizen een leven lang mee ‘en welke idioot zou durven beweren dat er altijd hetzelfde stond?’ [26] Lucebert wist dat zijn woorden scherper waren dan de toon waarmee ze werden uitgesproken en hoopte dat de stem van het hart even scherp gehoord werd als die van het verstand. Hij zocht gehoor bij mensen ‘die hun persoonlijk leven zo ruim maken dat dit leven algemeen menselijk wordt en zo voor een ieder belangwekkend.’ [27] Fokkema heeft opgemerkt dat Lucebert zijn mythische biografie heeft gemodelleerd naar de Bijbelse profeten, zijns ondanks geroepen. [28] Oegema spreekt van ‘een profetische rite de passage in de beste Bijbelse traditie: ‘Een man die bezocht wordt door een hemels visioen, zich aanvankelijk geen raad weet met zijn uitverkiezing, de woestijn in trekt, gaandeweg tot inkeer komt en uiteindelijk zijn profetische missie accepteert en met een eigen boodschap terugkeert in de bewoonde wereld.’ [29] Bij elke fase in die ontwikkeling wil ik een aantal kanttekeningen maken die laten zien dat het wonder van het pessimisme het tegendeel is van doemdenken.

1. Roeping en stemmen

Een rij vogels zit roerloos op een telefoondraad tot zich een nieuwkomer meldt, die op de zenuwen werkt. Pas na veel gemillimeter heeft iedereen zijn territorium weer afgebakend. Vreemde vogels horen stemmen: schizofrenen, hallucinerende psychoten, profeten, paranormale dromers, mystici. Lucebert, Hans Sievez (de ‘vader’ van Jan Siebelink) en Bernadette van Lourdes, bien étonné de se trouver ensemble, zó worden de gêne en onrust omtrent Lucebert begrijpelijk. Hij kende de verhalen van paragnosie en de voorwaarden zoals ondervoeding, hoge bergen of woestijnen, verschillen in het DNA ook: een protestant zal minder snel van Maria dromen.  
Kunstenaars spreken vaak over iets dat hen overkomt, een passieve ervaring: ‘Evenals een vrouw geen kind máákt, maar leven schenkt,’[xxx] zo is het ook voor de dichter: van vaste duisternissen ik laat mij een lied zingen [VG164]. Naar de letter is subjectiviteit geen autonomie maar onderworpenheid, even ontvankelijk als onvermijdelijk en kwetsbaar. Lucebert hoorde stemmen: bij de oerervaring van zijn roeping, ergens tussen 1942-1944, die hij aanduidde als het ‘vreselijke wonder’, maar gelukkig ook nog lang daarna, immers: zonder stemmen geen gedicht. Mijn gedichten zijn gevormd / door mijn gehoor  [VG 432]. In Over engelen beschrijft de dichter Milosz het met sterren en dieren geborduurde uitspansel. Engelen inspecteren de steken die de waarheid zeggen. Aan de spoken van Descartes gaat Milosz voorbij, ze overtuigen hem niet want: 
    Ik heb menigmaal die stem gehoord terwijl ik sliep
    En, wat meer verwonderlijk is, ik begreep min of meer
    Zijn bevel of roep in een bovenaardse taal:
    het is dadelijk dag
    weer dag
    doe wat je kunt. [31]

Afgezien van het verschil in dictie is er een opvallende parallel met Lucebert. De boodschap is zo gewoon, laat staan dat je ervoor naar Tibet moet: het is dadelijk dag / weer dag / doe wat je kunt. Lucebert deed niet geheimzinnig over zijn roeping, maar hanteerde zijn eigen poldermodel: niet  meta van boven [VG 739] maar een  carnivale uiterweide [VG87] en in de meest uiteenlopende verschijningen: nu is het een bronzen negerin / straks een marmeren man / morgen een moerbezie [VG 85] of een dame / met een baard van lila tranen [VG129], de sterren en zoveel meer. In het werkkamp bij Wittenberg: ’waar ik vreemde lichten zag en een engel mij verscheen in de gedaante van een dochter van een vioolbouwer uit Breslau.’ Elders benoemt hij het zo: ‘Het aftasten van datgene wat de taal in je hoofd, in je gehoor, het innerlijk gehoor aan het doen is.’ ‘Ik denk de stem in mezelf is die van het andere, een toevallige voorbijganger, een bekende, soms van de engel? Wie weet? ’‘Een dichter voelt zich het liefst medium.’‘Ja, soms hoor ik een stem die vreemde dingen zegt die ik nooit had kunnen bedenken en dan vraag ik me af: is dat wel mijn eigen stem, hij klinkt zo vreemd, zo anders, net of hij komt van uit een hol vat of een lege kruik.’
    stemmen als brandende bladeren krimpend
    en voetstappen vluchtig als vleugelslagen [VG194]

    in een zaal van fluisteren en lachen
    maakt hij woorden die ik straks denken zal. [VG258]

2. Geen raad met verkiezing

lucebert-3Hoe alledaags en aards de ervaringen waarin de roeping zich voltrekt ook mogen zijn: het maakt ze daarom niet minder ingrijpend. In de bijbel wordt Zacharias maanden met stomheid geslagen, Paulus kan niets meer zien, Jacob wordt een hinkepoot. Ezechiël verliest de macht over zijn spraak en ligt ruim een jaar apathisch op de grond, verdoving lijkt de prijs voor een grotere sensitiviteit. De lippen van Jesaja worden aangeraakt door vurige kolen, Hosea moet een mislukte liefde verwerken voor hij over on/trouw mag spreken. Jeremia geeft zich na hevige strijd gewonnen: ‘Gij hebt overmacht.’ Roeping is hardhandig, zoals verkiezing een pijnlijke vorm van genade is. Alle profeten proberen dan ook onder het beroep uit te komen. Jona vlucht en wordt uitgekotst door een grote vis. Experimenteel dichterschap komt van ‘expérience’, [32] aan den lijve ervaren, onderstaande regels getuigen daarvan:
    als ik geen dichter was zou ik
    uit honderden woordwonden bloeden
    niets zou mij helpen geen gevleugeld 
    geen hemels woord zou het bloeden stelpen [VG 809]

 Tegelijkertijd is het dichten heilzaam, helend: 

    soms spreekt de mond het ware woord
    een woord van hoop geloof en liefde groot 
    de mond is dan rondom helemaal rood
    wordt dat niet gezien dat niet gehoord
    of anderszins gemeden vergeten gesmoord
    dan bloedt hij dood [VG 698]

3. De woestijn

Alle profeten lopen stage in de woestijn, in de marge van het bestaan. ‘Ellende’ wil zeggen: uitlandig, ballingschap. In De tortuur der muzen citeert Lucebert Pascal: ‘de grootheid van de mens spreekt zich uit in het feit dat hij zich ellendig weten kan. De doorsneemens begrijpt deze gedachte niet. Hij is te laf, zo men wil, te zwak om de verschrikkingen van het leven bewust te verinnerlijken, wanneer de grote, van buiten af op ons toestormende rampen voorbij zijn. [33] Ook de profeten hebben de verschrikkingen verinnerlijkt, soms letterlijk. Ezechiël moet een hele boekrol opeten [3,3], zo ook de ziener op Patmos: ‘Het smaakte zoet als honing maar nadat ik het opgegeten had, brandde het in mijn maag’ [10,10]. In het proefondervindelijk gedicht [VG435] staat:
    de dichter eet de tijd op
    de beleefde tijd
    de toekomende tijd

De oorlogsjaren en de eerste tijd daarna zijn volgens Lucebert aan hem voorbij gegaan als een tijd van inkeer en incubatie, zuivering en loutering, teruggeworpen op het naakte bestaan. In zijn proefschrift heeft Oegema aangetoond dat het begrip analfabetische naam uit de debuutbundel niet de tegendraadse nieuwe poëzie aanduidt, maar deze periode van inkeer en de bijbehorende leefwijze: ‘Toen heb ik geleerd wat mijn plaats was in het moderne Babylon. […] Ik prefereerde de analfabetische naam, de naam b.v. van de naamloze die met lorren om de voeten gewonden in het park tegenover mij sliep, boven de namen die de bezeten zwijnen hebben verkracht.’ [34]

Lucebert wijst vaak op outcasts als bondgenoten. Er is nog een tekst  van Lucebert, [achtergelaten in een koffertje bij Sylvia Sluyter,] waarin sprake is van zwijnerij terwijl de dichter overleeft dankzij ‘de aanwezigheid van halfgekke zwervers, schuwe zonderlingen, lamachtige meisjes, fragiele fantasten, allen die genoemd zijn het zout der aarde [Mt 5,13]. Merkwaardig dat in de wereld het haast altijd alleen de armen gebrekkigen en dwazen zijn die de dichter leren verdragen en verstaan. Reeds 1 plak boterhammeworst te veel leidt tot gluttonie corrodie corruptie en contaminatie.’ [35] Elders heet het: ‘toast op onze eenzame glorie die we delen met de kinderen, de idioten en de misdadigers’ en: ‘alleen kunstenaars kunnen hoop geven, uitweg vinden omdat zij in elke maatschappij als outsiders de werkelijk geëngageerden zijn.’ Ook in de woestijn laat hij zich niets wijsmaken: ‘Roem is een fata morgana en dichters worden alleen bewierookt in hele kleine kamertjes die op slot zijn.’ [36]

In de woestijn, buiten het centrum van de macht laten politieke systemen zich het beste in de kaart kijken. Levinas gebruikt voor inkeer het Franse werkwoord recueillir: oogsten, in- en verzamelen, opnemen, zich ontfermen, als reflexief: in gedachten zijn, mediteren. Jezelf bij elkaar rapen, uit driften opgedregd, zo wordt inkeer bezongen in psalm 86: ‘neig mijn hart en voeg het saam, unis mon coeur.’ [37] Het lawaai, de drukte, alle gonzende stemmen laten bezinken en schiften om te ontdekken waar het op aankomt: ‘Alsof er een radio in mij zit, met diverse stations waarop ik kan afstemmen, zodat een bepaald station helder doorkomt. Het is het aftasten van het innerlijk gehoor: de antenne is dan gericht op wat van binnen op een andere manier praat dan doorgaans het geval is.’ [38]
    wat zoek is moet worden gezocht
    wat niet kan worden gezegd
    mag onverstaanbaar worden gezongen [VG669]

Al is ‘de kiesschijf van de liefde’ [VG 675] kapot, buitenstaanders weten raad [VG671]: 
     slechts de heks weet wat magisch heelt
    de tovenaar van ziekten die zijn ingebeeld.

En in het gezondheidslijden groeit [VG596]: [39] 
                     … en je hoopt en klopt aan
    bij de bedelaar die geneest maar heelt alleen
    als hij je ziet staan voor zijn woning: huize waan.

Schrijnende regels, die doen denken aan een parabel bij Qohelet [9,14-15]: een kleine stad wordt door een oppermachtige vijand belegerd. Er was een wijze die de stad had kunnen redden ‘maar geen mens dacht ooit aan die arme man.’

Er zijn opvallende overeenkomsten tussen de periode van de analfabetische naam bij Lucebert en het verhaal van de verzoeking in de woestijn, die ook daar vooraf gaat aan het optreden in de openbaarheid. Beide ervaringen verhelderen elkaar. De beproeving geldt de centrale vragen van het bestaan: koopkracht, macht en religie als toverformule voor succes. Het antwoord bepaalt of de woestijn weer bewoonbaar kan worden. Het recht van de sterkste schept immers de woestijn; brood wil zeggen: eerlijk delen, en religie: geen onderonsje maar saamhorigheid. Marcus is de enige evangelist die oog heeft voor het merkwaardige gezelschap dat de woestijn biedt: geen gedomesticeerde maar wilde dieren, grensgangers die wonen in verlaten ruïnes. Je ziet de bonte stoet van kobolds, satanische tronies, monsters, draken en spoken die de schilderijen van Lucebert bevolken, voorbij trekken. Zoals hij in zijn poëzie keer op keer uit roept: ‘kijk’ dan, en ‘hoor’ wat gaande is. En natuurlijk zijn in de woestijn ook de engelen weer van de partij. Engelen zijn ook alles behalve wereldvreemd, ze weten van wanten: in de droom van Jacob klimmen ze niet uit de hemel omlaag, maar van beneden naar boven en dan weer terug [Gen. 28,12]. Als Elia moedeloos terneer zit, is er de oase van een goed gesprek en brengen ze brood [1 Kon.19,5], raven deden dat al eerder [1 Kon. 17,5]. Er is zelfs  een lezing, die zegt dat het criminelen waren. Kortom, exact hetzelfde gezelschap als dat waarin Lucebert – zoals we hierboven gezien hebben – zich veilig wist.

4. Terug in de bewoonde wereld

De woestijnervaring is per definitie tijdelijk. Lucebert zag dat aanvankelijk anders. Hij wist zichzelf een engel. En: er laait geen taal / maar donker licht er vaart / dat nog talloos is / dat nog taalloos praat [VG62]. Hij zag ook geen kans om stem te geven aan hetgeen hij hoorde. De wil om de taal te zuiveren van verloedering verbindt hem met Celan; de onmacht met Adorno, die ook een tijd gemeend heeft dat er na Auschwitz geen poëzie meer mogelijk was. Lucebert kwam er lalucebert-4ter op terug, daarbij spaarde hij zichzelf niet: hoogmoed, egoïsme en zelfgenoegzaamheid, louter bedacht op eigen zielenheil. [40] Voor de dichter die de tijd opeet geldt [VG435]:
    hij oordeelt niet maar deelt mede
    van dat waarvan hij deelgenoot is

Geen andere wereld, maar deze wereld anders. [41] Nadat  Jona zijn nascholing in de grote vis heeft afgerond en aan zijn roeping gehoor heeft gegeven, zet hij zich als ramptoerist onder een boom om te zien hoe de stad wordt verwoest. Er moet een boktor aan te pas komen, die de  boom doet verschrompelen en hij eindelijk begrijpt dat profetie niet op ondergang mikt maar op ommekeer. In de synagoge wordt Jona gelezen, als lachspiegel van geweigerde dienst en geperverteerde verkiezing, op grote verzoendag. Profetie is geen toekomstvoorspelling maar waarzeggen, de waarheid zeggen. En daarom [VG54]: 
    de sterren spreken beter 
    maar laat mij nog praten
    laat mij nog stamelen

Hij weet nu, dat de taal / in haar schoonheid […] niet meer menselijks had / dan de spraakgebreken van de schaduw / dan die van het oorverdovend zonlicht [VG52]. Zon en schaduw zijn geen tegenstelling, maar articuleren het wonder van het pessimisme: wie aan het licht wil raken, moet zich aan het duister wagen. [42] Ik herinner me hoe de taalgevoelige dogmaticus J.M. Hasselaar sprak over Mozes, die zijn volk in de woestijn de thora gaf als oriëntatie, een weg om te gaan. Aanvankelijk probeert ook Mozes de boot af te houden. Hij was ‘zwaar van tong’, weinig mediageniek. Ook Hasselaar was een hakkelaar: ‘En zo zien wij bij deze grootste van alle getuigen: de stem van God komt niet dan stamelend op de aarde.’ In dit verband is een door Willemijn Stokvis overgeleverde anekdote interessant: “ ‘Ik ben niets dan een omroeper van oproer’, verkondigde Lucebert, die vlak na de oorlog in Amsterdam rondliep met lang wapperend haar en een staf in de hand.” Omstanders riepen hem dan na: ‘Hé, daar komt Mozes.' [43]

De terugkeer uit de woestijn in de bewoonde wereld blijft niet onopgemerkt: blinden gaan zien, gevangenen worden bevrijd. Het gesjochten legioen, dat het zout der aarde genoemd wordt, krijgt een feestmaal aangeboden. [44] Niet alleen in bijbelse tijden zijn er zulke verrassingen: ex-gedetineerden als Havel en Mandela werden president. Cornets de Groot bestreed zelfs de gevolgen van een hartinfarct met een nieuwe bundel van Lucebert. Ook het kleinste, alleen microscopisch waar te nemen ‘gewemel van alle levende zielen’ [Gen. 1,21] wordt onthaald op menselijkheid. Ik denk aan onderstaande regels, waarbij we dankzij de titel van het gedicht: miro, weten dat het bij de krullenjongens om sperma gaat [VG78]: 
    de krul vermenigvuldigt zich zeer snel 
    heeft nog geen weet van geboorteregeling

Lucebert zelf concludeerde dit heilzaam of helend effect van woestijngangers die terugkeren in de bewoonde wereld uit de verhalen van mensen die zijn schilderijen kochten. Na verloop van tijd gingen zij van de demonen, dwergen en andere gedrochten houden… met uitzondering van de generaals! [45] Thora is oriëntatie in de woestijn, ‘uitgelegde’ weg naar humaniteit, de ontdekking van zinnelijkheid en zin, de honger van de naaste jou heilig. Uit zichzelf komt het ‘zijn’ daar niet toe, want overal zanikt bagger [VG586] en hoe zou die zich aan de eigen haren uit het moeras omhoog moeten trekken? De reusachtige energie die het leven in stand houdt, is geen dommekracht maar ‘een intelligente, bewuste kracht die zich van de domme houdt, omdat het leven alleen zo, onwetend, kan voortbestaan […] kennelijk moet het tot elke prijs voortbestaan.’ [46] Zin bewijst zich ‘anders dan zijn’: in besef van verantwoordelijkheid en plaatsvervanging en daarbij scheurt het pantser van het (eigen) zijn.

Andreas Burnier heeft het verhaal overgeleverd van een troep Leidsepleinfiguren die na sluitingstijd ergens nog wat ging drinken samen met een onderweg opgepikte dronken Duitse matroos.  “Plotseling zei hij: ‘Het is jammer dat Hitler niet alle joden heeft kunnen uitroeien.’ Hij haalde een mes tevoorschijn, knipte het open en zei: ‘Ik zou er graag een paar voor mijn rekening nemen.’ […] ‘Waarom vind je dat?’vroeg Lucebert, kalm als altijd, terwijl iedereen de adem inhield. ‘Nou, het is een rotvolk,’zei de zeeman. ‘Ach’, zei de Ariër Lucebert, ‘ik ben nou toevallig een jood hè, maar ik ben het helemaal niet met je eens.’Wij voelden allemaal hoe de geweldige persoonlijkheid van Lucebert de zeeman, mes en al, overweldigde. Even later was hij geruisloos vertrokken.’ [47]

In zo’n moment herken ik een spoor van transcendentie, aan de klassieke metafysica voorbij, maar lang voor die betekenisloos werd al bespeurd: Wat je de minsten doet, is Mij gedaan  [Mt 25,40]. Als er van gene zijde geen sprake uitgaat, zijn hemel en aarde van zin verstoken. ’De hemel vraagt om kruimels aan het land’ zegt Nijhoff in het gedicht De vogels. [48] Als Jan Brokken tijdens een interview Lucebert toeroept: ‘Wat ben jij ontzettend somber’ leidt dat tot een verrassende exegese van de bekende regel over het beeld van de mens als ‘slechts een broodkruimel […]  op de rok van het universum:  ‘dat is als idee heel weinig. En toch… de poëzie draagt in haar knapzak als mondvoorraad een broodkruimel.’ Zin breekt de zelfgenoegzaamheid van het zijn open. In het oratorium troost de hysterische robot zet Lucebert met drie, vier woordjes de filosofie op stelten [VG684]: 
    geen zin
    geen zijn

Deze overtuiging heeft de dichter ondanks alle teleurstellingen nooit verlaten [VG617] [49]:
    met vaste hand /  het schone ideaal
    nogmaals ingezeept / gewassen en geschoren

Mocht het zijn [VG520]: 
    de aarde als herboren / blijkt ons behouden huis 
    geen leven raakt verloren / verdwenen is het kruis     

Van 1976 tot het in 2000 niet langer ging heb ik in Kortenhoef gewerkt in het grensgebied tussen kerk en kunst met als uitgangspunt: ‘zonder communicatie met de godvergeten cultuur ontgaat de kerk haar geheim.’ Aanvankelijk hield het aantal exposities gelijke tred met de daartegen aangespannen kort gedingen. Een onmogelijke rol: aan de ene kant de plakkerige traagheid van de kerk en aan de andere kant de allergie van mensen die daar nog maar betrekkelijk kort geleden afstand van deden. Ik weet hoe het voelt om bekeken te worden als onderdeel van ‘een achterlijke cultuur’. 
Journalisten lieten ooit aan Rutger Kopland liturgieën zien waarin onder andere uit zijn ‘cyclus G’ voorgelezen was. De briefwisseling die daarop volgde bezorgt mij een kwart eeuw later nog kippenvel. De kern daarvan was: deze gedichten vragen weliswaar om een zodanige context maar willen daar beslist niet in opgenomen worden. In diezelfde tijd heb ik Lucebert eigener beweging soortgelijke papieren toegestuurd. Het waren verhalen uit de kritische koningsspiegel Samuël naast poëzie van Neruda. Ik vroeg Lucebert of ik een dag of tien later mocht bellen over een soortgelijke collage met zijn tekeningen en poëzie, enkele strofen daarvan ook op muziek gezet. Zijn vrouw Tony nam op. Op de achtergrond hoorde ik geluiden alsof er een feest aan de gang was. Kennelijk een slecht gekozen moment, maar Lucebert kwam toch en hij was uiterst vriendelijk. Het was geen enkel probleem, ik hoefde ook niet telkens toestemming te vragen en: ‘Laat je vooral niet wegtreiteren daar.’ Dichter naar mijn hart: 
    neem die het leven wil 
    die het leven niet neemt
    neem mijn lied als uw hart
    neem mijn hoofd als uw hand
    uw hand zij het opstandige zaad 
    uw hart het gezicht van het land.

------------------
Dit essay is opgenomen in: De lezende Lucebert, bibliotheek van een dichter, redactie Lisa Kuitert, Vantilt, 2009 [107-123]

[1] De tortuur der muzen, een manifest uit 1949, in: [Hans Groenewegen (red.)] Licht is de wind der duisternis, over Lucebert, [z.p.], 1999, 205-210; het meer volledige citaat: ‘Verzen worden alleen geschreven door gedesequilibreerden. Dezen toch beleven dagelijks het wonder van het pessimisme. En zoals leven uit chaos ontstaat, zo komt poëzie uit pessimisme voort. Maar de zwarte waanzin der dichters is een geordende waanzin, en daarom een andere dan de georganiseerde waanzin [van] de tyrannen. De tortuur der muzen is niet levensvernietigend, de foltering van Mars wel.’
[2] Vgl. Anja de Feijter, ‘apocrief / de analfabetische naam’, Het historisch debuut van Lucebert in het licht van de intertekst van Joodse mystiek en Hölderlin, Amsterdam, 1994, 169: ‘Samengevat ziet het beeld van de dovenetels er als volgt uit: ze willen de liefde niet dienen, ze willen niet branden, ze willen niet spreken. Al deze verschillende inhouden van hun gelaakte improductiviteit laten zich samenvatten onder de noemer van het tot hen gerichte verwijt dat ze geen zwarte vlekken laten zien. De tegenstelling tussen brandnetels en dovenetels kwalificeert de laatste als seksueel inert.’
[3] In een interview uit 1953 met Manuel van Loggem, geciteerd in: R.L.K. Fokkema, Het komplot der vijftigers, Amsterdam, 1979, 107-108; de verwijzing is te vinden in Ezechiël 7,17 en 21,7 [HAA].
[4] Vgl Lucebert in een brief aan Cornets de Groot (21-11-1972) over de manier waarop hij Van Caspels onderzoek bemoeilijkte, geciteerd in: Licht is de wind, 1999, 220-221, zie voor de uitspraak over psychiaters: Lien Heyting, NRC-Handelsblad, 11 maart 1994.
[5] Peter Hofman, Lichtschikkend en zingend, de jonge Lucebert, Amsterdam, 2004.
[6] Vgl A. de Feijter 1999, [Verbannen naar het paradijs],  Licht is de wind, 98.
[7] Descartes, Meditaties [vertaling: Wim van Dooren], Meppel, 1996, 51-52. Interessant is in dit verband een uitspraak van Lucebert uit het interview met Jan Brokken [Haagse Post, 22 april 1978]: ‘En dat is toch waar elke kunstenaar naar streeft: de opheffing van de scheiding tussen subject-object, vorm-inhoud, om een waarheid aan het licht te brengen die, al is het slechts voor een ogenblik, niet relatief is. […] Om het onmogelijke mogelijk te maken en zo vanzelfsprekend als brood.’ Geciteerd in: Hans Düting, Archief De Vijftigers II, Baarn, 1983, 64.
[8] Vgl. Theo de Boer, Langs de gewesten van het zijn, Zoetermeer, 1996, 56-64, 303-306.
[9] Emmanuel Levinas, De totaliteit en het Oneindige, Baarn, 1987, 13, idem, Anders dan zijn, Baarn, 1991, 18.
[10] Titel van een interview met Max Pam, Vrij Nederland 29 januari 1983
[11] De Groene, 18 augustus 1951, geciteerd bij: Hofman, Lichtschikkend, 242.
[12] Over Mc Luhan, en diens fascinatie voor de relatie tussen taal en lichaam, het verschil tussen hardop lezen en het verdwijnen van die gewoonte na de uitvinding van de typografie,  zie: Arjen Mulder, Licht is de wind, 301-306.
[13] Emil Cioran, Bestaan als verleiding. Vertaling: Maarten van Buuren], [z.pl.], 2001, 172.
[14] Marcion [circa 110-160], een gnostisch denker in Rome, die verkondigde dat de wrede God van het Oude Testament niet de Vader van Jezus was. Het Nieuwe Testament ontdeed hij van verwijzingen naar de joodse achtergrond. Mani [216-176] groeide in een joods-christelijke sekte op in het oude Perzië, verkondigde een gnostisch dualisme tussen goed en kwaad, licht en duister, ziel en stof en werd daarmee de stichting van het Manicheïsme.
[15] Ook binnen het orthodoxe - of zich daarvoor uitgevende - christendom is het virus van de gnostiek springlevend. Vgl W. Aalders, Schepping of geschiedenis. Over de tegenstelling tussen de christelijke hoop en het moderne vooruitgangsgeloof,  Den Haag, [1969]: ‘Wie […] iets van de excorcérende werking van het bloed van Jezus ervaart, is geen historisch vastgeklonken gevangene meer van de tijd, maar een […] die de uittocht […] voltrekt uit het diensthuis van de geschiedenis. (117) ‘De machten van zonde, dood en duivel brengen het rad van de tijd in beweging en baren de geschiedenis’ (120).
[16] Vgl. Ger Groot, Vier ongemakkelijke filosofen, Nietzsche, Cioran, Bataille, Derrida, A’dam, 2003,  164, 172, 201, 240
[17] Lucebert in een interview met Rix Betlem [Avenue, september 1968], in: Düting, Archief II, 45.
[18] H.U. Jessurun d’Oliveira, Scheppen riep hij gaat van Au, A’dam, 1977, 43 en 50.
[19] Bibeb & de Kunst, Amsterdam, 1985, 208
[20] Barber van de Pol, [De kosmische kaakslag], Licht is de wind, 284-285.
[21] Vgl. Huub Oosterhuis, Gezongen Liedboek, Kampen, 1993, ‘Mensen bestaan u’ [39] ‘om voor elkaar / zo goed als God te zijn [67], zie ook: Henk Abma, ‘Een zingende brug over de afgrond,’ in: Liedje dat ik niet kan laten, Kampen 2002, 61-70.
[22] Jan Oegema, Lucebert, mysticus, Over de roepingsgedichten en de ‘Open brief aan Bertus Aafjes’, [z.pl.], 1999, 24. Echter: juist van een fenomenologische aanpak mag je verwachten, dat betrokkenen zich in de beschrijving herkennen. In de vele uitspraken die Oegema over het christendom doet, is dat wat mij betreft zelden het geval [vgl 22, 130, 134, 289]. Misschien is de opmerking achterhaald: op 2 januari 2007 schreef Oegema in het katern Letter & Geest van het dagblad Trouw dat het christendom op een ‘denkfout’ berust.
[23] Vgl G.H. ter Schegget, Volmacht in onmacht, Baarn, 1988, 16-23, die pleit ‘voor een faculteit der godgeleerdheid aan een openbare universiteit, die geleerdheid naast wetenschap een plaats gunt.’
[24] H.M. Kuitert muntte dit begrip als ‘interpretatiekader’, als ‘weten in ontwerp’ nog ‘zonder uitsluitsel’ vgl. Wat heet geloven, Baarn, 1977, 140-159; Zeker weten, Baarn, 1994, 126-128;  Over religie, Baarn, 2000, 144-146; later in: Voor een tijd een plaats van God, Baarn, 2002, 121 lijkt hij het begrip in te ruilen voor ‘verbeelding’.
[25] Vgl Theo de Boer, De God van de filosofen en de God van Pascal, Op het grensgebied van filosofie en theologie, ’s Gravenhage, 1989, 122-140; 148-150, zie ook: Langs de gewesten, 319-331.
[26] Elias Canetti, Wat de mens betreft, Amsterdam, 1976, 38. Vgl. H.A. Abma, ‘De kunst van de verbeelding’, in: Stem in de stad, spiritualiteit in een verstedelijkte cultuur, Rotterdam, 2000, 13-33: De rabbijnen hebben eeuwenlang vruchtbaar geruzied over de vraag of Tenach in het spraakwater van de volkeren vertaald mag worden. De taal van gebeden en liturgie, het ‘allerjijst’ [Vroman] en het boek Esther, de taal van de geschoffeerde mensheid, verdragen geen vertaling; al het andere moet  in alle talen vertaald worden opdat de rijkdom aan betekenis zich volledig kan ontvouwen.
[27] Hofman, Lichtschikkend, 2004, 124.
[28] R.L.K. Fokkema, Licht is de wind, 1999, 193
[29] Jan Oegema, Lucebert, mysticus, 17. Overigens spreekt ook  Offermans  [Licht is de wind, 1999, 355] over Lucebert als profeet, het is ‘de essentie van zijn werk, niet alleen naar de inhoud, ook naar de vorm, die vaak imperatief en in een niet-narcistische, niet aanstellerige zin pathetisch (pathos is lijden) is en dan haast een oudtestamentische dreiging krijgt. Dat zou – tussen haakjes – kunnen verklaren waarom Lucebert (in tegenstelling tot bij voorbeeld Hugo Claus) veel vaker naar de joods-christelijke traditie verwijst dan naar de Grieks-Romeinse.’
[30] Hofman, Lichtschikkend, 2004, 144.
[31] Czeslaw Milosz, Gedichten [vertaling Gerard Rasch], Amsterdam, 2003, 185
[32] Hofman, Lichtschikkend, 2004, 172
[33] Blaise Pascal, Gedachten, Amsterdam, 1997, fragment 114, een gedachte die nader gespecificeerd wordt als: de ellende van een onttroonde koning [116], de mens, die weet dat hij iets mist [117]. Vgl Fokkema, Licht is de wind, 1999, 184: ‘want zijn revolutionaire poëzie is in feite een restauratie van verloren gewaande gedachten aan een ideale wereld.’
[34] Lucebert, in:’Open brief aan Bertus Aafjes’ [De Groene Amsterdamme, 4 juli 1953], die als Bijlage I is opgenomen in Oegema, Lucebert, mysticus,1999, 310-313.
[35] Nummer 67 in de collectie Sylvia Sluyter, geciteerd bij A. de Feijter, Licht is de wind, 1999, 92.
[36] Oliveira, Au, 1977, 51
[37] Henk Abma, Inkeer, een onderzoek vanuit literatuur en beeldende kunst, Kortenhoef, 2000, 7, 196-200.
[38] Lucebert, Van boek naar babel en zeg daar maar wat, het hilarische verslag van een gesprek met de godsdienstgestoorde vrouw van de drukker van Braak,  in: Erik Slagter, Tekst en beeld; Cobra en Vijftig, een bibliografie, 1986, 15-18
[39] In de index van de Verzamelde Gedichten abusievelijk genoteerd als 896.
[40] Vgl. Seamus Heaney, die in Punishment, een gedicht over een veenlijk; iemand die in de oertijd gewurgd is als straf voor overspel – met een allusie op Johannes 7,53-8,11 – schrijft: I almost love you / but would have cast, I know, / the stones of silence [Selected Poems 1966-1987, London, 1990, 71; en later in Mycene Outlook Cassandra laat zeggen: ‘No such thing / as innocent / bystanding’ [The Spirit Level, London, 1996, 30].
[41] De uitdrukking is ontleend aan Sybren Polet Gedichten 1998-1948, Amsterdam, 560.
[42] Vgl. Axel Gellhaus, Het gesprek in de bergen, Paul Celans impliciete dialoog met W. Adorno over de mogelijkheid, na Auschwitz poëzie te schrijven,  in: Addendum Collage, Kortenhoef, 2003; tegenover de esthetica van de Übermensch stelde Celan: ‘Respect voor het geheim van de kromneuzige natuur – dat is een weg naar het gedicht’ [12].
[43] Willemijn Stokvis, Lucebert, Culemborg, 1984, 8, die daar onmiddellijk het onjuiste cliché van de profeet als doemdenker op laat volgen: ‘de oudtestamentische profeet die hel en verdoemenis verkondigt aan een wereld die hij ten onder ziet gaan in haar dwaalwegen.’
[44] Vgl. Mattheus 11,5, Lukas 14,21b-24
[45] Door de ogen van Lucebert, een documentaire [28 minuten] uit 1988, gemaakt door Koos Baay en uitgezonden door de AVRO in het programma Close Up. In deze documentaire waarin veel beeldend werk is te zien, gaat het over de afschuwelijke koppen van Zuidamerikaanse generaals en dictators op de schilderijen. Lucebert zegt dan: ‘Het zijn geen gemakkelijke schilderijen [....] Het zijn heel aanwezige schilderijen. Ik geloof eigenlijk – en dat hoor ik ook van mensen die schilderijen van mij bezitten – dat op den duur het monsterlijke, eigenlijk, het afstotende, juist het aantrekkelijke gaat worden doordat die monsters misschien verdwaalde, lieve, betoverde kinderen zijn ... of mensen. Dat geldt natuurlijk niet voor de generaals die ik schilder. Generaals, dat zijn de echte monsters natuurlijk. Die maken slachtoffers. Maar die andere wezens, die maken geen slachtoffers; die zijn eigenlijk helemaal onschuldig, niet bedreigend ... wezenlijk.’
[46] Imre Kertész, Kaddisj voor een niet geboren kind, Amsterdam, 1994,  17.
[47] Andreas Burnier, Een tevreden lach, 1965, geciteerd bij: Hofman, Lichtschikkend, 206-207.
[48] Martinus Nijhoff, Gedichten, Assen, 1993, 325.
[49] Zoals bij alle revolutionairen vinden we ook bij Lucebert een scheut chiliasme: het m jarig rijk [VG105], de afrekening met demonen en ander geteisem als clou van de geschiedenis valt er niet buiten maar oefent daarbinnen haar verontrustende werking.